Home Jongeren met licht verstandelijke beperking kunnen werken, tenzij...

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Jongeren met licht verstandelijke beperking kunnen werken, tenzij…

Avatar
Diederik Wieman
Met de invoering van de Participatiewet in 2015 is de weg naar de Wajong voor de meeste jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) afgesloten, omdat zij vaak nog wel over arbeidsvermogen beschikken.
Dit explorerende onderzoek richt zich op de vraag welke factoren geassocieerd zijn met een Wajong-uitkering bij aanvragers met een LVB. Middels een dwarsdoorsnede onderzoek werden 184 Wajong aanvragers met een LVB geïncludeerd. Lineaire uni- en multivariate regressieanalyses toonden dat het niet/nauwelijks en gedeeltelijk zelfstandig zijn alsmede een negatieve visie op de eigen arbeidsmogelijkheden geassocieerd waren met de toekenning van een Wajong-uitkering. Het is aan te bevelen dat de verzekeringsarts zich specifiek richt op de mate van zelfstandigheid. Gedetailleerde uitvraag van dagelijks voorkomende activiteiten, tijdsbesef/-inzicht, autonomie en reizen/verkeersdeelname behoort tot het standaard instrumentarium bij het onderzoek naar het recht op een Wajong-uitkering.

Inleiding

Op 1 januari 2015 is de Participatiewet ingevoerd. Daarmee beoogt het kabinet om zoveel mogelijk mensen te laten participeren in werk. Dit geldt ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Voor de doelgroep jonggehandicapten geldt dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie en eventuele financiële ondersteuning als gevolg van deze wet verlegd is van het UWV naar de gemeenten. Alleen jonggehandicapten die duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikken, worden nog toegelaten tot de Wajong. UWV beoordeelt het recht op een Wajong-uitkering.
Sinds de Participatiewet van kracht is, is de Wajong-instroom aanmerkelijk verlaagd. In 2014 werden nog 17.000 Wajong uitkeringen toegekend.1 Dit aantal daalde naar 4000 in 2015 en 2016 respectievelijk 5000 in 2017.2 Ongeveer een derde van de instroom in de voormalige Wajong bestond uit mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB).3,4 Zij vormen dus een grote klantgroep binnen de Wajong-populatie. Met de invoering van de Participatiewet en de aangescherpte toelatingscriteria is de weg naar de Wajong voor de meeste van deze jongeren afgesloten, omdat zij ondanks hun beperkingen vaak nog wel over arbeidsvermogen beschikken. Toch komen er in de praktijk van de verzekeringsarts geregeld dilemma´s voor met betrekking tot het beoordelen van de functionele mogelijkheden van deze kwetsbare doelgroep.
Naast een beperking in het intellectueel functioneren, heeft deze doelgroep vaak te maken met andere aspecten die van invloed zijn op het vermogen om te kunnen werken, zoals de zelfredzaamheid, sociale redzaamheid en adaptieve vaardigheden. Comorbiditeit en meervoudige problematiek komen bij jongeren met een licht verstandelijke beperking vaak voor4,5,6. Het ligt voor de hand dat verzekeringsartsen bij het UWV deze aspecten bij de beoordeling van het arbeidsvermogen betrekken. Bovendien is het duurzaamheidscriterium in de Wajong 2015 opgenomen. Dit betekent dat de verzekeringsarts bij het ontbreken van arbeidsvermogen moet vaststellen of een verbetering in de belastbaarheid nog te verwachten is. Vanwege dit complexe samenspel aan factoren zijn de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie voor iemand met een licht verstandelijke beperking steeds individueel ter beoordeling en is het IQ daarbij weliswaar richtinggevend, maar niet exclusief bepalend.
Mensen met een verstandelijke beperking zijn 3-4 keer minder vaak in dienst vergeleken met mensen zonder die beperking.7 Succesfactoren voor deelname aan arbeid bij deze doelgroep bestaan onder meer uit vroegtijdige signalering en (arbeidsmarkt)diagnose, betrokken informeel netwerk en ontzorgde werkgevers.8 Voorspellers voor het vinden en/of behouden van werk bij de Wajong-populatie zijn onder andere werkende ouders, een positieve inschatting van de eigen werkmogelijkheden en werkervaring.4 Voor mensen met een LVB blijken bovendien de leefsituatie en motivatie voorspellend te zijn voor het vinden van werk.7 Terwijl eerdere onderzoeken vooral bevorderende en belemmerende factoren inventariseerden gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van deze LVB-doelgroep, bieden ze weinig houvast voor de huidige verzekeringsgeneeskundige praktijk waarin de verzekeringsarts moet beoordelen of de jongere volgens de Wajong 2015-criteria arbeidsvermogen heeft. Een zorgvuldig oordeel is met de huidige wet echter des te belangrijker omdat een Wajong-toekenning impliciet alle re-integratiemogelijkheden tot loonvormende arbeid opheft. Een onterechte afwijzing is ook problematisch omdat te hoge verwachtingen kunnen leiden tot overvraging met alle gevolgen van dien. De beslissing over de Wajong heeft dus belangrijke consequenties voor de aanvrager.

Doel van het onderzoek

Dit dwarsdoorsnede-onderzoek heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de groep jongeren met een LVB die een Wajong aanvraagt. Dit inzicht biedt mogelijk aanknopingspunten om de huidige werkwijze en het beoordelingsproces te verbeteren. Daarbij valt te denken aan de informatie die met het aanvraagformulier verzameld wordt, de keuze voor de professional (arbeidsdeskundige of verzekeringsarts) die als eerste het onderzoek verricht en nadrukkelijke aandacht tijdens het beoordelingsgesprek voor bepaalde aspecten.

Onderzoeksvraag

Welke factoren zijn geassocieerd met de toekenning van een Wajong uitkering bij aanvragers met een licht verstandelijke beperking (LVB)?

Methode

Dit onderzoek is opgezet als een dwarsdoorsnede-onderzoek. Uit de UWV-database vond een dossierselectie plaats op basis van de volgende criteria:

  • Alle Wajong-aanvragen in UWV-kantoren Haarlem, Alkmaar en Amsterdam die afgerond zijn met een beslissing over wel/geen toekenning van een Wajong-uitkering;
  • Januari 2016 tot en met juli 2017 (Haarlem en Alkmaar) of tot en met oktober 2017 (Amsterdam);
  • CAS-code O302 (=chromosomale afwijking + LVB), O602 (=LVB) en/of een totaal IQ score tussen 50 en 75.

Exclusiecriteria waren:

  • Wajong-aanvragers geboren voor 1-1-1980 (voor deze groep gelden andere beoordelingscriteria).
  • Afwijzing omdat er geen oordeel mogelijk was.
  • Afwijzing omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag buiten de Wajong-verzekering viel.
  • Afwijzing vanwege een uitsluitingsgrond (bijvoorbeeld het niet in Nederland wonen).

Van de geselecteerde dossiers (n=184) werd het medisch onderzoeksverslag en indien nodig het arbeidsdeskundig rapport onderzocht op de volgende variabelen:

  • Leeftijd tijdens de beoordeling (datum medisch rapport minus geboortedatum);
  • Geslacht (man of vrouw);
  • IQ-totaalscore (bij meerdere metingen werd de hoogste score gekozen);
  • IQ-profiel (disharmonisch indien 15 of meer punten verschil in subschalen);
  • Woonsituatie (zelfstandig, bij ouders, begeleid of instelling);
  • Opleiding (huidige opleiding en anders laatst gevolgde opleiding);
  • Werkervaring (geen, stage/gesubsidieerd, regulier);
  • Comorbiditeit (aantal neven CAS-codes);
  • Hulpverlening intensiteit, ingedeeld in 4 categorieën:

    • Geen
    • Licht (begeleidende instanties, paramedisch)
    • Matig (poliklinisch)
    • Zwaar (langdurig poliklinisch, ambulant, klinische opname).

Bij gebrek aan een toepasbare bestaande indeling betreft dit een eigen categorisering.

  • Zelfstandigheid, ingedeeld in 3 categorieën:

    • Niet/nauwelijks (bij vrijwel alle ADL-hulp nodig, niet zelfstandig kunnen reizen, geen/weinig invloed op eigen dagstructuur, noodzaak tot toezicht).
    • Deels (bij enkele ADL-hulp en aansturing nodig, aangeleerde routes reizen, beperkte eigen dagstructuur (bijvoorbeeld wekker zetten), boodschappen doen).
    • Grotendeels/volledig (ADL-zelfstandig, zelfstandige verkeersdeelname, route kunnen uitzoeken, autonomie over dagstructuur).

Bij gebrek aan een toepasbare bestaande indeling betreft dit een eigen categorisering.

  • Visie ten aanzien van de eigen arbeidsmogelijkheden, ingedeeld in 2 categorieën:

    • Negatief (niet kunnen of willen werken, ook niet in de toekomst).
    • Positief (wel kunnen of willen werken, mogelijk in de toekomst kunnen werken).

Vanwege de grote verscheidenheid bij dit item werd er voor deze tweedeling gekozen.

  • Beoordeling ‘op de stukken’, dat wil zeggen wanneer er geen spreekuur heeft plaatsgevonden en hooguit een telefonisch consult met ouders (ja of nee).
  • Beoordelende arts (aios, verzekeringsarts, bedrijfsarts).
  • UWV-kantoor waar de beoordeling heeft plaatsgevonden (Alkmaar, Amsterdam of Haarlem).
De onderzochte uitkomstmaat was de beslissing over de Wajong-aanvraag: toekenning of afwijzing.
Het volgen van scholing of studie is een uitsluitingsgrond voor de toekenning van de Wajong. Daarom wordt een Wajong-aanvraag door een nog schoolgaande jongere altijd afgewezen. Ook in die gevallen waarbij er na beoordeling is gebleken dat aan alle overige criteria voor een Wajong-uitkering wordt voldaan. De jongere wordt dan geadviseerd om zich bij schoolverlating opnieuw te melden bij het UWV zodat de aanvraag alsnog wordt toegekend. In dit onderzoek worden dergelijke afwijzingen zuiver op basis van de uitsluitingsgrond scholing/studie toch beschouwd als een toekenning.
Data-analyse vond plaats met Excelversie 2010. Lineaire uni- en multivariate regressieanalyse werd toegepast om de statistische relatie tussen de variabelen en de uitkomst van de aanvraag vast te stellen. Onbekende waarden werden in de analyse buiten beschouwing gelaten. Nominale en ordinale categorieën (bijvoorbeeld opleidingsniveau, woonsituatie, werkervaring) werden getransformeerd naar zelfstandige dummy variabelen en afgezet tegen een gekozen referentiecategorie meegenomen in de regressieanalyses.

Resultaten

Karakteristieken van de onderzoekspopulatie

In totaal waren er 1255 Wajong aanvragen, waarvan het grootste deel afkomstig uit kantoor Amsterdam (51,2% versus 37,5% Alkmaar en 11,2% Haarlem). 184 dossiers (15%) werden geïncludeerd (8% beoordeeld in Haarlem, 43% in Alkmaar en 50% in Amsterdam). De aanvragers hadden gemiddeld een leeftijd van 19,5 jaar en een IQ van 63. Het grootste deel woonde bij ouders thuis (58%) en volgde voortgezet speciaal onderwijs (52%). 64% had geen betaalde werkervaring. Bij meer dan de helft van de aanvragers was sprake van matige tot zware hulpverlening. 36% was niet/nauwelijks zelfstandig ten opzichte van 28% gedeeltelijk en 33% grotendeels/volledig zelfstandig. Comorbiditeit kwam veel voor. 85% van de aanvragers had ten minste 1 neven CAS-code en bij 15% was er zelfs sprake van 3 of meer neven CAS-codes. De meest voorkomende neven diagnose was een andere ontwikkelingsstoornis. 105 aanvragers (57%) hadden 1 of meer bijkomende ontwikkelingsaandoeningen. Gevolgd door 53 aanvragers (29%) met psychische problematiek en 23 (13%) met een neurologische aandoening. Het merendeel had geen duidelijk idee over de eigen arbeidsmogelijkheden. 20% van de aanvragen werd ‘op de stukken’ beoordeeld. Uiteindelijk werd 61% van de Wajong-aanvragen toegekend en 39% afgewezen. Kenmerken van de onderzoekspopulatie zijn weergegeven in tabel 1.

Resultaten data-analyse

Univariate lineaire regressieanalyse liet zien dat de volgende factoren significant vaker geassocieerd waren met toekenning van een Wajong-uitkering: mannelijk geslacht, lager totaal IQ (50 t/m 62), VSO-opleidingsniveau, onbetaalde en niet-reguliere werkervaring, niet/nauwelijks en gedeeltelijk zelfstandig zijn, het hebben van twee comorbide aandoeningen, een negatieve opvatting over het eigen arbeidsvermogen en een beoordeling ‘op de stukken’. Beoordelingen door een verzekeringsarts waren significant vaker geassocieerd met een afwijzing ten opzichte van beoordelingen door een aios. Na correctie van deze factoren voor de invloed van de andere significante factoren werd alleen nog statistische significantie bereikt bij de mate van zelfstandigheid en een negatieve visie op de eigen arbeidsmogelijkheden. Niet/nauwelijks zelfstandig zijn bleek ook na correctie voor de invloed van andere factoren nog verband te houden met een Wajong-uitkering (β -0,44, BI -0,61; -0,27). Dat geldt ook voor gedeeltelijke zelfstandigheid (β -0,35, BI -0,34; -0,05) en een negatieve kijk op de eigen mogelijkheden (β 0,17, BI 0,10; 0,24).

Discussie

Voor zover bekend is dit de eerste studie bij deze doelgroep naar factoren die geassocieerd zijn met de toekenning van een Wajong-uitkering in de context van de wet die sinds 2015 van kracht is. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de mate van zelfstandigheid en de eigen opvattingen en verwachtingen van de arbeidsmogelijkheden geassocieerd zijn met de toekenning van een Wajong-uitkering bij aanvragers met een LVB. Hoe minder zelfstandig, hoe vaker recht bestaat op een Wajong. En jongeren die denken niet te kunnen werken krijgen daadwerkelijk vaker een Wajong-uitkering toegekend.
De praktijk leert dat deze groep aanvragers bijzonder heterogeen is. Dat wordt door dit onderzoek nog eens bevestigd. Terwijl de variatie in IQ score 25 punten betreft, liggen factoren zoals werkervaring, opleidingsniveau en mate van zelfstandigheid binnen de onderzochte groep behoorlijk ver uiteen. De variatie in zelfstandigheid is erg groot met een bijna gelijke verdeling over de 3 gehanteerde gradaties. De meeste jongeren zitten op het VSO terwijl 16% een mbo-opleiding doet. Twee aanvragers hebben zelfs een mbo 3-opleiding gevolgd. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat bij sommigen mogelijk een overschatting van het daadwerkelijke opleidingsniveau is opgetreden. De gehanteerde definitie in dit onderzoek stelt namelijk het opleidingsniveau gelijk aan de huidige danwel (indien de aanvrager geen onderwijs meer volgt) laatst genoten opleiding. Hierdoor worden jongeren die uitgevallen waren voor bijvoorbeeld het vmbo omdat dit te hoog gegrepen bleek, toch op dat opleidingsniveau gescoord. Toch werd gekozen voor deze definitie, aangezien de keuze voor een hoogst voltooide opleiding in deze veelal nog schoolgaande doelgroep tot een aanzienlijke onderschatting van het opleidingsniveau zou hebben geleid bij een nog grotere groep.

Er bestaan verschillende definities voor een verstandelijke beperking. In de meest recente DSM (5de editie) zijn er ingrijpende wijzigingen opgetreden in de classificatie van een verstandelijke beperking. Er moet sprake zijn van beperkingen in zowel het verstandelijk als het adaptieve functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen. Daarnaast is de rol van IQ-scores teruggedrongen en wordt er meer belang gehecht aan het klinische oordeel. Deze verandering sluit aan bij de wijze waarop het recht op een Wajong wordt beoordeeld waarbij verschillende aspecten van het functioneren betrokken worden en de IQ-score als meetinstrument wordt meegenomen. Dat IQ-scores alleen niet bepalend zijn voor de ernst van een verstandelijke beperking, komt indirect ook bij dit onderzoek naar voren: er is geen associatie gevonden tussen het IQ en de toekenning van een Wajong. Ook de conclusie dat de mate van zelfstandigheid wel bepalend is voor de uitkomst, is in lijn met de classificatie van deze ontwikkelingsstoornis zoals die in de DSM-5 is opgenomen.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0089-4/MediaObjects/12498_2019_89_Fig2_HTML.jpg
Tabel 1 Karakteristieken onderzoekspopulatie en resultaten regressie analyses
β= beta-coëfficient; BI= betrouwbaarheidsinterval; LVB= licht verstandelijke beperking; ref= gekozen referentiecategorie; SD= standaarddeviatie; VSO= voortgezet speciaal onderwijs
Gemiddelde (SD) of n (%)
Wel Wajong n=113
Geen Wajong n=71
Univariate β
95% BI
Multivariate β
95% BI
Leeftijd (in jaren)
gemiddeld
19,5 (3,8) range
17,3 – 53,3
19,21
19,86
0,01
[-0,01 ; 0,03]
Geslacht
vrouw
man
102 (55,4)
82 (44,6)
44 (38,9)
69 (61,1)
38 (53,5)
33 (46,5)
-0,15
[-0,29 ; -0,01]
-0,10
[-0,20 ; 0,01]
IQ
50 t/m 62
63 t/m 75
onbekend
harmonisch
disharmonisch
onbekend
63,0 (7,5) range 50 – 75
75 (40,8)
85 (46,2)
24 (13,0)
61 (33,2)
34 (18,5)
89 (48,4)
56 (49,6)
42 (31,2)
15 (13,3)
28 (24,8)
24 (21,2)
61 (54,0)
19 (26,8)
43 (60,6)
9 (12,7)
33 (46,5)
10 (14,1)
28 (39,4)
0,11
0,03
[0,01 ; 0,22]
[-0,06 ; 0,13]
0,02
[-0,06 ; 0,10]
Woonsituatie
alleen/samen (zelfst)
bij ouders
begeleid of instelling
onbekend
9 (4,9)
107 (58,2)
53 (28,8)
15 (8,2)
0 (0,0)
61 (54,0)
40 (35,4)
12 (10,6)
9 (12,7)
46 (64,8)
13 (18,3)
3 (4,2)
ref
-0,05
-0,23
ref
[-0,27 ; 0,17]
[-0,47 ; 0,00]
Opleidingsniveau
VSO cluster 1 t/m 4
praktijkschool
lbo/lts/vmbo/mbo 1
mbo 2 en 3
onbekend
95 (51,6)
32 (17,4)
22 (12,0)
14 (7,6)
21 (11,4)
78 (69,0)
10 (8,9)
7 (6,2)
1 (0,9)
17 (15,0)
17 (23,9)
22 (31,0)
15 (21,1)
13 (18,3)
4 (5,6)
-0,31
0,2
0,18
ref
[-0,48 ; -0,14]
[-0,01 ; 0,41]
[-0,06 ; 0,42]
ref
-0,11
0,11
0,11
[-0,27 ; 0,05]
[-0,07 ; 0,29]
[-0,08 ; 0,31]
Werkervaring
geen, onbetaald, vrijw.werk, dagbesteding
stage, leerwerktraject, gesubsidieerd/ beschut werk
betaald, regulier dienstverband
onbekend
51 (27,7)
67 (36,4)
39 (21,2)
27 (14,7)
45 (39,8)
41 (36,3)
2 (1,8)
25 (22,1)
6 (8,5)
26 (36,6)
37 (52,1)
2 (2,8)
-0,47
-0,20
ref
[-0,63 ; -0,30]
[-0,35 ; -0,04]
ref
-0,12
-0,06
[-0,26 ; 0,03]
[-0,20 ; 0,08]
Hulpverlening intensiteit
geen
licht
matig
zwaar
onbekend
21 (11.4)
48 (26,1)
46 (25,0)
67 (36,4)
2 (1,1)
13 (11,5)
35 (31,0)
19 (16,8)
44 (38,9)
2 (1,8)
8 (11,3)
13 (18,3)
27 (38,0)
23 (32,3)
0 (0,0)
ref
-0,08
0,23
-0,01
ref
[-0,32 ; 0,16]
[-0,01 ; 0,47]
[-0,23 ; 0,22]
Zelfstandigheid
niet/nauwelijks
deels
grotendeels/volledig
onbekend
66 (35,9)
51 (27,7)
60 (32,6)
7 (3,8)
65 (57,5)
31 (27,4)
11 (9,7)
6 (5,3)
1 (1,4)
20 (28,2)
49 (69,0)
1 (1,4)
-0,73
-0,35
ref
[-0,86 ; -0,60]
[-0,49 ; -0,21]
ref
-0,45
-0,20
[-0,61 ; -0,28]
[-0,34 ; -0,05]
Comorbiditeit (aantal CAS-codes excl LVB)
0
1
2
≥3
27 (14,7)
73 (39,7)
57 (31,0)
27 (14,7)
15 (13,3)
44 (38,9)
36 (31,9)
18 (15,9)
12 (16,9)
29 (40,9)
21 (29,6)
9 (12,7)
ref
0,87
1,3
0,3
ref
[-0,15 ; 1,88]
[0,25 ; 2,35]
[-0,93 ; 1,52]
0,01
[-0,10 ; 0,12]
Eigen visie arbeidsmogelijkheden
negatief
positief
onbekend
34 (18,5)
42 (22,8)
108 (58,7)
18 (15,9)
9 (8,0)
86 (76,1)
16 (22,5)
33 (46,5)
22 (31,0)
0,29
[0,22 ; 0,37]
0,17
[0,10 ; 0,24]
Beoordeling ´op de stukken´
nee
ja
148 (80,4)
36 (19,6)
78 (69,0)
35 (31,0)
70 (98,6)
1 (1,4)
-0,44
[-0,61 ; -0,27]
-0,04
[-0,20 ; 0,12]
Beoordelende arts
AIOS
Verzekeringsarts
Bedrijfsarts
43 (23,4)
127 (69,0)
14 (7,6)
21 (18,6)
83 (73,5)
9 (8,0)
22 (31,0)
44 (62,0)
5 (7,0)
ref
1,35
0,69
ref
[0,56 ; 2,14]
[-0,68 ; 2,06]
0,06
0,00
[-0,07 ; 0,19]
[-0,22 ; 0,22]
UWV kantoor
Haarlem
Alkmaar
Amsterdam
14 (7,6)
79 (42,9)
91 (49,5)
6 (5,3)
50 (44,3)
57 (50,4)
8 (11,3)
29 (40,9)
34 (47,9)
-0,56
0,19
ref
[-1,91 ; 0,79]
[-1,15 ; 1,52]
ref
Tijdens de dossierselectie bleek dat verzekeringsartsen soms verschillende afkapwaarden voor een LVB hanteren dan in dit onderzoek is gekozen. Er werd bijvoorbeeld gesproken van zwakbegaafdheid of een matige verstandelijke beperking terwijl het IQ tussen 50 en 75 lag. 13% van de dossiers werd geselecteerd op basis van een LVB-CAS-code terwijl er geen IQ-score bekend was. Gelet op de geconstateerde inconsistentie in afkapwaarden is het daarom denkbaar dat er onbedoeld dossiers geselecteerd zijn met een IQ onder de 50 of boven de 75. Aangezien dit vervuilende effect in beide richtingen moet zijn opgetreden en het bovendien een klein aantal betreft (het grootste deel van die 13% zal terecht als LVB gekenmerkt zijn), is het niet de verwachting dat het de onderzoeksresultaten in belangrijke mate heeft verstoord.
Bij relatief veel dossiers is het IQ-profiel onbekend (48,8%), wat overeenkomt met praktijkbevindingen. Het percentage onbekende waarden is bij de groep ´wel Wajong´ iets hoger (54%) dan de groep ´geen Wajong´ (39,4%). Een mogelijke verklaring is dat jongeren die ernstiger beperkt zijn en waarschijnlijk een Wajong zullen krijgen, bij hun aanvraag andere ondersteunende documenten indienen waaruit de ernst reeds blijkt, en de uitgebreide IQ-testuitslag achterwege laten. Het grote aantal onbekende waarden is een potentiële informatiebias ten aanzien van de conclusie dat er geen associatie gevonden is tussen het IQ-profiel en een Wajong-toekenning.
Eerder onderzoek4,5 liet reeds zien dat eigen verwachtingen ten aanzien van arbeid voorspellend zijn voor het vinden en behouden van werk. De resultaten van dit onderzoek sluiten daarbij aan. Jongeren met een negatieve visie op de eigen arbeidsmogelijkheden krijgen vaker een Wajong-uitkering toegekend dan aanvragers met een optimistischer standpunt. Toch moet deze uitkomst met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. In de medische rapportages was namelijk veelal geen genuanceerde aantekening te vinden over dit item. Vaak werden er standaardzinnen vermeld hetzij de visie van ouders/begeleiders genoteerd. In 59% van de onderzochte dossiers is de eigen visie van de jongere in kwestie onbekend. Bovendien is dit grote onbekende aantal scheef verdeeld over de groepen wel (76%) en geen Wajong (31%). Mogelijk heeft deze informatiebias tot een overschatting van de gevonden associatie geleid. Ook is het hercategoriseren van dit kenmerk naar de dichotome uitkomstmogelijkheden positief danwel negatief meer dan andere variabelen aan interpretatie en dus subjectiviteit onderhevig. De visies variëren bijvoorbeeld van ‘huidige dagbesteding leuk vinden’, tot ‘misschien in de toekomst kunnen werken’ en ‘graag willen werken’.
Als maat voor comorbiditeit is het aantal geregistreerde neven CAS-codes gebruikt. Hoewel het in dit dossieronderzoek niet anders kon, is dit een gebrekkige maat voor comorbiditeit, omdat het niveau van functioneren in belangrijke mate beïnvloed wordt door de ernst van eventuele comorbide aandoening(en). Een ernstige vorm van autisme (1 neven CAS-code) heeft een grotere invloed op het functioneren dan meerdere bijkomende aandoeningen die relatief weinig van invloed zijn op het arbeidsvermogen.
Aangezien uit dit onderzoek blijkt dat de mate van zelfstandigheid sterk samenhangt met een Wajong-uitkering, is het aan te bevelen dat de verzekeringsarts zich richt op dit aspect. Gedetailleerde uitvraag van dagelijks voorkomende activiteiten, tijdsbesef/-inzicht, autonomie en reizen/verkeersdeelname behoort tot het standaard instrumentarium bij het onderzoek naar het recht op een Wajong.
Het zou interessant zijn om deze studie grootschalig te reproduceren. Dit onderzoek was slechts een regionale steekproef met 113 Wajong-toekenningen, terwijl landelijk 4000 tot 5000 nieuwe Wajong-gerechtigden per jaar erbij komen2, waarvan ongeveer een derde behorend tot de populatie van dit onderzoek. Met het oog op de invloed van de mate van zelfstandigheid, is het aan te bevelen om dat item gedetailleerder uit te werken bijvoorbeeld in de vorm van een beslismatrix om de zelfstandigheid van de jongere nauwkeuriger te graderen. Nader onderzoek naar en verbetering van de betrouwbaarheid van de in deze studie gekozen indeling is daarvoor eerst nodig. Dat geldt overigens ook voor de categorieën die voor het item hulpverlening zijn gebruikt. Ten slotte kan overwogen worden om niet zoals in dit onderzoek het aantal neven diagnosen te hanteren als maat voor comorbiteit, maar om de ernst van de comorbiditeit vanuit de het medisch dossier c.q. rapportage te herleiden.
Er is geen sprake van belangenconflicten.

Summary

Many young adults with mild intellectual disabilities (MID) do not qualify anymore for a Wajong benefit since the introduction of the Participation Act in 2015. According to new criteria they often still have the ability to work. The aim of this exploratory study was to examine which factors are associated with granting of Wajong benefits to claimants with MID. 184 Wajong applications with MID were included in a cross-sectional study. Linear uni- and multivariate regression analyses showed that not (or hardly) being independent and partially being independent as well as negative expectations regarding their work opportunities were associated with the granting of a Wajong benefit. Insurance Physicians should specifically focus on the degree of independency. Detailed inquiry of daily activities, time awareness / insight, autonomy and ability to travel should be part of the Wajong benefit assessment.

Literatuur

1.

UWV. Cijfers en trends. December 2015. ttps://www.uwv.nl/overuwv/Images/C%26T2015-12.pdf

2.

UWV. Cijfers en trends. December 2017. https://www.uwv.nl/overuwv/Images/20180212%20cijfers%20en%20trends%20december%202017.pdf

3.

UWV. Kennisagenda 2012 & 2013. https://www.uwv.nl/overuwv/Images/UWV_Kennisagenda_2012-2013.pdf

4.

Holwerda A, Brouwer S, Boer de M, Klink van der JJL, Groothoff JW. Wat werkt bij Wajongers? Voorspellers voor vinden en behouden van werk in de Wajongpopulatie. Groningen: Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, Afdeling Gezondheidswetenschappen, Sociale Geneeskunde en Arbeid & Gezondheid, 2012;72.

5.

Munir KM. The co-occurrence of mental disorders in children and adolescents with intellectual disability/intellectual developmental disorder. Curr Opin Psychiatry 2016;29(2):95-102.

6.

Einfeld SL, Ellis LA, Emerson E. Comorbidity of intellectual disability and mental disorder in children and adolescents: a systematic review. J Intellect Dev Disabil 2011;36(2):137-43.

7.

Holwerda A, Klink van der JJ, Boer de MR, Groothoff JW, Brouwer S. Predictors of work participation of young adults with mild intellectual disabilities. Res Dev Disabil 2013;34(6):1982-90.

8.

Bakker H, Pickles A, Wit de J, Borghouts-van de Pas I, Peters M. Arbeidsparticipatie jongeren met licht verstandelijke beperkingen. Talenten zien, ontwikkelen en benutten door focus op werk en groei. Aangrijpingspunten voor sociale innovatie op basis van literatuurscan en oriënterende interviews. Eindrapportage. Ecorys, Rotterdam. 25 juni 2014.

Aandachtspunten:

Uit dit onderzoek komt naar voren dat de mate van zelfstandigheid sterk samenhangt met de toekenning van een Wajong-uitkering bij aanvragers met een LVB. Hoe minder zelfstandig, hoe vaker recht bestaat op een Wajong. Gedetailleerde uitvraag van dagelijks voorkomende activiteiten, tijdsbesef/inzicht, autonomie en reizen/verkeersdeelname behoort tot het standaard instrumentarium van de verzekeringsarts bij het onderzoek naar het recht op een Wajong.
Ook de eigen verwachtingen van de arbeidsmogelijkheden blijken van invloed te zijn op de toekenning van een Wajong-uitkering. Jongeren met een LVB die denken niet te kunnen werken, krijgen daadwerkelijk vaker een Wajong-uitkering toegekend.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.