Home Mogelijke knelpunten en oplossingen van AIOS bij het volbrengen van hun onderzoekstraject

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Mogelijke knelpunten en oplossingen van AIOS bij het volbrengen van hun onderzoekstraject

Avatar
Frank Slotman
Het doen van wetenschappelijk onderzoek is onderdeel van de opleiding geneeskunde. Een van de eindtermen is een beperkt empirisch onderzoek opzetten en uitvoeren.1 Na afronding van de basisopleiding start de bedrijfs- en verzekeringsarts in spe na respectievelijk gemiddeld 14 en 5 jaar met de opleiding tot specialist.2 Het vakinhoudelijke kennis- en ervaringsniveau waarmee de artsen aan hun specialisatie beginnen loopt daardoor uiteen en kan beperkt zijn.3 Wetenschappelijk onderzoek komt in de specialisatie terug in de vorm van een onderzoeksstage waarbij een onderzoek opgezet, uitgevoerd en gepresenteerd moet worden.4,5
© slayer87 / stock.adobe.com
Bij de NSPOH bestaat de onderzoeksstage uit cursorische dagen met onderwijs over onderzoeksmethoden en -vaardigheden inclusief een module evidence-based medicine. Gevolgd door leerwerkgroepbijeenkomsten met zo’n zes collega-AIOS en een senior-onderzoeker als begeleider. Het onderzoek moet uiteindelijk in 20 werkdagen afgerond worden en kan kwalitatief of kwantitatief zijn. De NSPOH is in 2013 met de huidige opzet gestart.6 Vanaf 2016 is kwalitatief onderzoek toegestaan en is onderwijs specifiek over kwalitatief onderzoek toegevoegd.7
Uit internationale literatuur is bekend dat een gebrekkige begeleiding en onvoldoende voorbereiding voor statistiek als kritische factoren worden ervaren onder gestopte medische promovendi. Terwijl begeleiders met name persoonlijke factoren als bepalend zien. Deze verschillen wijzen mogelijk op problemen in de communicatie en samenwerking als onderliggende oorzaak.8 Voor Nederlandse promovendi is een onderschatting van de hoeveelheid werk de belangrijkste reden voor vertraging. Gevolgd door problemen tijdens de dataverzameling, persoonlijke redenen en gebrek aan een onderzoeksplan. Problemen met de begeleider wordt het minst frequent genoemd. De redenen zijn gelijk onder promovendi aan universiteiten, umc’s en buitenpromovendi.9 Het is onbekend of dergelijke problemen ook een rol spelen bij de uitvoering van de onderzoeksstage tijdens de opleiding tot bedrijfs- of verzekeringsarts. Als arts in opleiding tot specialist (AIOS) verzekeringsgeneeskunde zijn soortgelijke ervaringen wel herkenbaar bij collega’s en mede-AIOS. Het percentage AIOS dat tijdens de gehele opleiding uitvalt is 3-5%.3 Daarbij strandt niemand op het onderdeel onderzoek of stopt met de opleiding door het onderzoek, zo bevestigt de coördinator onderzoeksscholing van de NSPOH.10 Wel signaleert zij mogelijke knelpunten gedurende de start en uitvoering van de onderzoeksstage, namelijk angst voor het onderzoek, gebrek aan ervaring, problemen bij het (tijdig) verzamelen van data en de beperkte tijd. Afronding van het onderzoek gebeurt dan ook met enige regelmaat na (eenmalige) verlenging van de opleidingsduur met een half jaar. Doel van dit onderzoek is nader inzicht krijgen in de ervaren knelpunten van AIOS bedrijfs- of verzekeringsgeneeskunde bij het doen van een eigen onderzoeksproject voor de opleiding tot specialist. Dit inzicht kan mogelijk bijdragen aan het verbeteren van de opzet, begeleiding en inhoud van het onderwijs. De onderzoeksvraag is: Wat zijn voor AIOS bedrijfs- of verzekeringsgeneeskunde mogelijke knelpunten en verbeteringen bij het doen van het eigen onderzoeksproject?

Methode

Design

Het betreft een kwalitatief onderzoek met semigestructureerde interviews aan de hand van een topiclijst (tabel 1). Door semigestructureerde interviews en een topiclijst werden sociaal wenselijke antwoorden zoveel mogelijk vermeden en was ruimte voor doorvragen zonder dat onderwerpen werden gemist.13 Het onderzoek werd uitgevoerd door de auteur die zelf als AIOS het onderzoekstraject doorliep. De leerwerkgroepbegeleider heeft feedback gegeven op de opzet van het onderzoek, methode, data-analyse en op de tekstuele weergave.

Tabel 1 Topiclijst en algemene vragen interviews
Algemene vragen:
− Hoe kijkt u aan tegen het onderzoekstraject tijdens uw beroepsopleiding? Hoe heeft u het onderzoekstraject tot nu toe ervaren?
− Waren er aspecten in het onderzoek waar u tegen aanliep bij de uitvoering van uw eigen project?
− Welke mogelijke oplossingen ziet u om de ervaren knelpunten te voorkomen of op te lossen?
− Welke drie dingen zou u veranderen / behouden?
Topics om over door te vragen:
− Ervaring
− Affiniteit en motivatie
− Onderwijs
− Begeleiding
− Opzet
− Informatie
− Onderzoeksuitvoering
− Tijd en planning
− Combinatie met werk en privé

Studiepopulatie en selectie

Gezocht werd naar een zo gevarieerd mogelijke groep op de kenmerken bedrijfs-verzekeringsarts, kwalitatief-kwantitatief onderzoek en nominaal-vertraging wat betreft doorlooptijd van de opleiding. Het onderzoek werd aangekondigd bij een NSPOH-minisymposium Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde op 4 december 2018. Als onderdeel van het onderzoeksproject presenteren AIOS van de NSPOH dan hun (bijna) afgeronde onderzoeksproject. Via de coördinator onderzoeksscholing van de NSPOH werden vervolgens alle bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundigen die sinds 1 januari 2018 hun onderzoek hadden afgerond of verwachtten dit te doen voor 1 juli 2019 benaderd voor deelname aan het onderzoek.
De eerste deelnemer werd verkregen via eigen contacten, de volgende vier meldden zich aan via de coördinator onderzoeksscholing van de NSPOH. Via hen en eigen contacten werden de overige kandidaten geworven. De eerste drie interviewkandidaten hadden alleen positieve ervaringen met het onderzoek, daarom werden aanvullend twee kandidaten geworven met negatieve ervaringen.

Dataverzameling

In de periode januari tot en met mei 2019 werden 11 verzekeringsartsen en AIOS geïnterviewd (tabel 2). Er werd gestart met een pilotinterview om de eigen inzichten te verbreden en de topiclijst te toetsen en zo nodig aan te passen. De vraag ‘Welke drie dingen zou u veranderen of behouden?’ werd toegevoegd aan de topiclijst. Na 11 interviews was er voldoende variatie in de onderzoekspopulatie en is gestopt met werving van kandidaten.

Tabel 2 Kenmerken onderzoekspopulatie
Determinant
Frequentie
Geslacht
Man
4
Vrouw
7
Leeftijd (jaar)
< 30
0
30 tot 40
7
40 tot 50
2
50 tot 60
2
> 60
0
Aantal jaar geregistreerd als arts (jaar)
< 5
0
5 tot 10
6
10 tot 15
3
15 tot 20
0
> 20
2
Werkervaring bedrijfs- of verzekeringsgeneeskunde (jaar)
< 5
3
5 tot 10
8
> 10
0
Specialisatie
Bedrijfsgeneeskunde
2
Verzekeringsgeneeskunde
9
Werkgever
Arbodienst
2
UWV
9
Overig
0
Onderzoeksopzet
Kwantitatief
4
Kwalitatief
4
Combinatie
3
Doorlooptijd opleiding
Nominaal
9
Vertraging
2
Externe begeleider
Ja
2
Nee
9

Procedure

De deelnemers ontvingen uitleg over het doel en inhoud van het onderzoek en werd gevraagd een informed consent-formulier te tekenen. De interviews werden opgenomen met een voicerecorder en gecodeerd met een doorlopend nummer. Tot de persoon herleidbare informatie in transcripties en quotes werd geanonimiseerd. Na uitwerking van de interviews werd het audiobestand gewist. Er was geen toestemming nodig van de medisch-ethische toetsingscommissie.14

Analyse

De interviews werden verbatim uitgewerkt. Eén interview werd dubbel gecodeerd door een mede-AIOS in de leer- werkgroep, met een onderlinge bespreking om tot consensus te komen. Na open en axiale codering werden de topics uiteindelijk gegroepeerd in overkoepelende beschrijvende categorieën. Alle interviews werden gecodeerd met behulp van de definitieve topiclijst (tabel 3, op aanvraag). Alle tekst over het onderzoekstraject kon hiermee gecodeerd worden. Voor de analyse zijn de topics geclusterd naar de thema’s van het ASE-model (tabel 4, op aanvraag). Dit model beschrijft factoren bij gedragsverandering.11,12

Resultaten

Met de definitieve topiclijst (figuur 1) zijn de verschillende thema’s geëxploreerd.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0167-7/MediaObjects/12498_2019_167_Fig1_HTML.jpg
Figuur 1. Topiclijst naar ASE model

Attitude

De houding ten aanzien van het onderzoekstraject wisselde van persoon tot persoon in positieve en negatieve zin, en veranderde in sommige gevallen positief gedurende het proces. Negatieve verhalen van anderen en het ontbreken van ervaring zorgden er onder andere voor dat er tegen het traject werd opgekeken.
‘Ik keek er enorm tegen op. Ik dacht: dit wordt echt een bottleneck, omdat ik het nog nooit gedaan had. En ik dacht hoe moet ik dat aanpakken. Maar uiteindelijk: ik vond het echt een soort ontdekkingsreis. (…) Vooral ook het kwalitatieve onderdeel daarvan. Ik vond de interviews doen heel leuk.’
Erg wisselend wordt gedacht over de relevantie van onderzoek doen voor de opleiding tot specialist. Twee respondenten geven aan dat zij door het onderzoekstraject meer en beter gebruik maken van wetenschappelijke literatuur.
‘Gewoon echt doen, maakt dat ik er wat meer van leer. En het is één van de competenties van een bekwaam arts om ook wetenschappelijk bezig te zijn.’
‘Ik vind het gewoon onzin dat je een opleiding moet afronden met het doen van onderzoek. Daarvoor ga je de opleiding niet in. Hoezo moet dat?’
Advies dat de respondenten geven is een onderwerp te kiezen dat echt leuk en interessant is om gemotiveerd te blijven bij het traject, waar vaak meer tijd in gaat zitten dan dat er voor staat. De mogelijkheid om voor kwantitatief of kwalitatief onderzoek te kiezen wordt als positief gezien.
‘Er wordt wel gekeken is het haalbaar. (…) Maar je mag gewoon echt zelf je thema bepalen. En dat vind ik heel goed, want je gaat natuurlijk veel gemotiveerder aan iets werken wat je zelf leuk vindt.’

Sociale invloeden

De leerwerkgroepen worden als nuttig ervaren. Echter de leerwerkgroepen moeten niet te groot zijn en groepsgenoten dienen niet te ver achter te lopen. De begeleiding moet adequaat zijn en dat is voor de meerderheid een verbeterpunt. Losse punten die worden genoemd zijn de kennis en ervaren feedback. De begeleiding moet meer op één lijn zitten met één vast aanspreekpunt.
‘Mijn onderzoeksbegeleider was mij goud waard. Elke keer dat ik in paniek raakte was het door hem dat ik weer dacht: ik kan het wel, zo gaan we het aanpakken, en dan ging het weer goed. (…) Hij heeft gewoon kennis van zaken. Dat helpt enorm.’
‘Mijn leerwerkgroepbegeleider was ook niet iemand die heel veel ervaring had met kwalitatief onderzoek. Dat vind ik ook wel een manco. (…) Dat die toch te weinig aanwijzingen kan geven.’
Van belang lijkt de toegankelijkheid van de begeleiding door de bereikbaarheid van de leerwerkgroepbegeleider en de planning van de leerwerkgroepen. Als er geen contactmogelijkheid is tussen de leerwerkgroepen, of als een reactie van de leerwerkgroepbegeleider lang op zich laat wachten wordt dit als negatief ervaren. Een makkelijke en snelle toegankelijkheid tussen de leerwerkgroepen wordt gewenst en gewaardeerd.
‘Ik had tussendoor al best wel wat gedaan en ik wilde daar graag al tussentijds feedback op, zodat ik ook weer verder kon. (…) Alleen was het voor mij wel lastig dat ik soms 2-3 weken moest wachten voordat ik feedback kreeg.’
De leerwerkgroep sluit niet altijd aan bij het eigen onderzoek. Geopperde oplossing is een herverdeling van de leerwerkgroepen nadat de onderzoeken zijn gestart. Echter wordt ook aangegeven dat je meer leert van een gevarieerde groep. Problemen met de planning van de leerwerkgroepen zijn een afname in frequentie nadat het onderzoeksvoorstel is goedgekeurd en het wachten op data waardoor er niks te bespreken is tijdens de leerwerkgroep.
‘Nu merkte ik dat, dat ik soms in de leerwerkgroep niet iets in te brengen had. (…) En dan gaat zo’n leerwerkgroepmoment toch een beetje weg en dan kun je er toch niet gebruik van maken.’
Een deel van de respondenten had het gevoel dat tijd vrij plannen niet mocht van de manager of dat daar later moeilijk over gedaan zou worden en had duidelijkere informatie over de regels gewild.
‘Het kost heel veel tijd naast je werk, dus het zou fijn zijn als de werkgever daar ook gewoon tijd voor maakt en dat is wel heel moeilijk om dat te claimen. (…) Dus dat zou fijn zijn als de NSPOH daar misschien nog iets duidelijker over kon zijn.’
Een enkeling noemt ondersteuning vanuit de privésituatie als een bron van feedback.

Eigen effectiviteit

De opleidingsdagen ook echt besteden aan de opleiding en niet aan werk is voor sommige respondenten juist een probleem. Veel gegeven adviezen zijn om op tijd te beginnen, tijd achter elkaar vrij te nemen om aan het onderzoek te werken, ervoor te zorgen dat je bezig blijft, met een ruime planning.
‘Als ik gewoon vanaf het begin al langzaamaan was begonnen en dingen geleidelijk had uitgewerkt dat ik persoonlijk veel minder stress had ervaren en het misschien ook veel minder vaak in het weekend had hoeven doen.’

Kennis en informatie

Kennis

Enkele respondenten hadden ervaring met het doen van kleinschalig onderzoek, maar uit de interviews blijkt geen duidelijk beeld dat zij het onderzoekstraject anders ervaarden door een verschil in kennis of attitude.

Onderwijs

Het cursorisch onderwijs werd over het algemeen als positief en voldoende ervaren. Onderwijs over SPSS werd gemist. Lessen over kwalitatief onderzoek werden pas later in het cursorisch onderwijs opgenomen.10 Een respondent met kwalitatief onderzoek die later was gestart en wel les kreeg over kwalitatief onderzoek had echter graag hier nog uitgebreidere informatie over gewild.
‘Dus het cursorisch onderwijs moet behouden blijven, denk ik. (…) Wat houdt het in, dat je daarin wat speelt en dat je dan terloops met je eigen onderzoek aan de slag gaat.’
Het symposium en de speeddates worden genoemd als een waardevolle aanvulling om ideeën op te halen over een onderwerp en een beeld te krijgen over wat er verwacht wordt.
[wat betreft symposium] ‘Het is gewoon heel leuk om te zien wat iedereen heeft gedaan en er komen dan denk ik ook echt wel wat leuke ideeën uit voort. (…) Dan weet je een beetje waar het heen moet en ja ook spreiding in waar het allemaal over gaat.’

Informatievoorziening

De benodigde informatie over het onderzoekstraject was doorgaans te vinden. Soms stond de informatie verspreid. Meerdere respondenten misten voorbeeldonderzoeken of informatie over de vereiste in te leveren documenten en beoordelingscriteria. Een geopperde oplossing is een centraal en overzichtelijk digitaal handboek. Ook zouden algemene documenten en informatie beschikbaar moeten zijn over het verkrijgen van data, de medisch-ethische commissie, het juridisch kader en bijvoorbeeld toestemmingsformulieren.

Belemmerende en bevorderende factoren

Facilitering en middelen

Ten aanzien van de NSPOH worden als knelpunten genoemd de gebrekkige toegang tot wetenschappelijke literatuur, het niet beschikbaar zijn van programma’s zoals SPSS of computerprogramma’s voor kwalitatieve data-analyse en het ontbreken van ondersteuning bij de data-analyse of een algemeen inloop vragenuurtje.
‘Dat je de statistische analyse zelf moet uitvoeren prima, maar laat dan wel iemand bereikbaar zijn die kan helpen. En mee te kijken. En eventueel advies te geven van: doe het eens zo of probeer eens dat of misschien is dat nog interessant.’
Ontbrekende facilitering door de werkgever is een ervaren knelpunt voor een klein aantal respondenten. Een bedrijfsgeneeskundige miste toegang totPubMed, overleg met een statisticus of ervaren onderzoeker, en kreeg deze ook niet vanuit de werkgever. Dezelfde arts moest van de werkgever wisselen van onderwerp, maar uit dit interview is niet bekend wat de reden hiervoor was. Sommige artsen werken met medisch secretaresses, maar het transcriberen van interviews kon niet door allen gedaan worden.

Beoordeling

Ongeveer de helft van de respondenten ondervonden problemen bij de beoordeling van het conceptartikel, doordat de feedback van de externe beoordelaar strenger was of niet aansloot bij de feedback vanuit de leerwerkgroep en/of het symposium. Dit wordt geweten aan zowel de feedback vanuit de NSPOH als vanuit de externe beoordelaar. Genoemde verbeterpunten zijn dat het duidelijk moet zijn dat het een conceptartikel is en geen artikel van een promovendus.
‘Mijn artikel is in eerste instantie onvoldoende beoordeeld. Ik had het dus uitgebreid besproken met mijn begeleider en die zei van nou prima je kunt het insturen en dan ter beoordeling’

Uitvoering van het onderzoek

De onderzoekers die hun onderzoekspopulatie persoonlijk benaderden, op of via het eigen kantoor, ondervonden geen wezenlijke problemen bij het verkrijgen van voldoende personen. Een kwantitatieve en een kwalitatieve onderzoeker die mensen benaderden voor deelname via de mail kregen geen of pas heel laat een reactie.
‘Want ik stuurde dus een mail naar iedereen. Ik krijg niks. Pas toen ik mensen echt persoonlijk ging aanspreken op de gangen, via, dan pas krijg je respons.’
De dataverzameling betrof in een enkel geval dataextractie uit een openbare databank. Kwantitatieve data afkomstig van de staf, uit dossiers of uit een openbare databank bleek soms onvolledig. In een enkel geval moest de onderzoeksopzet daardoor worden aangepast. In de overige gevallen kon het worden beschreven in de resultaten en discussie. Het analyseren en schrijven wordt vaak genoemd als tijdrovend. Ongeveer de helft van de respondenten met een kwantitatief onderzoek gaf aan relatief makkelijke statistiek te gebruiken. In een beperkt aantal gevallen werd gebruik gemaakt van SPSS.
‘Het is steeds aanpassen, weer iets toevoegen, toch iets weghalen dus dat heeft wel een tijdje geduurd. (…) Wat pik ik eruit, wat is interessant voor de lezer om dan terug te zien in de tekst?’

Combinatie met opleiding, werk en privé, en tijdsbelasting

Verreweg de meeste respondenten schatten in meer tijd aan het onderzoek besteed te hebben dan de 20 dagen die ervoor staan. De schattingen lopen uiteen van 25 tot 40 dagen of zelfs maanden.
‘Het is mij niet gelukt om het binnen 20 dagen te doen. De vraag is natuurlijk: is het bedoeling dat je het ook binnen 20 dagen echt moet doen of is dat gewoon wat de werkgever je ervoor geeft’
Slechts een klein deel kon het onderzoek uitvoeren in de reguliere opleidingsdagen en de vrije uren op kantoor. Het merendeel van de respondenten heeft een deel van de 20 dagen op moeten nemen die voor het onderzoek staan. Een ongeveer even grote groep heeft de werkzaamheden, bewust of noodgedwongen, deels in zijn eigen tijd gedaan. Hierbij is een overlap met zowel de respondenten die geen werkdagen hebben vrij gepland als met de respondenten die dat wel heeft gedaan. De respondenten met vertraging hebben het onderzoek moeten onderbreken vanwege de privésituatie.
‘Toen de privésituatie minder ging, heb ik überhaupt gewoon het onderzoek in de kast gegooid. (…) Dat is dan wel weer irritant als je het later wil oppakken, dan moet je er weer opnieuw induiken’
De combinatie met de reguliere werkzaamheden bleek niet altijd makkelijk, door de grote tijdsbelasting, de productiedruk en het vrij vragen voor het onderzoek.
‘Op een gegeven moment gaat het meer wringen met gewoon de productie en alle andere dingen. Dan wordt dat niet echt meer iets wat prioriteit heeft.’
Het begrenzen van het onderzoek is belangrijk. Vroeg starten met oriënteren op een onderwerp en het kiezen van een concrete onderzoeksvraag die haalbaar is in de gestelde tijd, zijn genoemde adviezen. Dit wordt gezien als een taak van de onderzoeker zelf, maar ook van de leerwerkgroepbegeleider. Een deel vindt 20 dagen überhaupt te weinig om een gedegen onderzoek te kunnen doen.
‘Er moet een duidelijkere lijn komen van wat willen we met onderzoek. (…) Of je moet voor iedereen duidelijk maken dat we het hebben over onderzoek van een beperkte omvang en dat er minimale eisen zijn maar wel behapbaar.’
Een deelonderzoek verrichten in een groter lopend onderzoek wordt geopperd als oplossing om het onderzoek op tijd af te kunnen ronden.
‘Het zou heel zinvol kunnen zijn dat je voor een groot deel in kan stappen of mee kan draaien in een bestaand onderzoek. Want dan wordt het reëel dat je binnen een bepaald tijdsbestek een deelonderzoek kan doen.’
Waar meerdere respondenten tegenaan lopen is de plaats van het onderzoeksblok in de gehele opleiding. Het onderzoek valt samen met een ander blok en is aan het einde van het hele opleidingstraject. Een suggestie die door meerdere respondenten wordt genoemd, is om het onderzoekstraject eerder te laten starten of te spreiden over de gehele opleiding.

Discussie en conclusies

Dit onderzoek biedt een overzicht van knelpunten en mogelijke oplossingen die AIOS bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde ervaren bij het volbrengen van hun onderzoeksproject. Groot knelpunt is de beperkte tijd. Vrijwel alle respondenten hebben meer tijd aan het onderzoek besteed dan dat er voor staat. De combinatie met de reguliere werkzaamheden met een oplopende productiedruk is een knelpunt. Een ander struikelblok is een gelijktijdig opleidingsblok en afronding van resterende opdrachten en stages. Genoemde adviezen zijn een duidelijkere inkadering van het onderzoek, een andere structurering door eerder te starten of een spreiding over de gehele opleidingsduur, de mogelijkheid om aan te sluiten bij een deelonderzoek, en meer tijd.
Soms ontbreekt begeleiding tussen de leerwerkgroepbijeenkomsten. Ondersteuning bij de data-analyse en toegang tot PubMed of SPSS worden gemist. Ondersteuning bij de analyse wordt wel aangeboden door de NSPOH. Deze discrepantie wijst mogelijk op problemen in voorlichting en toegankelijkheid.
De uniformiteit van de beoordeling van het eindresultaat kan beter. Een betere afstemming tussen de begeleiding van de NSPOH en beoordeling door de externe beoordelaar, lijkt zinvol. Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden dat de beoordeling van de presentatievaardigheden tijdens een minisymposium door externe referenten, verschillend is van de inhoudelijk wetenschappelijke beoordeling van het geschreven conceptartikel door een (andere) externe onderzoeker.
De gevonden problemen bij de begeleiding, dataverzameling, ondersteuning bij de data-analyse, persoonlijke factoren en onderschatting van de hoeveelheid werk zijn bekende knelpunten uit de literatuur.8,9 Nieuwe factoren zijn de combinatie met overige werk- en opleidingstaken, toegankelijkheid van informatie, literatuur en programma’s, en de uniformiteit van de beoordeling.

Sterke punten

Dit onderzoek biedt een eerste inzicht in de problemen van AIOS bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde bij het doen van onderzoek, hetgeen een sterk punt is. Een ander sterk punt is de grote variatie in de deelnemersgroep waardoor alle facetten uitgelicht kunnen worden.
Om de geloofwaardigheid van de resultaten te vergroten is gebruik gemaakt van semigestructureerde interviews met een topiclijst, een pilotinterview als voorbereiding, stapsgewijze codering en in beperkte mate dubbele codering.

Beperkingen

Hoewel het laatste interview geen nieuwe informatie opleverde, zijn waarschijnlijk aanvullende interviews nodig om te kunnen spreken van datasaturatie. Vanwege een beperking in de tijd is hiervan afgezien.
Omdat onderzoek is gedaan in de eigen onderzoekssetting kan er sprake zijn van confirmation bias, bij zowel de auteur als de leerwerkgroepbegeleider. Toch bestaat de indruk dat er geen oneigenlijke beïnvloeding heeft plaatsgevonden.

Aanbevelingen voor vervolgonderzoek

Vervolgonderzoek met bijvoorbeeld vragenlijsten onder alle AIOS die onderzoek doen, is wenselijk en kan een gedetailleerder beeld geven van de omvang en impact van de verschillende knelpunten van het onderzoeksproces. Ook de visie en ervaringen van andere actoren zoals de NSPOH en de praktijkopleidinginstellingen zoals arbodiensten, UWV of private verzekeraars zijn nodig om een completer beeld te krijgen van het verloop van de onderzoeksstages. De tabellen 3 en 4 zijn opvraagbaar bij de redactie: tbvredactie@bsl.nl

Samenvatting

Inleiding: Doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen in knelpunten en oplossingen van artsen in opleiding tot specialist (AIOS) bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde bij het wetenschappelijk afstudeeronderzoek.
Methode: 11 AIOS bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde die recent het onderzoekstraject bij de NSPOH afrondden zijn via een semigestructureerde interview gevraagd naar hun ervaringen.
Resultaten: Knelpunten zijn: te weinig projecttijd, hoge werkdruk door combinatie van werk- en opleidingstaken, soms ontbreekt tussentijdse extra begeleiding, soms mist ondersteuning bij data-analyse, versnipperde informatie over onderzoek, soms tegenstrijdige informatie van begeleider en eindbeoordelaar. Mogelijke oplossingen zijn een duidelijkere inkadering, herstructurering en/of meer tijd, een vlotte tussentijdse contactmogelijkheid met begeleider, begeleiding die aansluit bij de gekozen onderzoeksmethode, een handboek met algemene documenten, en betere afstemming van de begeleiding en beoordeling op de opleidingseisen.

Bronnenlijst

1.

NFU. Raamplan Artsopleiding 2009 [Internet]. Beschikbaar via: www.nfu.nl/img/pdf/Raamplan_Artsopleiding_2009.pdf
2.

Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2016 Deelrapport 4 Sociaal Geneeskundigen [Internet]. 2016. Beschikbaar via: www.capaciteitsorgaan.nl/app/uploads/2016/10/2016_10_21-Capaciteitsplan-2016-Deelrapport-4-SG-DEFINITIEF.pdf
3.

Custers EJFM. Long-term retention of basic science knowledge: a review study. Adv Heal Sci Educ. 2010;15(1):109-28.
4.

NVVG, GAV. Landelijk OpleidingsPlan Verzekeringsgeneeskunde [Internet]. 2016. Beschikbaar via: www.nvvg.nl/files/245/Landelijk%20Opleidingsplan%20vs5.5.pdf
5.

NVAB. Landelijk Opleidingsplan Bedrijfsarts [Internet]. 2016. Beschikbaar via: www.nvab-online.nl/sites/default/files/bestanden-webpaginas/2016-11-04%20LOP%20bedrijfsgeneeskunde_DEF.pdf
6.

Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH). Studiehandleiding Onderzoeksproject. z.d.
7.

Jacobi CE. Senior opleider/adviseur coördinator onderzoeksscholing NSPOH. Persoonlijke communicatie. 13-6-2019;
8.

Can E, Richter F, Valchanova R, Dewey M. Supervisors perspective on medical thesis projects and dropout rates: survey among thesis supervisors at a large German university hospital. BMJ Open [Internet]. 2016 Oct 1;6(10).
9.

De Goede M, Belder R, De Jonge J. Promoveren in Nederland. Motivatie en loopbaanverwachtingen van promovendi. [Internet]. Den Haag. Rathenau Instituut; 2014. Beschikbaar via: www.rathenau.nl/sites/default/files/Rapport_Promoveren_in_Nederland_-_Rathenau_Instituut.pdf
10.

Jacobi CE. Senior opleider/adviseur coördinator onderzoeksscholing NSPOH. Persoonlijke communicatie. 15-08-2018.
11.

De Vries H, Dijkstra M, & Kuhlman P. (1988). Self-efficacy: The third factor besides attitude and subjective norm as a predictor of behavioral intentions. Health Education Research, 3, 273-282.
12.

Rammeloo KC, Tamminga SJ, Anema JR, et al. De implementatie van een verzekeringsgeneeskundig protocol. Gebruik van intervention mapping bij het ontwikkelen van een implementatiestrategie voor het verzekeringsgeneeskundig protocol depressie. Tijdschr Bedrijfs Verzekeringsgeneeskd 2009;17:95-102.
13.

Baarda B, Bakker E, Boullart A, et al. Basisboek Kwalitatief onderzoek. 4de ed. Groningen/Utrecht: Noordhoff Uitgevers bv; 2018.
14.

CCMO. Uw onderzoek: WMO-plichtig of niet? [Online]. Beschikbaar via: www.ccmo.nl/onderzoekers/wet-en-regelgeving-voor-medisch-wetenschappelijk-onderzoek/uw-onderzoek-wmo-plichtig-of-niet.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.