Home Het is nog niet genoeg

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Het is nog niet genoeg

Avatar
Romy Voncken
Avatar
Jetske Kraan
Avatar
Diederik Wieman
Zowel het aantal bedrijfsartsen als verzekeringsartsen in opleiding is de afgelopen jaren flink gestegen. Dat is ook een noodzakelijke ontwikkeling, want er is een disbalans tussen de in- en uitstroom van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. TBV sprak met de twee opleidingsinstituten over de stand van zaken.
© JenkoAtaman / stock.adobe.com
Er zijn op dit moment twee plaatsen in Nederland waar artsen zich kunnen specialiseren tot bedrijfsarts of verzekeringsarts: bij de Netherlands School of Public and Occupational Health (NSPOH) in Utrecht en aan de Sociaalgeneeskundige Beroepsopleidingen (SGBO) van Radboudumc in Nijmegen. De verantwoordelijke Instituutsopleiders zijn respectievelijk Eveline The-Van Leeuwen en Els van der Molen.
Wat zijn de taken van een Instituutsopleider?
Els van der Molen: “Voor mij is het een deeltijdbaan. Ik werk twee dagen in de week bij de SGBO en drie dagen als verzekeringsarts bij UWV in Nijmegen. Ik ben begeleider van de AIOS-groep, die op dit moment uit zestien mensen bestaat en die in november 2017 is gestart. Het is de vierde groep die tot verzekeringsarts wordt opgeleid, dat komt omdat de SGBO relatief recent is gestart met de opleiding tot verzekeringsartsen. Overigens gaat het qua aantallen bij de bedrijfsartsenopleiding een stuk sneller. Die stromen snel vol.
Daarnaast verzorg ik ook lessen die te maken hebben met het beroep verzekeringsarts. Bijvoorbeeld over het CBBS en over het spreekuur. SGBO is een snelgroeiende organisatie. We bestaan al zestig jaar, maar met name de afgelopen jaren zijn er heel veel medewerkers bijgekomen. Bij de SGBO ben ik nu ook modulecoördinator, dat houdt onder meer in dat ik aan de slag ga met de evaluaties van AIOS, zodat we de lessen voor volgende groepen weer kunnen aanpassen en verbeteren.”
Eveline The-Van Leeuwen: “Voor mij is het werk als instituutsopleider fulltime. Meer dan dat zelfs. Ik ben verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de verzekeringsgeneeskundige opleiding en heb zowel in- als externe taken. Aan de ene kant zorgen dat het onderwijs loopt, dat er goede docenten zijn, het curriculum samenstellen, intake-, tripartite en eindgesprekken voeren en AIOS begeleiden. Aan de andere kant onderhoud ik ook het contact met de opleidingsinstellingen, de RGS en wetenschappelijke verenigingen. Ik doe dit met de andere instituutsopleiders verzekeringsgeneeskunde en de instituutsopleiders bedrijfsgeneeskunde. Samen vormen we een VG/BG-team.”
‘Natuurlijk verschillen de taken van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, maar zij werken beiden wel aan dezelfde patiënt’ (Eveline)
Bij SGBO zijn de opleidingen gescheiden, bij NSPOH wordt zoveel mogelijk duaal lesgegeven. Wat is hiervan de reden?
Els: “Ik was niet betrokken bij de overwegingen, maar ik kan wel zeggen wat ik ervan vind. Het vak van verzekeringsarts verschilt in essentiële opzichten van dat van bedrijfsarts. De verzekeringsarts kijkt op een zeker moment naar de patiënt en beoordeelt dan. De bedrijfsarts maakt een inschatting van de werkbelasting en de mogelijkheden van de klant, maar gaat ook voorwaarden stellen voor de re-integratie. Wat blokkeert de re-integratie? Dat kunnen ook niet-medische zaken zijn, zoals een andere werkplek adviseren omdat er veel onenigheid is of het inschakelen van een maatschappelijk werker. De disciplines hebben ieder een ander gezichtsveld en daarom krijgen ze ook apart les.”
Eveline: “Wij hebben een iets andere visie. Natuurlijk verschillen de taken van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, maar zij werken beiden wel aan dezelfde patiënt, alleen op een ander moment en in een andere rol. Daarom vinden wij het belangrijk dat beide disciplines elkaar tegenkomen en elkaars taal kunnen verstaan. Daarom leiden we ze, waar mogelijk, gezamenlijk op. Maar ze hebben ook apart les uiteraard; elk vak heeft zijn eigen kernonderwijs. Tegenwoordig is gemeenschappelijk onderwijs echter wat lastiger te realiseren omdat de instroom niet gelijk is. Er is een wachtlijst voor de opleiding van bedrijfsartsen en we kunnen daarom niet wachten op de instroom van AIOS verzekeringsgeneeskunde van UWV. Voor UWV is het op dit moment lastig om een gereguleerde instroom aan te bieden. Dus nu gaan we weer met gesplitste groepen werken behalve op bepaalde data waarop we ze bij elkaar laten komen omdat we vinden dat dat moet.”
Betekent de toename van het aantal AIOS ook dat er meer interesse is in sociale geneeskunde onder (basis)artsen?
Els: “Ik denk van wel, alhoewel het imago verder moet verbeteren. We hebben flink aan de weg getimmerd om te laten zien dat het vak aantrekkelijk is. Ik weet ook dat aan de universiteit van Nijmegen het coschap van twee naar vier weken is gegaan. Dat is nog niet verschrikkelijk veel, maar het zegt wel iets. Verder helpt mee dat UWV een aantrekkelijke werkgever is, mede vanwege de goede startsalarissen en de doorgroeimogelijkheden. Ook wij merken overigens dat de toestroom van verzekeringsartsen wat achter blijft, wat alles heeft te maken met een gebrek aan praktijkopleiders.”
Eveline: “Over het geheel zie je wel dat de belangstelling voor sociale geneeskunde onder jonge artsen toeneemt. We merkten dat heel duidelijk op de recente Carrièrebeurs. Een paar jaar geleden werkte dat voor ons helemaal niet, maar afgelopen jaar was er veel belangstelling voor onze stand. We zien het als taak om de functie van bedrijfs- of verzekeringsarts positief te labelen: het is niet saai, en ja, je bent een echte dokter. Het is een serieus vak en van groot maatschappelijk belang.”
‘Als je ziet wat je nu kunt opleiden, denk ik niet dat we de benodigde aantallen redden. Er zijn gewoon te weinig opleiders’ [Els}
Hoe verklaren jullie dat vooral het aantal AIOS bedrijfsgeneeskunde zo in de lift zit?
Eveline: “De markt is de afgelopen jaren heel erg veranderd. In het grijze verleden was er sprake van verplichte winkelnering. De werkgever moest aangesloten zijn bij wat toen een bedrijfsgezondheidsdienst heette. Op een gegeven moment is dat losgelaten en konden bedrijven een maatwerkpakket samenstellen. Verder veranderde de Arbowet en kregen we een economische crisis waardoor bedrijven het minder belangrijk vonden om aan preventie te doen. Het ziekteverzuim daalt immers altijd als het economisch tegenzit omdat werknemers bang zijn om hun baan kwijt te raken. Bedrijfsartsen werden voornamelijk ‘verzuimboeren’ om het maar even plat te zeggen, en bovendien vaak vervangen door casemanagers. De verzuimmarkt waar de werkgever verantwoordelijk voor werd, kwam een beetje in een raar hoekje te staan. Nu de economische crisis voorbij is, komt men erachter dat verzuimbeheersing niet altijd werkt met casemanagers. Daar zijn veel problemen over geweest, inclusief tuchtzaken. Door het economisch herstel gaat ook het verzuim weer omhoog en de Arbowet is veranderd: preventie en toegang voor de bedrijfsarts tot de werkvloer zit er weer in en arbodiensten realiseren zich dat ze beter met bedrijfsartsen kunnen werken. Die zijn nu dus als een gek bezig om AIOS bedrijfsgeneeskunde binnen te halen. Dat moet niet alleen vanwege het vele extra werk, maar ook omdat de uitstroom van bedrijfsartsen erg groot is. Er zit qua leeftijdsopbouw een enorme gap zoals onder verzekeringsartsen. Er is een grijze groep die met pensioen gaat. Dan komt er een hele tijd niets en dan zijn er de jonge artsen.”
Els: “Eveline en ik horen bij de eerste groep. Ik studeerde in 2006 af en zat bij de laatste lichting. Daarna mocht er niemand meer de opleiding in. Er is zelfs een vacature- en urenstop geweest. Ook als je wilde en kon, bijvoorbeeld omdat de kinderen de deur uit waren, mocht je niet meer uren gaan werken. Terwijl er ook in die tijd al signalen waren: pas op: over tien, vijftien jaar gaan er veel artsen met pensioen, dus doe daar iets aan.”
Eveline: “Nu schreeuwt de markt om bedrijfsartsen. Bedrijven sluiten weer contracten af met arbodiensten, UWV heeft achterstanden, maar te weinig artsen. Ook het capaciteitsorgaan heeft berekend dat er meer mensen nodig zijn. Het gaat om grote aantallen. Er moeten de komende vijf jaar zeker duizend bedrijfsartsen en een ongeveer driehonderd verzekeringsartsen instromen om alleen al de uitstroom te kunnen opvangen.”
Els: “Daarnaast neemt het werk toe: werknemers moeten langer doorwerken en daardoor krijg je in de praktijk veel meer te maken met chronische aandoeningen.
Eveline: “Ook had men verwacht dat met de nieuwe WIA en het uitfaseren van de WAO, de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregeling veel lager zou zijn. Maar dat is enorm tegengevallen.”
Denken jullie dat de instroom nu voldoende is?
Els: “Als je er duizend opleidt de komende vijf jaar wel. Maar als je ziet wat je nu kunt opleiden, denk ik niet dat we het benodigde aantal redden. Er zijn gewoon te weinig opleiders.”
Hoe kun je het tekort aan praktijkopleiders opvangen?
Eveline: “Ook daar heb je te maken met die leeftijdsgap. We zullen het voorlopig moeten doen met de oude garde.”
Els: “Bovendien zit er een vertraging in. Artsen die in 2012 met de opleiding zijn begonnen, waren rond 2016 klaar en moesten daarna nog eens drie jaar geregistreerd staan voordat ze praktijkopleider kunnen worden. Dat betekent wel dat er vanaf volgend jaar een nieuwe groep aankomt die zou kunnen opleiden.”
Eveline: “Maar ze moeten het ook willen en kunnen. Want niet iedereen is ervoor geschikt en gemotiveerd, denk ik. Wat je wel ziet is dat een praktijkopleider meer AIOS heeft. Vroeger was het een op een, maar nu mag je er drie en in het nieuwe kaderbesluit zelfs vier hebben. En ook mentoren kunnen een aantal taken van de praktijkopleider overnemen.”
‘Het imago moet beter. We hebben flink aan de weg getimmerd om te laten zien dat het vak aantrekkelijk is’ (Els)
Sinds afgelopen jaar is er een nieuw landelijk opleidingsplan. Wat vinden jullie daarvan?
Els: “Ik vind het lastig om daar iets over te zeggen. Ik heb mij er verder nog niet heel erg in verdiept omdat ik nu met mijn groep het derde jaar in ga en voor hen het nieuwe opleidingsplan niet van toepassing is. Wat mij wel opvalt is dat het een zeer omvangrijk dossier is en het enorm veel registratieplichten omvat. Ik had gehoopt dat het wat minder dik zou worden. Het toetsboek daarentegen is op zich heel overzichtelijk geworden.”
Eveline: “Wat ik er goed aan vind is dat er duidelijk omschreven staat waar het werk van de verzekeringsarts in de praktijk precies uit bestaat. Voor de bedrijfsartsen ziet het er iets anders uit, maar ook daar ligt de nadruk vooral op de praktijk. Er is veel beter beschreven en geborgd wie waar verantwoordelijk voor is. Het is in mijn optiek een helder plan met een goede toetsmatrix. Een gemiste kans is dat er geen verplichting tot stages in staat. Ook is het jammer dat instellingen die de AIOS opleiden niet de verantwoordelijkheid krijgen voor het organiseren van die stages.”
Wat vinden jullie de belangrijkste competenties van bedrijfs- en verzekeringsartsen? Wat geven jullie de studenten wat dat betreft mee?
Eveline: “Het is belangrijk dat de AIOS een autonome professional wordt en dat hij of zij pal staat voor zijn werk. Natuurlijk heb je kennis en vaardigheden nodig, moet je medisch en maatschappelijk kunnen handelen en over goede communicatieve vaardigheden beschikken. Maar bovenal gaat het om de autoriteit. Dat je durft datgene te doen wat je moet doen. Als bedrijfsarts betekent dat durven adviseren als onafhankelijk professional in het spanningsveld tussen werkgever en werknemer. Dat is een enorme uitdaging. Verzekeringsartsen moeten autonoom zijn en beslissingen durven te nemen. Dat zijn zaken waarin wij met name in de module professioneel werken veel aandacht aan besteden. Maar ook voor de praktijkopleider ligt daar een belangrijke taak.”
Els: “Daar ben ik het mee eens. Het gesprek is je belangrijkste instrument. Aan het eind van de opleiding hebben wij een hele module over medisch leiderschap. Dat is belangrijk en dus goed verankerd in de opleiding.’
De indruk bestaat dat met de komst van de vele AIOS ook het niveau van de AIOS stijgt. Veel van hen hebben al wetenschappelijke artikelen op hun naam staan en sommigen zijn zel
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0156-x/MediaObjects/12498_2019_156_Fig1_HTML.jpg
Eveline The-Van Leeuwen
fs al gepromoveerd of daarmee bezig. In hoeverre biedt de medische vervolgopleiding met het huidige lesaanbod voldoende uitdaging?
Els: “We leveren maatwerk afhankelijk van de opleiding en ervaring van AIOS die zich aanmelden. Zij-instromers die al geregistreerd staan als specialist, kunnen in twee jaar klaar zijn. Ik krijg overigens niet te de indruk dat veel instromers al gepromoveerd zijn. Ik denk dat dit meer speelt in de kliniek. Daar zie je dat mensen eerst promoveren omdat het vervolgens makkelijker is om een opleidingsplaats te krijgen. Dat aspect speelt niet bij de opleiding tot bedrijfs- of verzekeringsarts. Dat neemt niet weg dat academisering bij ons wel een thema is. We bieden een module wetenschap en onderzoek aan het begin van de studie. Daarin proberen we de studenten onderzoeksminded te maken.”
‘Het is belangrijk dat de AIOS een autonome professional wordt en da
t hij of zij pal staat voor zijn werk’ (Eveline)
Eveline: “Bij de intake kijken we altijd naar verworven competenties en kunnen studenten op basis daarvan voor bepaalde onderdelen vrijstelling krijgen. Als je gepromoveerd bent, dan hoef je bijvoorbeeld niet het onderzoekstraject nog een keer over te doen. Maar we hebben ook AIOS die manager zijn geweest. Voor hen haal je er ook bepaalde onderdelen uit. Zij-instromers die al geregistreerd zijn als specialist volgen sowieso een verkort traject. Overigens raad ik niet aan om de opleiding te doen en tegelijkertijd een promotietraject te volgen. Het is een zware belasting en je gaat daardoor minder in de praktijk werken. Je opleidingsduur wordt daardoor veel langer. Je kunt beter eerst je opleiding afmaken en daarna promoveren.”
UWV heeft het Kenniscentrum voor Verzekeringsgeneeskunde (KCVG). Daar liggen wel wat promotieonderzoeksonderwerpen op de plank…
Eveline: “Bij UWV is het heel goed geregeld, er is veel ruimte voor promotietrajecten.”
Els: “Maar toch kost het moeite om mensen te vinden die instappen. En wanneer dat dan gebeurt zie je dat ze onderweg toch vaak weer afhaken.”

Eveline: Bij bedrijfsartsen is het heel anders. Want waar haal je het geld vandaan om promotieonderzoek te doen? Je kunt niet van een arbodienst verwachten dat ze dat financieren, de enige reële mogelijkheid is wanneer de bedrijfsarts, net als de arts arbeid en gezondheid, onder landelijk werkgeverschap zou komen te vallen”.

Hebben jullie nog een boodschap voor de lezers van TBV? Misschien speciaal voor degenen die hun opleiding al lang achter de rug hebben?
Eveline: “We willen als opleidingsinstituut mensen opleiden tot professionals met lef. Want dat heb je in de dagelijkse praktijk als verzekeringsarts of bedrijfsarts nodig.”
Els: “Hou je gezichtsveld zo breed mogelijk, dan zie je ook de kansen. Doe daarom iets naast je reguliere werk. Ga niet alleen in de spreekkamer zitten, je kunt ook promotieonderzoek doen, praktijkopleider worden of docent. Dat maakt je werk nog interessanter.

Eveline The-Van Leeuwen

Eveline The-Van Leeuwen studeerde geneeskunde in Groningen en de

ed als anios twee jaar ervaring op in de chirurgie. Daarna was ze tien jaar bedrijfsarts om vervolgens – als zij-instromer – verder te gaan als verzekeringsarts. Ze werkte in die hoedanigheid zestien jaar bij UWV, voor een groot deel op de afdeling Bezwaar & Beroep in Almere en de laatste drie jaar als adviseur verzekeringsarts in Utrec

ht. Sinds mei 2016 is ze instituutsopleider verzekeringsgeneeskunde bij de NSPOH. Eveline is getrouwd en heeft vier volwassen kinderen.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0156-x/MediaObjects/12498_2019_156_Fig3_HTML.jpg
Els van der Molen

Els van der Molen

Els van der Molen studeerde eerst scheikunde, maar switchte later naar geneeskunde. Na het behalen van haar artsdiploma aan de Universiteit van Nijmegen vertrok ze als coassistent naar Tanzania. Eenmaal terug deed ze promotieonderzoek naar

placentaire dysfunctie en hyperhomocysteïnemie en rondde dit in 2000 af. In dat jaar startte ze ook als arts bij UWV Nijmegen. In 2006 studeerde ze af als verzekeringsarts. Sinds 2012 is ze praktijkopleider. Als nevenactiviteit is ze bestuurslid van Kring Oost NVAB en NVVG waarvoor zij vier keer per jaar lezingen verzorgt voor verzekeringsartsen en bedrijfsartsen. Els heeft twee studerende kinderen.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.