Home Keurend arts onvoldoende op de hoogte van wet- en regelgeving?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Keurend arts onvoldoende op de hoogte van wet- en regelgeving?

Avatar
Bas Sorgdrager
Welke wet- en regelgeving is van toepassing in deze tuchtzaak die gaat over een beoordeling van arbeidsmogelijkheden in het kader van de Participatiewet? Een keurend arts werkzaam bij een instelling krijgt opdracht van een gemeente om in dit kader de inzetbaarheid te beoordelen. Hij blijkt onzorgvuldig gehandeld te hebben wat hem een berisping door het Regionaal Tuchtcollege heeft opgeleverd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep en de berisping blijft in stand.
De feiten

Klaagster is uitgenodigd voor een medisch onderzoek om te beoordelen in hoeverre zij inzetbaar is op de arbeidsmarkt. De opdracht is van de gemeente in het kader van de Participatiewet. De vragen aan de arts zijn letterlijk:

  • Is er sprake van objectiveerbare, fysieke beperkingen?
  • Zijn de beperkingen van structurele of tijdelijke aard?
  • Kunt u de fysieke beperkingen en noodzakelijke aanpassingen door middel van de FML beschrijven?
  • Wat zijn de gevolgen van de vastgestelde beperkingen voor deelname aan werk of participatie?
  • Is er sprake van een tijdelijke of structurele urenbeperking?
  • Kunt u de mogelijkheden tot werk of participatie benoemen?
  • Kunt u de noodzakelijke interventies benoemen, die de kans op werk of participatie vergroten?
De arts, verweerder in deze zaak, verricht het onderzoek en beantwoordt de vragen. In een rapport schrijft hij zijn bevindingen op en sluit af met de opmerking dat mevrouw akkoord is met de inhoud en strekking van de conclusies en het advies. Op de door klaagster overgelegde cd-rom met daarop een opname van het gesprek tussen klaagster en verweerder is te horen dat zij op de vraag van verweerder of zij akkoord is met het toesturen van het rapport naar de gemeente antwoordt:
‘Ik weet het niet, uh’.
Verweerder vermeldt in zijn rapport Rapportage Diagnose Fysieke klachten dat hij bij klaagster enerzijds blijvende fysieke beperkingen heeft aangenomen en klaagster zeer beperkt achtte in haar psychosociaal functioneren, maar anderzijds ook verwachtte dat binnen een termijn van 1 à 2 jaar verbetering mogelijk is. In de rapportage maakt verweerder onder meer melding van bekkenklachten en adviseert hij over afvallen.
Kort na het onderzoek stuurt klaagster verweerder een e-mail met onder meer het verzoek om contact op te nemen met de huisarts. De arts antwoordt dat hij dat niet nodig vindt en stelt vervolgens de rapportage op.

De klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij zich onprofessioneel heeft gedragen, omdat hij onder meer:

1.

klaagsters verzoek om contact op te nemen met haar huisarts heeft genegeerd en een onjuiste diagnose heeft gesteld en matig onderzoek heeft verricht naar haar lichamelijke klachten;
2.

zonder klaagsters toestemming haar privégegevens, waaronder medische gegevens over haar, heeft doorgegeven aan de gemeente en haar het blokkeringsrecht, inzagerecht en correctierecht betreffende de rapportage met de diagnose heeft ontnomen.

De overwegingen van het Regionaal tuchtcollege

Samengevat overweegt het college over de eerste klacht: uit de rapportage blijkt dat verweerder bij klaagster enerzijds blijvende, fysieke beperkingen heeft aangenomen en klaagster zeer beperkt achtte in haar psychosociaal functioneren, maar anderzijds ook verwachtte dat binnen een termijn van 1 à 2 jaar verbetering mogelijk is. Onduidelijk is op grond waarvan verweerder deze conclusie heeft getrokken en waarop zijn prognose is gebaseerd. Gelet op de aard van klaagsters klachten is het college van oordeel dat verweerder deze conclusie en prognose zonder nadere toelichting niet enkel kon baseren op de bij klaagster afgenomen anamnese en het uitgevoerde lichamelijk onderzoek, maar dat daar nadere informatie van klaagsters behandelaars voor nodig was.

Over het stellen van een onjuiste diagnose overweegt het college dat het rapport is getiteld Rapportage Diagnose Fysieke klachten. Klaagster bedoelt kennelijk dat verweerder haar fysieke klachten c.q. beperkingen niet goed heeft gediagnosticeerd. Om klaagsters beperkingen te kunnen vaststellen diende verweerder zich eerst een juist en volledig beeld te vormen van haar gezondheidssituatie. Verweerder kon zich dat beeld vormen door onder andere het afnemen van de anamnese en het uitvoeren van lichamelijk onderzoek bij klaagster, wat verweerder ook heeft gedaan. Indien daarmee geen volledig beeld kan worden verkregen, is het soms nodig met instemming van de betrokkene informatie bij behandelaars op te vragen, zodat daarna de beperkingen juist kunnen worden vastgesteld. Pas met een volledig beeld zouden de beperkingen juist kunnen worden vastgesteld.

Over de tweede klacht overweegt het college als volgt: aangezien verweerder klaagster in opdracht van de gemeente heeft onderzocht om te beoordelen in hoeverre klaagster inzetbaar is op de arbeidsmarkt en in dat verband heeft onderzocht of bij klaagster sprake is van fysieke beperkingen, is er geen behandelingsovereenkomst. Uit artikel 7:464 lid 2 sub b BW volgt vervolgens dat aan klaagster het inzage- en blokkeringsrecht toekomt (zie box).
Verweerder stelt dat hij aan het eind van het onderzoek klaagster zijn bevindingen heeft meegedeeld, dat hij heeft meegedeeld dat hij deze naar de contactpersoon van de gemeente zou laten sturen en dat klaagster op zijn vraag of dat akkoord is, niet heeft aangegeven dat zij dat niet wilde of dat zij daartegen bezwaar had. In het rapport is echter niet vermeld dat verweerder klaagster heeft gewezen op het inzage- en blokkeringsrecht en overigens is dat ook niet gebleken. Verweerder heeft klaagster in een e-mail desgevraagd meegedeeld dat zij zich tot de gemeente dient te wenden als zij inzage in het rapport wenst. Aldus heeft verweerder klaagster niet alleen onjuist geïnformeerd, maar haar tevens de mogelijkheid ontnomen het blokkeringsrecht uit te oefenen.
Verweerder voert als keurend arts een beroep uit op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Derhalve is verweerder gebonden aan de geheimhoudingsplicht (artikel 88 Wet BIG). Eventuele toestemming van klaagster tot het doorsturen van het rapport naar de gemeente, ontsloeg verweerder niet van deze geheimhoudingsverplichting in die zin dat op hem de plicht rustte om in de rapportage enkel de voor het beantwoorden van de vraagstelling noodzakelijke medische gegevens over klaagster op te nemen. Die vraagstelling luidde – kort weergegeven – of verweerder informatie over klaagsters beperkingen wilde doorgeven en mogelijkheden tot werk of participatie en noodzakelijke interventies wilde benoemen. Het in de rapportage vermelden van onder meer klaagsters lichamelijke en psychische klachten levert strijd op met de op verweerder rustende geheimhoudingsverplichting.

De maatregel

Het Regionaal Tuchtcollege concludeert dat er sprake is van meerdere fouten van verweerder. Zo heeft verweerder in zijn rapport geheel ten onrechte vermeld dat klaagster het niet nodig vond om informatie bij haar huisarts op te vragen en heeft hij in de gegeven omstandigheden ten onrechte nagelaten informatie bij haar huisarts op te vragen. Voorts heeft verweerder in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting niet noodzakelijke en te veel medische informatie over klaagster met zijn opdrachtgever gedeeld. Bovendien heeft verweerder verzuimd klaagster te informeren over het haar toekomende inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. Daarmee heeft hij haar de mogelijkheid onthouden daarvan gebruik te maken. Dat alles valt verweerder in ernstige mate te verwijten. Daar komt nog bij dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Het college legt daarom de maatregel van berisping op.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep en de berisping blijft in stand.

Commentaar

Volgens de participatiewet moet een bijstandsontvanger gebruik maken van door de gemeente aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en meewerken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling (zie Participatiewet hoofdstuk 2. Rechten en plichten artikel 9.1b). De gemeente kan voor haar re-integratietaak advies vragen over de cliënt. Het gaat dan alleen om bepaalde gegevens die belangrijk zijn voor het beoordelen of de cliënt kan werken. Daarbij passen vragen over de belastbaarheid, welk werk mag de cliënt wel en niet uitvoeren en of er aanpassingen of andere voorzieningen nodig zijn.
Bijzonder in de beschreven tuchtzaak is de vraagstelling van de gemeente en de titel van de het uitgebrachte rapport. Met een gevraagde FML bijvoorbeeld beschrijf je geen ‘noodzakelijke aanpassingen’. Een rapportage over de diagnose van de fysieke klachten suggereert dat er medische informatie wordt gedeeld; terwijl het behoort te gaan over beperkingen en mogelijkheden in het functioneren.
Er is geen wet- en regelgeving die stelt dat een dergelijke beoordeling onder verantwoordelijkheid van een bedrijfs- of verzekeringsarts moet gebeuren. De berispte arts in deze zaak handelde mogelijk als in een sociaal-medische begeleiding zoals bij de Wet verbetering poortwachter is beschreven. Daar heeft een bedrijfsarts de eindverantwoordelijkheid voor het medisch onderzoek en rapportage. Uitgangspunt van de Wet verbetering poortwachter (Wvp) is dat de bedrijfsarts informatie verstrekt over de werkzaamheden waartoe de betrokkene nog wel/niet meer geschikt is en welke aanpassingen of werkvoorzieningen in het kader van de werkhervatting/re-integratie daartoe kunnen worden getroffen. De bedrijfsarts dient zijn bevindingen gelijkluidend en gelijktijdig aan werknemer en werkgever te zenden. Dit laatste lijkt de keurend arts in deze zaak overigens niet te hebben gedaan. Het gaat hier echter om een duidelijk andere situatie dan die waarin een bedrijfsarts een werknemer begeleidt en aan de werkgever rapporteert in het kader van de verplichtingen die voortvloeien uit de Wvp.
Wel valt de handeling onder de Wet BIG, maar niet onder de WGBO. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de opgestelde rapportage dan onder het blokkeringsrecht van de cliënt valt (op grond van art. 7:464 lid 2(b) BW). Het blokkeringsrecht verhoudt zich echter slecht tot de arbeids- en sociaalrechtelijke regelgeving. Zonder de hier gevraagde informatie kan de gemeente immers geen gemotiveerd besluit nemen over arbeidsinschakeling. In het kader van de uitvoering van de sociale verzekeringswetgeving door UWV is daarom de blokkeringsbepaling expliciet buiten werking gesteld (art. 74, lid 4 Wet SUWI – zie box).1 Daarmee is voor de uitvoering door UWV een uitzondering gemaakt op de hoofdregel, waar de beoordeling waar het in deze casus over gaat dus niet onder valt.

WGBO en Wet SUWI

Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) artikel 7:446 lid 4 BW stelt dat er geen behandelingsovereenkomst aanwezig is bij een beoordeling in opdracht. Namelijk wanneer het handelingen betreft ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon verricht in opdracht van een ander dan die persoon, in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Over het inzage- en blokkeringsrecht geeft artikel 7:464 lid 2 sub b BW aan dat de persoon op wie handelingen als omschreven in artikel 7:446 lid 4 betrekking hebben in de gelegenheid wordt gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Hij wordt tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.
Artikel 74, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (Wet SUWI) voorziet in een uitzondering op het hiervoor beschreven inzage- en blokkeringsrecht. Deze uitzondering geldt echter niet in een geval als dit waarin een medisch adviseur een beoordeling van de gezondheidstoestand verricht zonder dat er sprake is van een handeling in verband met de uitvoering van de Wet SUWI.

Referentie

1.

Paul van Delft, Recht op inzage, ongevraagd geven? TBV 2019;27(4):24-26
Kijk voor de volledige tekst van deze uitspraak op ECLI:NL:TGZCTG:2020:46
Wilt u reageren? Stuur een e-mail naar TBVredactie@bsl.nl.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.