Home Assessment of Depression Inventory (ADI)

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Assessment of Depression Inventory (ADI)

Avatar
Jos de Jonghe
Avatar
Machteld van Leeuwen
Avatar
Jordy Muller
Avatar
Tjerk Schoemaker
Avatar
Dick Lam
Avatar
Jaap v.d. Veer
Onderzoek naar de samenhang van depressie, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is gebaat bij het gebruik van specifieke symptoomvaliditeitstests (SVT).
Dit onderzoek betreft de vertaling, validatie en normering van de Nederlandse versie van de ADI, een vragenlijst met subschalen voor zelfrapportage van depressie en overrapporteren. Deelnemers waren gezonde controles, patiënten en personen verwezen voor neuropsychologisch expertiseonderzoek (n=499). Een tweede (pilot)onderzoek was gericht op overrapporteren bij verwijzing naar expertiserend neuroloog of psychiater. Prevalentie van overrapporteren was 14,6-41,1%. Validiteit van de ADI bleek uit een goed onderscheidend vermogen en hoge samenhang met SVT’s en bekende depressievragenlijsten. In de pilotstudie overrapporteerden 47% van de personen alleen gezien door neuroloog (n=19) en 86% bij personen alleen gezien door psychiater (n=14). Concluderend is de ADI een veelbelovende depressievragenlijst en SVT. In expertiseonderzoek door neuroloog of psychiater is mogelijk vaker sprake van responsbias dan gedacht, wat het belang van routineonderzoek naar symptoomvaliditeit onderstreept.
Inleiding
Depressie is een veelvoorkomend psychiatrisch beeld. Het heeft potentieel ernstige gevolgen voor de patiënt en gaat niet zelden gepaard met disfunctioneren op het werk, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De lifetime prevalentie van depressie wordt geschat op 18,7% van de Nederlandse bevolking tot 65 jaar en per jaar komt dit voor bij ongeveer 5,2%.1 Diagnostiek van stemmingsstoornissen vindt plaats in de (geestelijke) gezondheidszorg, maar ook in expertiseonderzoek, bijvoorbeeld in geval van beoordeling van arbeidsongeschiktheid. In beide settingen doet zich de vraag voor of het beeld wijst op depressie of dat er alternatieve verklaringen zijn.
Naast een daadwerkelijke depressieve stoornis kan zich de bijzondere situatie voordoen waarbij klachten worden voorgewend of overgerapporteerd. Prevalentie van responsebias of overrapporteren in het algemeen wordt geschat op 30-60%, afhankelijk van de gebruikte testmethoden en setting.2-5 Depressie is een van de meest genoemde stoornissen in arbeidsongeschiktheidsprocedures.2,6 Er zijn aanwijzingen dat depressie geassocieerd is met andere klachten die kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid, zoals somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK).7 Weinig is bekend over de prevalentie van het overdrijven van depressieve symptomen. De klinische impressie van wat daadwerkelijke dan wel voorgewende symptomen zijn, is minder accuraat dan vaak wordt gedacht.8,9 Specifieke meetinstrumenten kunnen uitkomst bieden. Het is zaak deze systematisch in te zetten tijdens de diagnostiek.10
Recent is Nederlands onderzoek verricht naar de Assessment of Depression Inventory (ADI)-vragenlijst ontwikkeld in de Verenigde Staten.11 Overwegingen bij de constructie van de oorspronkelijk ADI zijn dat weinig betrouwbare meetinstrumenten specifiek gericht zijn op het ‘eerlijk’ of ‘geveinsd’ weergeven van depressieve symptomen. Bestaande vragenlijsten zoals de Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI) en de Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS) zijn omvangrijk of niet ingeburgerd in het testarsenaal van de praktiserend klinisch neuropsycholoog. Sommige vragen uit deze lijsten verwijzen naar bizarre symptomen en de persoon die op subtiele wijze klachten veinst of overrapporteert zal daarop niet snel met ja antwoorden. Dat kan leiden tot fout-negatieve uitslagen. Het is wenselijk in meerdere settingen te kunnen beschikken over een handzame depressievragenlijst die zowel een indicatie geeft van de betrouwbaarheid van de antwoorden als van de ernst van de symptomen. Hier beschrijven wij enkele psychometrische aspecten van de Nederlandse ADI-versie en een pilotonderzoek naar de toepassing van de ADI en consequenties van het al of niet doorverwijzen voor onderzoek naar symptoomvaliditeit.

Methode

Het betreft hier cross-sectioneel observationeel onderzoek. Interne consistentie, validiteit en normering van de vertaalde ADI is bepaald bij gezonde controles, geïnstrueerde simulanten en patiënten die al dan niet werden verwezen voor expertisebeoordeling. Grenswaarden voor overrapporteren berusten op onderlinge vergelijking van groepen deelnemers. Het meten van ernst van depressieve klachten is vastgesteld door vergelijking van de ADI-depressiescore met de Beck Depression Inventory tweede editie (BDI-II)12 en de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS)13 Een tweede onderzoek richt zich op de prevalentie van overrapporteren gezien door expertiserend neuroloog dan wel psychiater.

ADI Normering en validiteitstudie

In totaal namen 499 personen deel aan het normeringsonderzoek. Het onderzoek vond plaats in de Noordwest Ziekenhuisgroep (NWZ), de GGZ NHN en DC VerzuimDiagnostiek, Amsterdam. In aanmerking voor deelname kwamen poliklinische patiënten uit het algemeen ziekenhuis of GGZ-instelling met een reeds gestelde diagnose depressie, fibromyalgie of chronische pijn. Ook namen deel personen verwikkeld in een arbeidsongeschiktheidsprocedure, geïnstrueerde simulanten en gezonde controles (tabel 1). Exclusiecriteria waren onvolledige ADI-gegevens, taalbarrière en geen informed consent. Personen in een arbeidsongeschiktheidsprocedure (n=151) zijn onderverdeeld in 2 groepen; niet-simulerend (non-SIM, n=86) of wel-simulerend (SIM, n=65), gebaseerd op Slick-criteria (Slick, Sherman & Iverson, 1999).14 In de praktijk komt dit veelal neer op 2 positieve SVT’s in combinatie met een extern motief (met name arbeidsongeschiktheid of aansprakelijkheidsclaim). De afgenomen testbatterij verschilt per groep, afhankelijk van de onderzoeksvraagstelling en alle deelnemers vulden de ADI in. De betrouwbaarheid van de ADI-subschalen werd onderzocht door per schaal de interne consistentie te bepalen (Cronbach’s Alpha). Covariantieanalyse werd gebruikt om groepsverschillen waar te nemen en onafhankelijkheid van de ADI-overrapportage en depressieschalen vast te stellen. Receiver operating characteristic curves-analyse werd toegepast om de optimale grenswaarden te bepalen.

Tabel 1 Scores ADI Overrapporteren en Depressieklachten per groep
n
Overrapporteren
Depressie
Expertise
151
10,4 (3,5)
40,4 (12,5)
GGZ depressie
26
9,0 (1,5)
43,0 (11,7)
Fibromyalgie
55
8,9 (1,5)
36,3 (8,3)
Chronische rugklachten
55
9,4 (2,1)
37,1 (10,6)
Geïnstrueerde malingerers
60
15,0 (4,7)
56,7 (8,9)
Gezonde controles
152
8,4 (0,8)
26,4 (4,8)

Meetinstrumenten

De Nederlandse vertaling van de ADI is ter hand genomen door auteur, Machteld van Leeuwen, klinisch psycholoog, en Sacha Meyer, psycholoog. Meerdere experts op het gebied van depressie met een psychiatrische of psychologische achtergrond werden geraadpleegd en na terugvertalen en goedkeuring door de oorspronkelijke auteurs, kwam de definitieve versie in 2014 tot stand. Deze ADI-NL (Hogrefe Uitgevers bv) bestaat uit de depressieschaal (ADI-Dep), de oorspronkelijk Engelstalige versie Malingering-Scale is genoemd overrapportageschaal (ADI-Or), de Willekeurig antwoorden-schaal (ADI-Wk) en de Betrouwbaarheidsschaal (ADI-Bh).
De ADI bevat naast de genoemde subschalen 8 items die dienen als afleiders. ADI-Dep items zijn gebaseerd op depressiesymptomen zoals genoemd in DSM-IV en komen overeen met die in DSM-5. ADI-Or items verwijzen naar klachten die als atypisch, extreem of bizar kunnen worden beschouwd en die depressieve patiënten niet herkennen. Het Nederlandse onderzoek heeft zich tot nu toe gericht op de ADI-Dep en ADI-Or subschalen. De Engelstalige versie van de ADI blijkt een intern consistent en valide meetinstrument.11,15 Verschillende grenswaarden voor overrapporteren zijn gevonden, mede afhankelijk van de studiepopulatie, en de ADI bleek hoog te correleren met de Beck Depression Inventory (BDI-II). De BDI-II en SIMS zijn welbekende en veelgebruikte zelfbeoordeling vragenlijsten voor respectievelijk depressie en symptoomvaliditeit.15-17

Pilotonderzoek

DC VerzuimDiagnostiek verzorgt medische expertises bij arbeidsmedische vraagstukken. Gedurende 2 maanden werd daar voorafgaand aan de intake een vragenlijst gestuurd aan alle 69 personen verwezen voor regulier neurologisch, psychiatrisch of neuropsychologisch expertiseonderzoek. Deze lijst bevat naast veelvoorkomende psychiatrische klachten een beknopte versie van de SIMS en de gehele ADI-vragenlijst. De procedure bij verwijzing is dat de bedrijfsarts, verzekeringsarts of expertiserend neuroloog of psychiater ook neuropsychologisch onderzoek kan aanvragen. In sommige gevallen wordt uitsluitend naar neuropsycholoog verwezen. De beknopte SIMS bestaat uit een selectie van 13 items uit een grotere itempool18 die (a) gericht zijn op cognitieve klachten, (b) op face value-gronden geen bizarre symptomen weerspiegelen en (c) samenhangen met de SIMS-totaalscore. De SIMS-totaalscore werd geëxtrapoleerd uit de score op de geselecteerde 13 items. Prevalentie overrapporteren bij verwijzing naar alleen psychiater of neuroloog werd bepaald op grond van de ADI, van overrapportage subschaal of SIMS-score.

Resultaten ADI-normeringstudie

Gemiddelden op de ADI-Depressie en overrapportage subschalen per groep deelnemers worden weergegeven in tabel 1.

Betrouwbaarheid ADI-NL

De schalen uit de ADI-NL blijken homogeen; Cronbach’s alpha overrapportage = 0,84, depressie = 0,96 (n=499). Na exclusie van Slick-positieve cases bleef de interne consistentie hoog voor de depressie-subschaal en verminderde die voor de overrapportage schaal, conform de verwachting dat Slick-negatieve cases niet of nauwelijks scoren op deze laatste (restriction of range).

Validiteit ADI

De ADI-depressiescore hangt sterk samen met BDI-II, r = 0,86 (n=190), hetgeen betekent dat beide hetzelfde (construct) meten. Dit geldt ook voor de samenhang tussen ADI-depressie en Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS), r = 0,89 (n=121). Overrapporteren volgens de ADI hangt sterk samen met de SIMS-score, r = 0,74 (n=207). Dit ondersteunt de validiteit van de ADI als SVT.
De ADI-overrapportageschaal blijkt in staat om goed onderscheid te maken tussen gezonde controles, simulanten en proefpersonen die depressieve klachten rapporteren op de BDI-II of de HADS (F(2,487)=159.361, p<.001). Dit onderscheidend vermogen blijft aanwezig wanneer de ernst van zelfgerapporteerde depressieve symptomen, zoals geobjectiveerd door de depressieschaal van de ADI, als covariaat wordt meegenomen (F(2,486)=44.672, p<.001). Deze analyse laat zien dat de overrapportage- en depressieschalen van de ADI daadwerkelijk verschillende constructen meten en onafhankelijk van elkaar sensitief zijn voor aanwijzingen voor overrapportage en depressieve klachten.
In dit onderzoek is een score >9 de optimale grenswaarde op de ADI-overrapportageschaal, een waarde die lager ligt dan gevonden in Amerikaans onderzoek (tabel 2). Percentage overrapporteren in huidig onderzoek volgens de ADI-methode is voor controles 9,2%, geïnstrueerde simulanten 95%, depressieve patiënten behandeld in de GGZ 23,1%, fibromyalgie 14,6%, verwijzingen naar medische psychologie 27,3% en neuropsychologisch expertises 41,1%. Geen van de depressieve ggz-patiënten scoorde hoger dan 12 op de ADI-overrapportageschaal.
Ten slotte blijkt dat ADI-depressiescores 37-42 passen bij wat in de BDI-II ‘matige depressie’ wordt genoemd en scores >42 wijzen op ‘ernstige depressie’.

Resultaten pilotonderzoek

In totaal retourneerden 49/69 personen de vragenlijst. Allen waren Nederlands sprekend. Uit deze groep werden 26 neurologisch onderzocht, 17 psychiatrisch en 14 neuropsychologisch. Combinatieonderzoek kwam voor en 5 personen werden alleen door de neuropsycholoog gezien. Een positieve ADI en SIMS kwam voor bij 47% en 26% van de personen alleen gezien door de neuroloog (n=19), bij 86% en 36% van de personen alleen gezien door de psychiater (n=14) en bij 50-100% in combinatieonderzoek, dat wil zeggen neurologisch en/of psychiatrisch én neuropsychologisch onderzoek (n=8).

Tabel 2 Grenswaarden ADI overrapporteren en sensitiviteit en specificiteit in percentages
Controle
Klinisch
Totaal
Score
Sens
Spec
Sens
Spec
Sens
Spec
>9
96,7
76,3
93,3
59,3
95,0
70,0
>10
95,0
90,8
75,0
82,6
85,0
87,8
>11
81,7
95,4
56,7
88,5
69,2
92,9
>12
71,7
98,7
46,7
94,2
59,2
97,1

Discussie

In deze bijdrage wordt beknopt het valideringsonderzoek besproken naar de Nederlandse versie van de ADI, een nieuwe zelfbeoordelingsvragenlijst bruikbaar voor het meten van ernst van depressieve klachten en overrapporteren. De meetschalen in de ADI-NL blijken intern consistent en valide. Uit een tweede kleinere studie blijkt dat overrapporteren van klachten veel voorkomt bij verwijzing voor neurologische of psychiatrische expertise, zonder dat betrokkene ook wordt gezien voor neuropsychologisch onderzoek. Sterk punt van het valideringsonderzoek is de grote groep deelnemers uit meerdere settingen.
De bevindingen zijn van betekenis voor zowel de klinische diagnostiek als het expertiseonderzoek van depressie. Patiënten in het algemeen ziekenhuis met fibromyalgie en lage rugpijnklachten, en personen met diverse klachten verwezen voor expertise neuropsychologisch onderzoek scoorden in 14,6-41,1% van de gevallen positief op de overrapportageschaal van ADI-NL. Terwijl een minderheid van de neurologische en psychiatrische expertises een neuropsychologisch onderzoek omvatte, met daarin objectieve meetinstrumenten voor symptoomvaliditeit, wijst screening op veelvoorkomende responsbias. In bijna de helft van neurologische en driekwart van de psychiatrische expertiseonderzoeken speelde overrapportage een rol. Gezien de prevalentie van zowel depressie als responsbias, kan het belang van de uitkomsten in dit onderzoek niet snel worden overschat.
De resultaten sluiten aan bij eerder onderzoek naar de ADI. Mogge en LePage bepaalden dat 15 de optimale ADI-grenswaarde is voor overrapporteren in hun validatie cohort.11 In die studie werd een hoge samenhang gezien tussen de ADI-depressieschaal en de BDI-II (r = 0,86-0,93, afhankelijk van ontwikkel-validatiestudies) en bleek een ADI-grensscore 39 voor matige depressie (gebaseerd op BDI-II normen) en 49 voor ernstige depressie. In een latere studie werd gevonden dat een score >9 op de ADI-overrapportageschaal groepen optimaal onderscheidt.12 Onderzoek naar de Nederlandse ADI laat zien dat >9 wijst op overrapporteren. Overigens scoorde geen van de ambulante ggz-patiënten bekend met depressie hoger dan 12 op de overrapportageschaal. Een score 37 of hoger op de depressiesubschaal wijst op matige depressie en 42 of hoger past bij ernstige depressie. Onze resultaten zijn gebaseerd op inclusie van vele personen uit verschillende settingen over wie gegevens beschikbaar waren over het al of niet onderpresteren en overrapporteren.
Onderzoek naar optimale grenswaarden kunnen verschillen en soms hangt dat samen met culturele aspecten en de geïncludeerde deelnemers. Het is denkbaar dat recent klinisch opgenomen depressieve patiënten meer of ernstiger symptomen rapporteren dan ambulante patiënten die al enige tijd worden behandeld. Tevens is het waarschijnlijk dat expressie van emotie mede afhankelijk is van sociaal-culturele kenmerken van het land waarin iemand opgroeit. Zo kan in het oorspronkelijke Amerikaanse onderzoek een hogere grenswaarde voor overrapporteren worden gevonden in vergelijking tot Nederlands onderzoek.

Gegevens uit de gerapporteerde pilotstudie laten zien dat niet iedere verwijzing naar expertiserend neuroloog of psychiater gepaard gaat met (door)verwijzing voor neuropsychologisch onderzoek. Van betekenis is dat het screenend gebruik van enkele SIMS-items en de ADI-lijst een hoge mate van responsbias laat zien. De mate waarin deze kennis over eventuele responsbias terugkomt in de medische expertise rapportage valt buiten het kader van deze beknopte studie. De bevindingen suggereren dat standaardisatie, met name het toevoegen van formele symptoomvaliditeitstests, opportuun is bij de overweging neurologische en psychiatrische expertise.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0067-x/MediaObjects/12498_2019_67_Fig1_HTML.jpg
Enkele kritische opmerkingen betreffen het kleine aantal behandelde depressieve patiënten die niet in een expertise context werden gezien. Eveneens is er het kleine aantal deelnemers aan de pilotstudie. Daar staat tegenover dat vele personen verwezen voor expertiseonderzoek werden behandeld voor depressie en in die zin is er waarschijnlijk geen sprake van ondervertegenwoordiging.
Concluderend lijkt de ADI-NL een nieuw en valide meetinstrument dat het meten van depressie en overrapporteren van klachten combineert. De hoge prevalentie van responsbias in zowel een klinische als expertise setting maakt dat het overslaan van de belangrijke diagnostische stap ‘Is dit wat ik zie wel echt waar?’, niet alleen leidt tot een gemiste kans, het valt op redelijk eenvoudig en objectieve wijze te vermijden.
Met dank aan Nienke Koopmans voor deelname aan het pilotonderzoek.
Conflicterende belangen:
J. De Jonghe en M. van Leeuwen zijn auteurs van de Nederlandse vertaling van de ADI van Hogrefe Uitgevers bv.

Literatuur

1.

De Graaf R, Have M ten, Dorselaer S van. The Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2 (NEMESIS-2): design and methods. Int J Methods Psychiatr Res. 2010;19:125-141.

2.

B. Schmand et al. Cognitive complaints in patients after whiplash injury: the impact of malingering. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1998;64:339-343.

3.

Mittenberg W, et al. Base Rates of Malingering and Symptom Exaggeration. J Clinical and Experimental Neuropsychology 2002;8:1094-1102.

4.

Van Hout M, et al. Suboptimal Performance on Neuropsychological Tests in Patients with Suspected Chronic Toxic Encephalopathy. NeuroToxicology 2003;24:547-551.

5.

Dandachi-Fitzgerald B, Ponds R, Peters M en Merckelbach H. Cognitive Underperformance and Symptom Over-Reporting in a Mixed Psychiatric Sample. The Clinical Neuropsychologist 2011;5:812-828

6.

Griffen G, et al. Assessing dissimulation among Social Security disability income claimants. J of Consulting and Clinical Psychology 1996;64:1425-1430.

7.

Boven K van, et al. Do unexplained symptoms predict anxiety or depression? Ten-year data from a practice-based research network. Br J Gen Pract. 2011:316-325.

8.

Rosenhan D. On Being Sane in Insane Places. Science 1973;179:250-258.

9.

Dandachi-FitzGerald B, Ponds R, Merckelbach H. Neuropsychologists’ ability to predict distorted symptom presentation, J Clinical and Experimental Neuropsychology 2016;39:257-264.

10.

Merten T, et al. Symptom validity assessment in European countries: Development and state of the art. Clínica y Salud. 2013;24:129-138.

11.

Mogge N, LePage J. The assessment of depression inventory (ADI): A new instrument used to measure depression and to detect honesty of response. Depression & Anxiety, 2004;20:107-113

12.

Does W van der. Beck Depression Inventory, tweede editie, Nederlandse versie (BDI-II). Pearson Benelux bv Uitgeverij.

13.

Spinhoven Ph, et al. A validation study of the Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) in different groups of Dutch subjects. Psychological Medicine 1997;27:363-370.

14.

Slick D, Sherman E, Iverson G. Diagnostic criteria for malingered neurocognitive dysfunction: Proposed standards for clinical practice and research. Clinical Neuropsychologist 1999;13:545-561.

15.

Clegg C, Fremouw W, Mogge N. Utility of the Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS) and the Assessment of Depression Inventory (ADI) in screening for malingering among outpatients seeking to claim disability. The Journal of Forensic Psychiatry & Psychology 2009;20:239-254

16.

Smarr K, Keefer A. Measures of depression and depressive symptoms: Beck Depression Inventory-II (BDI-II), Center for Epidemiologic Studies Depression Scale (CES-D), Geriatric Depression Scale (GDS), Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS), and Patient Health Questionnaire-9 (PHQ-9). Arthritis Care & Research 2011;63:S454-S466.

17.

Merckelbach H, Smith G. Diagnostic accuracy of the Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS) in detecting instructed malingering. Archives of Clinical Neuropsychology 2003;18:145-152.

18.

Malcore S, Schutte C, Dyke S van, Axelrod B. The Development of a Reduced-Item Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS). Psychol Inj and Law. 2015;8:95-99.

Aandachtspunten

  • De nieuwe ADI-vragenlijst is bruikbaar voor onderzoek naar depressie en overrapporteren.
  • Expertise onderzoek door neuroloog of psychiater gaat niet standaard gepaard met neuropsychologisch onderzoek, en dat terwijl de prevalentie van overrapporteren of of onderpresteren hoog is.
  • Standaard onderzoek naar symptoomvaliditeit is gewenst in meerdere settings.

Abstract

Specific Symptom Validity Tests (SVT) are useful during assessments of depression, sick leave and disability.
This study examines validity and normative data of Assessment of Depression Inventory Dutch version (ADI). The ADI consists of depression and malingering subscales. Participants were healthy controls, patients, and persons referred for neuropsychological examination in a disability, medico-legal setting (n=499). A second small scale study examined overreporting in neurological or psychiatric referrals.
Prevalence of overreporting was 14.6-41.1%. Validity of the ADI was supported by its ability to discriminate between groups, and high correlations with other SVT’s and well-known depression self-rating scales. The pilot study showed 47% overreporting in cases seen only by the neurologist (n=19), and 86% in those seen only by the psychiatrist (n=14).
We conclude that the ADI is a very promising depression and overreporting scale. Routine application of SVTs is important during neurological or psychiatric examinations in a disability, medico-legal setting.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.