Home Persoonlijkheidsstoornis en werk: niet altijd een gelukkige combinatie

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Persoonlijkheidsstoornis en werk: niet altijd een gelukkige combinatie

Avatar
Y. Meesters
Avatar
M.G.A. Hoppenbrouwers
Avatar
C.J.M. van Velzen
Burn-outklachten bij mensen lijken toe te nemen, zelfs zodanig dat in de media gesproken wordt van een burn-outepidemie.1 Naast ervaren werkdruk en arbeidsomstandigheden blijkt dat mensen met bepaalde persoonlijkheidseigenschappen zoals de neiging tot perfectionisme2, een groot verantwoordelijkheidsgevoel en de neiging het andere mensen naar de zin te willen maken, gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van burn-outklachten.3
Veel, vaak psychologische, behandelvormen zijn ontwikkeld om mensen zicht te leren krijgen op hun eigen functioneren met als doel weerbaarder te worden en herhaling in de toekomst te voorkomen. Die behandelwijzen zijn vaak het meest effectief als de afstand tot de arbeidssituatie er nog niet is of in ieder geval zo klein mogelijk is.
Maar hoe zit het met mensen die vanwege ernstigere psychische klachten al geruime tijd verzuimen? In deze bijdrage beschrijven we een casus van iemand met ernstige burn-outklachten gecombineerd met een stemmingsstoornis en een persoonlijkheidsstoornis, die bij de start van de behandeling in een psychiatrisch centrum al een jaar ziek thuis zat.

Casus

Esther is een 56-jarige vrouw uit zuidoost Groningen. Zij zit nu 29 jaar in het onderwijs en werkte met hart en ziel als groepsleerkracht in het basisonderwijs en gaf jarenlang les aan groep 3. Zij was gewend langer te werken dan de 24 uur waarvoor zij op de loonlijst stond en ging op haar vrije dagen ook naar school om haar werk voor te bereiden. De school, een kleine basisschool in een klein dorp in de veenkoloniën met relatief weinig leerlingen, werd door de onderwijsinspectie op enig moment als ‘zwak’ getypeerd. Dat was aanleiding voor de schoolleiding om over te gaan tot een reorganisatie en de leerkrachten aan andere groepen les te laten geven om hen op die manier te prikkelen open te staan voor nieuwe ontwikkelingen en methodes. Esther werd gevraagd in het vervolg les te gaan geven als groepsleerkracht aan groep 4/5, een combinatieklas.
Na die beslissing ging het mis. Binnen 2 weken na de start van het nieuwe schooljaar had Esther het idee de grip op haar functioneren te verliezen en ze ontwikkelde een aantal lichamelijke klachten, zoals het tijdelijk niet meer kunnen lopen. Ze kon allerlei zaken niet meer overzien of op een rijtje krijgen en werd emotioneel labiel. Haar stemming en energieniveau verslechterde evenals haar slaappatroon. Haar dag-nachtritme bleef wel intact. Ondanks dat ze weinig energie had, kon ze niet stoppen met bezigheden wanneer ze die had aangevangen, of dat nu tuinieren was of werk in de huishouding. Haar eetlust verslechterde niet echt, hoewel ze wel fors afviel. Gelijktijdig kreeg haar man te horen dat hij aan kanker leed. Ze viel uit in haar werk.

Diagnostiekfase

Als persoon was Esther iemand met een geringe zelfwaardering, die conflictmijdend was en het andere mensen graag naar de zin wilde maken. Ze kon slecht voor zichzelf opkomen en stelde zeer hoge eisen aan haar functioneren. Na enkele gesprekken met haar huisarts werd ze voor behandeling verwezen naar een psycholoog. Vanwege haar sombere stemming werd haar een antidepressivum voorgeschreven. De ingezette behandeling bleek niet succesvol en op advies van de psycholoog werd ze voor een meer intensieve behandeling verwezen naar het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG. Na de nodige verwijzingen, doorverwijzingen en wachttijden startte zij bijna een jaar later met een inzichtgevende deeltijdbehandeling. Deze is bedoeld voor volwassenen die op meerdere leefgebieden zijn vastgelopen (sociale contacten, relaties, werk en/of opleiding), waarbij veelal sprake is van diffuse en heterogene psychopathologie, die niet te vatten is in één of enkele duidelijke diagnoses of DSM-classificaties. Het doel van de behandeling is klachtvermindering en verbetering van het sociaal-maatschappelijke functioneren door middel van vergroten van zelfinzicht en aanleren van alternatieve coping- en gedragspatronen.4 De behandeling is multidisciplinair opgezet en cognitief gedragstherapeutisch georiënteerd met enkele groepsdynamische psychotherapeutische onderdelen. De behandelduur is 3 dagen per week gedurende maximaal 6 maanden, met iedere 6 weken een tussentijdse evaluatie.
Esther schaamde zich dat zij niet goed kon functioneren, ze voelde dit als enorm falen en durfde haar sociale omgeving nauwelijks te vertellen dat zij in behandeling was. Zij wilde het liefst dat alles zo snel mogelijk weer normaal zou worden zodat zij weer aan het werk kon. Het kostte haar dan ook enige moeite te accepteren dat de behandelaren haar bij de start van de behandeling adviseerden vooreerst helemaal niet te denken aan re-integratie in werk, ook niet op therapeutische basis.
Esther was afkomstig uit een gereformeerd gezin met 5 kinderen en ze keek met tevredenheid op haar jeugd terug. Ze werd nogal (over)beschermd opgevoed. Tijdens de basisschool had ze enige moeite om goed mee te komen, maar met steun van haar omgeving lukte dat. Dat maakte haar wel onzeker, een onzekerheid die ze heeft gehouden. Zij volgde na de mavo de kleuterkweekschool en daarna een vervolgopleiding om ook les te kunnen geven aan de basisschool. Na haar opleiding is zij meteen gaan werken en ze heeft zich nooit ziekgemeld. Het werken met kinderen en het overdragen van kennis inspireert haar. Ze is 24 jaar gehuwd en heeft 3 kinderen gekregen, die inmiddels allen uitwonend zijn. Het contact met haar man en kinderen noemt zij goed. Zij was erg tevreden over haar werksituatie, waar ze al jaren met de nodige passie les gaf aan kinderen van groep 3. Ze was lichamelijk gezond; al had ze weliswaar een slechte conditie.
In de diagnostiekfase werd geconcludeerd dat er naast forse burn-outproblematiek sprake was van een depressie en een obsessief compulsieve persoonlijkheidsstoornis.

Behandeling

Bij aanvang van de behandeling stelde Esther zich nogal dienstverlenend op naar de overige groepsleden en liet ze weinig van haar eigen zielenroerselen zien. Gaandeweg lukte haar dat niet meer en kreeg zij meer zicht op haar manier van functioneren en ontwikkelde zij een aantal vaardigheden die haar weerbaarder maakten. Zo leerde zij beter te luisteren naar haar eigen lichaam en signalen van overbelasting serieus te nemen, om zaken te delegeren en haar privésituatie belangrijker te gaan vinden. Zij cijferde zichzelf minder weg voor anderen, werd losser en kon beter relativeren. Tegen het einde van de behandeling werd aandacht besteed aan het re-integreren in werk. Omdat dit voor haar een precaire zaak was, met de nodige onzekerheden en moeite om niet te vervallen in haar oude manier van dienstverlenend en zelfopofferend functioneren, werd ze aangemeld voor een gespecialiseerd deeltijdprogramma voor mensen met een ernstige vorm van arbeidsgerelateerde problematiek, veelal burn-out.5

Re-integratie

Omdat Esther al zo lang uit het werk was voordat zij aan de behandeling begon, had de bedrijfsarts haar de optie van ‘re-integratie tweede spoor’ voorgehouden. Evenwel bleek dat zij nog met zoveel passie en genoegen over haar werk kon spreken dat ingezet werd op re-integratie in haar oude werk. In overleg met bedrijfsarts en werkgever begon zij zeer geleidelijk aan met re-integreren (twee keer 2 uur per week), waarbij ze de gelegenheid kreeg te oefenen met het stellen van grenzen; zij had namelijk de neiging langer door te gaan en niet op tijd naar huis te gaan.
Ze ging werken in een combinatieklas en dit viel haar erg tegen. Ze had het gevoel in een rijdende trein te stappen waarvan ze het tempo niet kon bijbenen. Ze stelde weer zeer hoge eisen aan haar eigen functioneren. Bovendien waren er gedurende bijna twee jaar afwezigheid veel zaken veranderd, waarvan zij niet op de hoogte was en die zij zich naar haar idee niet snel genoeg eigen kon maken. Zo zaten er niet alleen twee verschillende groepen in de klas, maar ook een aantal zorgkinderen die een speciale benadering vroegen. Dit alles vloog haar aan en omdat ze nog oriënterende gesprekken had voor het volgen van re-integratie tweede spoor besloot ze in een emotioneel weekend te stoppen met haar werk en zich te richten op ander werk. Wat haar eveneens benauwde was de aanstaande WIA-beoordeling.
Het tweede spoor leek de behandelaren geen goed idee vanuit de overweging dat Esther zichzelf in iedere werksituatie zou meenemen en haar probleem meer bij haar opvattingen en manier van functioneren gezocht kon worden dan bij een werksituatie. Zij liet zich met enige moeite overtuigen dat zij zichzelf overal zou tegenkomen. Opvallend daarbij was dat zij veel oog had voor de situatie van haar werkgever die een werknemer geruime tijd had moeten missen en voor wie de WIA een goed moment zou kunnen zijn om uit elkaar te gaan. Ze had sterk het idee dat zij weer helemaal beter moest zijn en volledig op loonwaarde moest werken voor de twee jaar in de ziektewet om waren. Dat leidde tot een soort anticipatieangst die haar werkhervatting fors onder druk zette. Op dat moment had ze geen oog voor de stijgende lijn die in haar functioneren zeker werd waargenomen.
De verwarring die optrad door de keuze tussen twee trajecten, terugkeer in eigen werk of in een tweede spoor, dreigde het herstel ernstig te belemmeren. De bedrijfsarts stond voor de keuze om de behandelaren te volgen of het wetgevend kader. Zij koos voor het advies van de behandelaars.
In de behandeling leerde Esther haar energie te verdelen tussen werk, privésituatie en manieren om te ontspannen. Het loslaten van de controle en geloof krijgen in eigen kunnen bleef aanvankelijk een broos gebeuren. Het leren goed voor zichzelf te zorgen was zeker nog geen automatisme voor haar geworden. Na deze ‘crisis’ ging zij door met het zeer geleidelijk aan re-integreren en ze merkte dat dat haar steeds beter afging.

Beschouwing

Er is nog nauwelijks literatuur bekend over de relatie tussen persoonlijkheidsstoornissen en arbeid, ziekmeldingen en re-integratie. De bekende literatuur richt zich vooral op emotionele stoornissen als depressie en angst6 en het belang van vroegtijdig behandelen wordt genoemd.7 Ook wordt het belang van geregeld contact leggen met de werkplek voor het re-integreren benadrukt.8
Esther volgde een intensieve en langdurende behandeling met als resultaat een verbeterd persoonlijk functioneren en duurzame terugkeer in eigen aangepast werk. Ze herkende haar valkuilen en stresssignalen (lichamelijke klachten, vermoeidheid, gevoelens van gejaagdheid) eerder of werd daar door haar omgeving op gewezen (iets waar zij nu goed naar luisterde). Piekeren ’s nachts deed ze nauwelijks meer en ze kon gemakkelijker zichzelf begrenzen en de boel de boel laten. Haar omgeving ervoer haar als veel relaxter en Esther was trots dat zij dit voor elkaar had gekregen. Ondanks het naderen van de WIA-beoordeling hebben bedrijfsarts en werkgever haar de ruimte geboden voor de terugkeer naar het eigen werk. Esther kon na enige tijd weer volledig (24 uur) werken met als aanpassing dat ze les gaf aan een homogene klas (één groep) en op dagen werkte die haar beter uitkwamen.
In deze casus laten we zien dat er met een grote inzet van betrokkene en een goede en geduldige samenwerking tussen behandelaren, bedrijfsarts, werkgever en sociaal netwerk goede resultaten zijn te behalen met een patiënt met ernstige stemmings- en persoonlijkheidsproblematiek. We zien helaas vaker dat het geruime tijd duurt voor een patiënt met gecompliceerde psychische problematiek de juiste behandeling krijgt aangeboden. Terugkeer naar eigen of ander werk lukt dan niet altijd binnen twee jaar na de eerste verzuimdag. Het is dan van veel belang dat de bedrijfsarts en verzekeringsarts ruimte creëren om het behandel- en re-integratietraject wat langer voort te zetten. Onnodige afkeuring wordt zo voorkomen.

Literatuur

1.

Vermeulen M, Sahadat I. Hoe opgebrand is Nederland? De Volkskrant 4 januari 2019: https://www.volkskrant.nl/de-gids/hoe-opgebrand-is-nederland~b968b1bd/
2.

Hill AP, Curran T, Multidimensional Perfectionism and Burn-out: A Meta-Analysis. Pers Soc Psychol Rev. 2016;20(3):269-88. doi: 10.1177/1088868315596286..
3.

Alarcon G, Eschleman K, Bowling N, Relationships between personality variables and burn-out: A meta-analysis. Work & Stress 2009;23(3):244-263.
4.

Snijders JA, Geïntegreerde psychotherapie in deeltijdbehandeling. In W. Trijsburg e.a. (Red), Handboek integratieve psychotherapie, deel V (pp. 10/1-10/30). Leusden, the Netherlands: De Tijdstroom 2000.
5.

Meesters Y, Horwitz EH, Velzen CJM van. Day treatment of patients with severe work-related complaints. Psychol Res Behav Manag 2012;5:57-63. doi: 10.2147/PRBM.S31032. Epub 2012 May 31
6.

Ervasti J, Joensuu M, Pentti J, Oksanen T, Ahola K, Vahtera J, Kivimäki M, Virtanen M. Prognostic factors for return to work after depression-related work disability: A systematic review and meta-analysis. J Psychiatr Res. 2017;95:28-36. doi: 10.1016/j.jpsychires.2017.07.024. Epub 2017 Jul 26.
7.

Marco JH, Alonso S, Andani J. (2018): Early intervention with cognitive behavioral therapy reduces sick leave duration in people with adjustment, anxiety and depressive disorders. J Ment Health. 2018;15:1-9. doi: 10.1080/09638237.2018.1521937. [Epub ahead of print]
8.

Mikkelsen MB, Rosholm M. (2018): Systematic review and meta-analysis of interventions aimed at enhancing return to work for sick-listed workers with common mental disorders, stress-related disorders, somatoform disorders and personality disorders. Occup Environ Med. 75(9):675-686. doi: 10.1136/oemed-2018-105073. Epub 2018 Jun 28. Review.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.