Home Prevalentie van PTSS en resultaat van behandeling bij ernstige versus niet-ernstige verkeersongevallen

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Prevalentie van PTSS en resultaat van behandeling bij ernstige versus niet-ernstige verkeersongevallen

Avatar
Thijs Hogen Esch
Avatar
Cathrien Jacobi
Doel: het bepalen van de prevalentie van posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij ernstige versus niet-ernstige verkeersongevallen met een letselschadeclaim, met als onderliggende onderzoeksvraag: bestaat er een relatie tussen de ernst van het doorgemaakte verkeersongeval en het ontstaan van PTSS? Tevens wordt bestudeerd in hoeverre er een verschil bestaat in het behandelresultaat van PTSS tussen de beide groepen.
Methode: het betreft een retrospectief cohortonderzoek (2010-2015) met twee onderzoeksgroepen (ernstig versus niet-ernstig ongeval) waarbij uit 100 medische dossiers gegevens verzameld werden, waaronder: ernst van het verkeersongeval, een al dan niet gediagnosticeerde PTSS en effect van behandeling (EMDR-therapie).
Resultaten: van de 100 verkeersongevallen bleken er 48 ernstig te zijn, waar bij 11 slachtoffers een PTSS gediagnosticeerd werd. Bij de 52 niet-ernstige verkeersongevallen werd 12 maal een PTSS vastgesteld (oddsratio: 0.99; 95% BI: 0,39-2,52, p=0,99). Van de in totaal 23 slachtoffers met PTSS kregen er 19 EMDR-therapie. De kans op een positief behandelresultaat was hoger bij mensen met PTSS na een ernstig ongeval (89%) ten opzichte van een niet-ernstig ongeval (67%), maar dit verschil was niet statistisch significant (oddsratio 4,0; 95% CI: 0,27-58,56, p=0,31).
Conclusie: er is geen statistisch significant verschil in prevalentie van PTSS tussen ernstige en niet-ernstige verkeersongevallen. Slachtoffers met PTTS na doorgemaakte ernstige verkeersongevallen vertonen betere (niet statistisch significante) behandelresultaten dan slachtoffers met PTSS na een doorgemaakt niet-ernstig verkeersongeval. Omdat de onderzoekspopulatie relatief klein is, moeten de resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

Inleiding

Een medisch adviseur die medische adviezen geeft in letselschadeclaims wordt regelmatig geconfronteerd met een gediagnosticeerde posttraumatische stressstoornis (PTSS) na een verkeersongeval zonder dat er sprake is van evident traumatisch letsel bij de betrokkenen. Hoewel uit de literatuur blijkt dat een gediagnosticeerde PTSS in principe goed te behandelen is1, lijkt de problematiek gepaard te gaan met een aanzienlijke financiële schadelast voor aansprakelijkheidsverzekeraars en ook voor uitkeringsinstanties zoals het UWV. Voor zover bekend, is er binnen de Nederlandse publieke en private verzekeringsgeneeskunde nog geen onderzoek gedaan naar het vóórkomen van PTSS bij slachtoffers van ernstige en niet ernstige verkeersongevallen.
Conform het in Nederland (en internationaal) in gebruik zijnde psychiatrisch handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)2 is de ernst van het verkeersongeval van belang bij de diagnosestelling van PTSS (kader 1). Echter, uit een reviewartikel3 naar de voorspellende factoren voor het ontwikkelen van een PTSS blijkt dat de ernst van het doorgemaakte trauma een beperkte rol lijkt te spelen bij het ontstaan van PTSS. Bepalende factoren voor het ontstaan van PTSS blijken op basis van dit artikel de volgende te zijn: rumineren van het ongeval, ervaren doodsangst ten tijde van het ongeval, het ontbreken van sociale steun, persisterende fysieke klachten, een eerder doorgemaakte angststoornis en een lopende letselschadeclaim. Deze review bestond echter primair uit onderzoeken onder verkeersslachtoffers met ernstig en/of levensbedreigend letsel. Omdat er nauwelijks onderzoeken gevonden werden die betrekking hadden op verkeersslachtoffers met niet-ernstig of geen fysiek letsel, is de relatie tussen PTSS en dergelijke verkeersongevallen onduidelijk. Meer kennis hierover is belangrijk omdat het bij letselschadeclaims van belang is of de gediagnosticeerde aandoening daadwerkelijk een gevolg is van het verkeersongeval, waarvoor aansprakelijkheid erkend is. Ook bij de verzekeringsgeneeskundige claimbeoordeling door het UWV is de gediagnosticeerde medische aandoening of stoornis in beginsel (mede)bepalend.
Het doel van dit onderzoek is om de prevalentie van PTSS te vergelijken tussen ernstige versus niet-ernstige verkeersongevallen met een letselschadeclaim, met als onderliggende onderzoeksvraag: bestaat er een relatie tussen de ernst van het doorgemaakte verkeersongeval en het ontstaan van PTSS? Ook wordt bestudeerd in hoeverre er een verschil is in behandelresultaat (middels EMDR-therapie) van PTSS tussen beide groepen.

Kader 1: Begripskader A. Criterium voor de diagnose Post-Traumatische Stress Stoornis (PTSS)

Afkomstig uit DSM-IV: In dit onderzoek zijn medische dossiers gebruikt uit 2010-2015, waardoor DSM-IV de aangewezen versie van DSM was bij alle diagnoses.

A.

De betrokkene is blootgesteld aan een ernstige traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn:

1)

betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende door of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen.
2)

tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid en afschuw.

Methode

Werkwijze

Er vond een aselecte steekproef plaats van medische dossiers van de netwerkschijf van de verzekeraar. De handelswijze was als volgt: van vijf medische adviseurs werkzaam bij dezelfde verzekeraar werd telkens het eerste letselschadedossier van de maand gelicht (periode 2010-2015). Hiermee werd, rekening houdend met de uitsluitingscriteria, doorgegaan tot een aantal van 100 dossiers bereikt was. Dit aantal werd na overleg met een statisticus als minimum gezien voor een degelijke statische analyse.

Uitsluitingscriteria bij dossierselectie waren:

  • Letselschade door andere incidenten dan verkeersongevallen.
  • Verkeersongeval op moment van dossierselectie minder dan 6 maanden geleden, omdat in deze gevallen de kans te groot is dat de medische problematiek nog niet volledig in kaart is gebracht én het eventuele behandeltraject nog niet was afgerond.

Dataverzameling.

In elk medisch dossier werd gekeken naar de ernst van het doorgemaakte verkeersongeval (zie hieronder voor de bepaling daarvan), een al dan niet door een psycholoog, GZ-psycholoog of psychiater gediagnosticeerde PTSS, een al dan niet ondergane behandeling met EMDR-therapie en het effect daarvan. Als uit de dossiergegevens een reductie van PTSS-klachten of verdwenen PTSS-klachten bleek, dan werd dit gescoord als een behandeleffect. Als geen sprake was van klachtenvermindering dan werd dit gescoord als geen behandeleffect. Daarnaast werden variabelen zoals leeftijd, geslacht, of cliënt een belangenbehartiger had in de communicatie met de verzekeraar, en psychiatrische voorgeschiedenis ook gescoord. Dit om indien nodig te kunnen corrigeren voor mogelijk verstorende variabelen (confounding) tussen beide onderzoeksgroepen. Psychiatrische voorgeschiedenis bleek bijna nooit benoemd in de dossiers, waardoor dit kenmerk verder niet kon worden meegenomen in dit onderzoek.

Groepsindeling voor ernst ongeval

Voor de indeling van de ernst van de verkeersongevallen werd gebruik gemaakt van de Nederlandse Triage standaard4, wat leidde tot de volgende twee groepen:

  • Groep 1 – Hoog Energetisch Trauma (HET):

Ernstig energetisch danwel traumatiserend verkeersongeval oftewel een trauma waarbij het lichaam blootgesteld is aan een grote kracht-snelheid-massa, waarbij er sprake kan zijn van ernstig letsel. Algemene criteria HET: ongeval met motor/bromfiets > 35km/u, auto-ongeval hoge snelheid (> 65km/u), uit voertuig/van motor geslingerd, voertuig is door ongeval meer dan 50 cm korter geworden, aanrijding voetganger of fietser door auto > 10-30km/u. Specifiek traumatiserende omstandigheden werden ook meegenomen (bijvoorbeeld ter waterraking of brand in de auto).

  • Groep 2 – Laag Energetisch Trauma (LET)
Niet-ernstig energetisch danwel traumatiserend verkeersongeval oftewel een trauma waarbij het lichaam blootgesteld is aan een lage kracht-snelheid-massa. Algemene criteria LET (verkeersongevallen): alle verkeersongevallen die niet aan de criteria voor een HET voldoen.
De ernst van het ongeval werd uit het dossier overgenomen (‘direct uit dossier’). Indien in de medische stukken niet expliciet aangegeven was of er sprake was geweest van een HET of LET, dan werd aan de hand van bovenstaande criteria een eigen inschatting gemaakt op basis van de beschikbare medische en niet medische dossiergegevens (‘indirect uit dossier’).

Data-analyse

Beschrijvende statistiek werd gebruikt om de prevalentie van PTSS tussen beide onderzoeksgroepen te bepalen. Oddsratio’s (OR) werden berekend voor:

  • het voorkomen van PTSS in relatie tot de ernst van het verkeersongeval;
  • ondergane behandeling EMDR bij PTSS in relatie tot de ernst van het verkeersongeval;
  • wel of geen effect van deze behandeling in relatie tot de ernst van het verkeersongeval.

Met behulp van de T-test (variabele leeftijd), Chi-kwadraattest (categorische variabelen) of Fischer’s Exact Test (bij een dichotome categorische variabele, 2×2 tabel) werd bekeken of de geïncludeerde variabelen anders verdeeld waren over de twee onderzoeksgroepen Groep 1-HET versus groep 2- LET. Logistische regressie werd uitgevoerd om te corrigeren voor mogelijke confounders. Er werd voor mogelijke confounders gecorrigeerd als deze variabelen univariaat een samenhang vertoonden met een p-waarde van 0,200 of minder. Statistische analyse werd verricht met behulp van SPSS (versie 22).

Resultaten

De kenmerken van de 100 cliënten die in deze studie werden geïncludeerd, staan vermeld in tabel 1. Van de 100 verkeersongevallen bleken er 48 (48%) een ernstig verkeersongeval te zijn (groep 1 – HET) en 52 (52%) een niet-ernstig verkeersongeval (groep 2 – LET).

Tabel 1 Overzicht van de onderzoekspopulatie
HET: Hoog-Energetisch Trauma
LET: Laag-Energetisch Trauma
PTSS: Posttraumatische Stressstoornis (in dit geval volgens DSM-IV)
* in geval van 2×2 tabel werd Fischer’s Exact Test uitgevoerd, 2 zijdig in plaats van Chi-kwadraat.
HET Nmax=48 N (%)
LET Nmax=52 N (%)
Totaal Nmax=100 N (%)
Chi-kwadraat
Of Fischer’s Exact
p-waarde*
Geslacht
Man
Vrouw
23 (48%)
25 (52%)
17 (33%)
35 (67%)
40 (40%)
60 (60%)
0,154
Leeftijd
t/m 20 jaar
21 t/m 40 jaar
41 t/m 50 jaar
51 jaar of ouder
15 (31%)
14 (29%)
8 (17%)
11 (23%)
6 (12%)
22 (42%)
13 (25%)
11 (21%)
21 (21%)
36 (36%)
21 (21%)
22 (22%)
0,083
Belangenbehartiger
Nee
Ja
7 (15%)
41 (85%)
7 (13%)
45 (87%)
14 (14%)
86 (86%)
1,000
Bepaling ernst van het ongeval
Direct uit dossier
Indirect uit dossier
26 (54%)
22 (46%)
2 (4%)
50 (96%)
28 (28%)
72 (72%)
<0,001
PTSS
Nee
Ja
37 (77%)
11 (23%)
40 (77%)
12 (23%)
77 (77%)
23 (23%)
1,000
Van de LET-ongevallen was 67% vrouw, terwijl van de HET-ongevallen dit 52% was (p=0,154). De gemiddelde leeftijd van de HET-groep lag iets lager dan die van de LET-groep (39,4 versus 35,6 jaar, p=0,260). Wanneer sprake was van een HET-ongeval werd in meer dan de helft van de cases dit in het dossier vermeld (54%), terwijl bij de LET-ongevallen dit bijna nooit werd genoteerd (4%, p<0,001). Van de 48 cliënten met een HET-ongeval bleek bij 11 (23%) een PTSS gediagnosticeerd te zijn. Bij de 52 cliënten met een LET-ongeval werd 12 maal (23%) een PTSS vastgesteld.

De logistische regressie tussen de ernst van het ongeval en het voorkomen van PTSS toonde een oddsratio (OR) van 0,99 [95%BI: 0,39-2,52] (tabel 2).

Tabel 2 Logistische regressieanalyse: het verschil in % PTSS voor HET versus LET verkeersongevallen, zonder en met correctie voor andere factoren.
HET: Hoog-Energetisch Trauma
LET: Laag-Energetisch Trauma
PTSS: Posttraumatische stressstoornis (in dit geval nog volgens DSM-IV)
OR
95% BI
p-waarde
Ongecorrigeerd: HET versus LET ongevallen
0,991
0,390 – 2,517
0,985
Correctie voor: leeftijd
1,094
0,414 – 2,893
0,856
Correctie voor: geslacht
1,036
0,402 – 2,664
0,942
Correctie voor leeftijd én geslacht
1,050
0,309 – 3,552
0,940

Van de in totaal 23 slachtoffers met PTSS kregen er 19 (83%) EMDR-therapie. De 4 slachtoffers met PTSS die geen EMDR kregen, kregen ook geen andere therapie. De verdeling tussen de 2 groepen is weergegeven in tabel 3. De OR tussen de ernst van het ongeval en het behandelen middels EMDR-therapie vanwege PTSS is 3.3 (95% CI: 0,29-38,1, p = 0,33).

Tabel 3 EMDR-therapie behandeling bij de 23 cliënten met PTSS in relatie tot de ernst van het trauma.
EMDR: Eye Movement Desensitization and Reprocessing Therapie
HET: Hoog-Energetisch Trauma
LET: Laag-Energetisch Trauma
PTSS: Post-traumatische Stress Stoornis (in dit geval volgens DSM IV)
Wel EMDR
N (%)
Geen EMDR
N (%)
Totaal
N (%)
HET verkeersongeval
10 (91%)
1 (9%)
11 (100%)
LET verkeersongeval
9 (75%)
3 (25%)
12 (100%)
Totaal
19 (83%)
4 (17%)
23 (100%)

Van 4 cliënten met EMDR-therapie was het effect onbekend. Van de overige 15 bleken er 12 (80%) effect te hebben gehad van deze therapie en 3 (20%) niet. Van de HET-slachtoffers had 89% baat van de therapie en van de LET-slachtoffers was dit 67% (tabel 4). De oddsratio tussen de ernst van het ongeval en het resultaat van EMDR-therapie is 4.0 (95% CI: 0,27-58,56, p = 0,310).

Tabel 4 Resultaat van EMDR-therapie in relatie tot de ernst van het trauma.
EMDR: Eye Movement Desensitization and Reprocessing Therapie
HET: Hoog-Energetisch Trauma
LET: Laag-Energetisch Trauma
PTSS: Post-traumatische Stress Stoornis (in dit geval volgens DSM IV)
Effect EMDR
N (%)
Geen effect EMDR
N (%)
Totaal
N (%)
HET verkeersongeval
8 (89%)
1 (11%)
9 (100%)
LET verkeersongeval
4 (67%)
2 (33%)
6 (100%)
Totaal
12 (80%)
3 (20%)
15 (100%)

Discussie

Het doel van dit onderzoek was om de prevalentie van PTSS te bepalen bij ernstige versus niet-ernstige verkeersongevallen met een letselschadeclaim, met als onderliggende onderzoeksvraag: bestaat er een relatie tussen de ernst van het doorgemaakte verkeersongeval en het ontstaan van PTSS? Tevens werd het behandelresultaat van PTSS tussen beide groepen onderzocht.
Wij vonden dat zowel in de groep met een licht verkeersongeval als in de groep met een ernstig verkeersongeval PTSS werd gevonden, en wel in 23% van de geïncludeerde verkeersongevallen. Cijfers uit de literatuur lopen uiteen van 9%6-23%7. De prevalentie uit dit onderzoek bevindt zich daarmee aan de bovengrens. Er zou in dit onderzoek nog sprake kunnen zijn van een onderschatting van de prevalentie, want dossiers met een korte looptijd (< 6 maanden) werden uitgesloten. Het is onduidelijk waarom de prevalentie in dit onderzoek zo hoog uitvalt, in vergelijking met buitenlandse cijfers.6,7 We hebben geen aanwijzingen dat in Nederland de diagnose PTSS sneller of gemakkelijker wordt gesteld.
Uit de resultaten blijkt tevens dat er geen associatie bestaat tussen het ontstaan van PTSS en de ernst van het doorgemaakte verkeersongeval. Het blijkt dat PTSS globaal even vaak voorkomt in beide groepen. Dit komt min of meer overeen met eerder internationaal onderzoek naar voorspellende factoren voor PTSS na verkeersongevallen, waarbij de ernst van het ongeval geen voorspellende factor bleek.3

Deze bevindingen zijn opvallend omdat op basis de DSM-IV-criteria2, waarbij de ernst van het ongeval een diagnosecriterium is, verwacht zou kunnen worden dat PTSS juist vaker voorkomt na ernstige verkeersongevallen. Dat dit niet het geval is, blijkt overigens ook uit de dagelijkse letselschadepraktijk waarbij er na achterop aanrijdingen zonder te objectiveren traumatisch letsel (in de regel een niet-ernstig verkeersongeval) toch regelmatig door de psychiatrisch behandelaren een PTSS gediagnosticeerd wordt. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn:

  • Behandelaren zijn geen claimbeoordelaren (medisch adviseur verzekeraar of verzekeringsarts UWV). Als een patiënt bijvoorbeeld aangeeft een verkeersongeval te hebben doorgemaakt waarbij er nadien sprake is van klachten zoals nachtmerries, herbelevingen en vermijding, ligt de diagnose PTSS voor de behandelaar voor de hand. De vraag is uiteraard of dat conform het A-criterium uit de DSM-IV ook klopt.
  • Diagnose-behandelcombinatie (DBC) gerelateerde motieven. Dat wil zeggen dat er een diagnose gesteld moet worden anders wordt de behandeling niet vergoed. Deze constructie van vergoeding kan leiden tot een laagdrempelige diagnosestelling.
Vermoedelijk is een combinatie van deze 2 aspecten in de praktijk aan de orde. Het is belangrijk dit te onderkennen, omdat de gestelde diagnose of stoornis medebepalend is bij de claimbeoordeling in de private en publieke sector (respectievelijk verzekeraar en UWV). Tenslotte is de psychiatrische voorgeschiedenis in dit onderzoek niet meegenomen als variabele (te weinig data), maar is dat wel een risicofactor voor het ontwikkelen van PTSS.5,8 Het is interessant om dit nader te bestuderen bij slachtoffers van verkeersongevallen.
Een mogelijk klinisch relevante bevinding, hoewel niet-statistisch significant in ieder geval vanwege de kleine aantallen, is dat de PTSS-slachtoffers uit de groep ernstige verkeersongevallen betere behandelresultaten van EMDR-therapie laten zien dan de PTSS-slachtoffers uit de groep niet-ernstige verkeersongevallen (OR 4,0; p=0,31). Aangezien uit de literatuur1 blijkt dat PTSS goed te behandelen is, is de vraag gerechtvaardigd of de PTSS-slachtoffers uit de groep niet-ernstige verkeersongevallen wel een juiste diagnose en behandeling gekregen hebben. Ook kan er bij de verschillende slachtoffers een hogere gradatie van PTSS aanwezig zijn, waardoor er met EMDR-behandeling gemakkelijker winst te boeken is. Overigens hebben wij geen informatie in dit onderzoek over de ernst van de PTSS van de cliënten. De aantallen in dit onderzoek zijn heel klein (23 PTSS-cliënten; 15 met een bekend behandelresultaat), waardoor deze conclusie en hypothese met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden.
Dit onderzoek heeft een aantal beperkingen: ten eerste is een medisch dossier als uitgangspunt genomen waardoor er sprake zou kunnen zijn van selectie-bias. Immers, alle verkeersongevallen zonder medisch dossier (vermoedelijk geen fysiek of psychisch letsel) zijn niet meegenomen. Dit betreffen zeer waarschijnlijk vooral niet-ernstige verkeersongevallen. Dit maakt het mogelijk dat in de data relatief meer PTSS-gevallen zijn dan onder verkeersslachtoffers mag worden aangenomen.
Ten tweede is het relatief kleine aantal gebruikte dossiers (100). Indien er bij vervolgonderzoek meer medische dossiers geïncludeerd zouden worden, zal het aantal PTSS’ers logischerwijs ook toenemen, wat de onderzoeksresultaten betrouwbaarder maakt. Bovendien levert een groter aantal geïncludeerde dossiers ook meer bruikbare gegevens op over de voorgeschiedenis (waarvan in deze studie onvoldoende informatie beschikbaar was om mee te nemen in de analyse).
Ten derde heeft dit retrospectieve cohortonderzoek als beperking dat er onbekende variabelen aanwezig kunnen zijn die het effect van behandeling van PTSS beïnvloeden, en daarmee mogelijk ook het verschil in behandelresultaat tussen beide onderzoeksgroepen. Tenslotte was het niet mogelijk om uit de beschikbare gegevens te achterhalen op welke wijze (screenend vragenlijstonderzoek, klinisch interview of beide) en door welke behandelaar de diagnose PTSS gesteld was.
Een sterk punt van dit onderzoek is de wijze van groepsindeling. Zo zijn er duidelijke criteria aangegeven wanneer een verkeersongeval een ernstig ongeval betreft en wanneer niet. Deze groepsindeling kan gebruikt worden voor vervolgonderzoek.
Uitgebreider onderzoek op dit vlak is belangrijk om specifieke actiepunten voor de verzekeringsgeneeskundige claimbeoordeling te concretiseren. Dit toekomstig onderzoek zou zich vooral moeten richten op de toetsing van de gestelde diagnose PTSS. Idealiter betreft toekomstig onderzoek een (prospectieve) cohortstudie met dezelfde groepsindeling (ernstig versus niet-ernstig verkeersongeval) en uitkomstmaten (prevalentie PTSS en effect van behandeling), maar met een groter aantal geïncludeerde dossiers. Daarbij zou het ook interessant zijn om te kijken of er verschillen in prevalentie van PTSS bestaan nu DSM-V inmiddels in gebruik is.
Concluderend heeft dit retrospectieve cohortonderzoek aangetoond dat er geen duidelijke associatie is tussen de ernst van het verkeersongeval en het ontstaan van PTSS. Wel halen PTSS-slachtoffers na een ernstig verkeersongeval – niet statistisch significant – betere behandelresultaten dan PTSS-slachtoffers na een niet-ernstig verkeersongeval. Zoals aangegeven is vervolgonderzoek naar de diagnosestelling (en door wie) van PTSS bij verkeersongevallen wenselijk. Echter, het lijkt nu al raadzaam om bij de verzekeringsgeneeskundige claimbeoordeling na verkeersongevallen de gestelde diagnose PTSS kritisch te toetsen aan de hand van de aard van het ongeval, de huidige DSM-criteria en resultaat van behandeling.
Er is geen sprake van belangenverstrengeling. Dit onderzoek werd zonder sponsering en/of fondsen uitgevoerd.

Literatuur

1.

Bisson JI, Roberts NP, et al. Psychological therapies for chronic post-traumatisch stress disorder (PTSD) in adults. Cochrane database Syst Rev. 2013; 12: CD003388.
2.

DSM-IV-TR criteria PTSS. http://www.gezondheid.nl/medische-dossiers-informatie/dsm-iv-tr-criteria-ptss. Bezocht op: 29-05-2019.
3.

Heron-Delaney M, Kenardy J, et al. A systematic review of predictors of posttraumatic stress disorder (PTSD) for adult road traffic crash survivors. Injury. 2013;44(11):1413-22.
4.

Gunst van SG. Medische achtergronden bij Triage, Hoofdstuk 1.1, Ned triage standaard. Blz 16 e.v. http://​assortiment.​bsl.​nl/​files/​e4a05eae-4d82-4c92-bf75-381ab0836dc3/​9789031391639pro​efhoofdstuk.​pdf. Bezocht: 29-05-2019
5.

Kessler RC, Aguilar-Gaxiola S, et al. The associations of earlier trauma exposures and history of mental disorders with PTSD after subsequent traumas. Mol Psychiatry 2018;23(9):1892-1899
6.

Butler DJ, Moffic HS, et al. Post-traumatic Stress Reactions Following Motor Vehicle Accidents. Am Fam Physician. 1999;60(2):524-530.
7.

Holeva V, Tarrier N, et al. Prevalence and predictors of acute stress disorder and PTSD following road traffic accidents: Thought control strategies and social support. Behavior Therapy.2001;32(1):65-83.
8.

Olff M. De posttraumatische stressstoornis: stand van zaken. Ned Tijschr Geneesk. 2013; 157: A5818.

Aandachtspunten

1.

Het kritisch toetsen van de diagnose PTSS bij de verzekeringsgeneeskundige claimbeoordeling.
2.

Vervolgonderzoek naar de diagnosestelling van PTSS bij verkeersongevallen is wenselijk.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.