"Welke kant ben jij opgegaan?" Belangstellende ogen kijken mij aan, grijzende krullen vallen over de lijnen in zijn gezicht, als een vergeefse poging de tand des tijds te verhullen. Zijn bril identiek aan die hij op had toen we zij aan zij stonden om de artseneed af te leggen. Ik herbeleef hoe ik daar stond twaalf jaar geleden. Voor een volle collegezaal, niet wetend wat me te wachten staat.
Wat een mooie vraag eigenlijk. Welke kant ben je opgegaan? Een mooie vraag om te stellen aan iemand over zijn levenspad of carrièrepad. Ik onderdruk de flauwe neiging om te antwoorden: uhm, even denken, na de buluitreiking? Ik denk linksaf en toen rechts de St. Anna op, ja, op mijn studentenfiets die nog harder leek te rammelen dan voor de buluitreiking. Ik reed door rood en zonder licht, op weg naar de Ontmoeting om deze mijlpaal te vieren met mijn naasten. O, wacht, je bedoelt niet ‘welke kant op’ maar je bedoelt waar ik uiteindelijk terecht ben gekomen? Je wilt graag een kort en duidelijk antwoord. Of ik specialist ben, en waar, of ben ik nog AIOS? En goed, een tussenstation: was de psychiatrie niet wat het leek? Korte, duidelijke antwoorden. Wat houdt mijn vak überhaupt in? Mis ik het echte dokteren niet?
Toen begon ik toeristische routes te nemen, wat maakte het uit? Ik nam een omweg, wat had ik te verliezen? En toen zag ik ze, zonsopgangen en regenbogen, wolken met gouden randen. Ik wed dat ik vaak de enige was die ze opmerkte.
En toen, daar in de verte, daar was dat grote, grijze pand met een blauwe vlag. Ik kneep mezelf, het zou niet de eerste fata morgana zijn geweest. Ik was er. Wat voelde ik me veilig met die rode knop onder het bureau. Ik verdwaalde nog wel eens, elke verdieping was immers hetzelfde. Ik verdwaalde in wetten en protocollen. Of in mijn beschouwing. En dan keek ik naar buiten, naar de horizon en dacht ik aan al die mooie plekken die ik had ontdekt en waar ik misschien wel als enige het bestaan van wist.
Ik zal wat dromerig zijn overgekomen op die oud-studiegenoot. De belangstelling in zijn ogen begint plaats te maken voor ongeduld. “Ik ben in opleiding tot verzekeringsarts.” Het had zo’n interessant gesprek kunnen worden. En nu gaat het over EIF. Met de artseneed weer vers in mijn hoofd, treed ik het grote, grijze pand weer binnen maandag. Ten dienste van mijn medemens. Dat is genoeg.