Home Aandacht voor cognities en gedragingen van naasten

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Aandacht voor cognities en gedragingen van naasten

Avatar
Nicole Snippen
Avatar
Haitze de Vries
Avatar
Mariska de Wit
Avatar
Sylvia van der Burg-Vermeulen
Avatar
Sandra Brouwer
Avatar
Mariët Hagedoorn
Het wordt breed onderkend dat naasten, zoals een partner, familielid of vriend, invloed kunnen hebben op gezondheidsuitkomsten van mensen met een chronische aandoening. Door aandacht te besteden aan de invloed van naasten kunnen bedrijfs- en verzekeringsartsen werkenden met een chronische ziekte mogelijk beter ondersteunen bij het omgaan met de aandoening en om ondanks de aandoening weer te gaan werken.
In een recent systematisch literatuuronderzoek hebben we verschillende cognities en gedragingen van naasten geïdentificeerd die arbeidsparticipatie kunnen beïnvloeden.1,2 In verschillende richtlijnen en protocollen worden bedrijfs- en verzekeringsartsen eveneens geadviseerd aandacht te besteden aan de invloed van naasten en hen waar nodig te betrekken bij beoordeling en begeleiding. Het is echter niet bekend in hoeverre zij dit in hun dagelijks handelen doen en wat hun redenen zijn om hier wel of niet naar te vragen.

Doel van het onderzoek

Het doel van dit vragenlijstonderzoek was te onderzoeken in hoeverre bedrijfs- en verzekeringsartsen in hun dagelijks handelen cognities en gedragingen van naasten in kaart brengen die van invloed kunnen zijn op arbeidsparticipatie van werkenden met een chronische ziekte. Daarnaast wilden we bepalen welke factoren gerelateerd zijn aan het uitvragen van cognities en gedragingen van naasten. Ten slotte wilden we onderzoeken wat redenen van bedrijfs- en verzekeringsartsen zijn om hier wel of niet naar te vragen.

Methode

Een online vragenlijstonderzoek is uitgevoerd onder bedrijfs- en verzekeringsartsen in Nederland. Een uitnodigingsbrief voor deelname is eind 2017 per e-mail verzonden naar alle leden van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG), en de Nederlandse Vereniging van Geneeskundig Adviseurs in particuliere Verzekeringszaken (GAV). Alleen bedrijfs- of verzekeringsartsen betrokken bij beoordeling van functionele mogelijkheden of begeleiding gericht op behoud van en terugkeer naar werk van werkenden met een chronische ziekte konden deelnemen. De vragenlijst bevatte vragen over drie constructen: (1) ziektepercepties, (2) overtuigingen ten aanzien van werk en (3) gedragingen van naasten. Daarnaast is gevraagd in hoeverre deelnemers vinden dat zij over voldoende kennis, vaardigheden en hulpmiddelen beschikken om cognities en gedragingen van naasten in kaart te brengen en hier effectief op in te spelen (zelfeffectiviteit). Ook is gevraagd of het binnen de organisatie waar deelnemers werkzaam zijn gebruikelijk is om cognities en gedragingen van naasten in kaart te brengen (organisatienorm). Ten slotte is in open vragen gevraagd naar redenen van deelnemers om cognities en gedragingen van naasten al dan niet uit te vragen.

Resultaten

In totaal vulden 192 bedrijfs- en verzekeringsartsen de vragenlijst in (respons van 8.5%). De steekproef was met betrekking tot demografische kenmerken representatief voor de algemene beroepsgroep in Nederland (tabel 1).
Uit de analyses blijkt dat bedrijfs- en verzekeringsartsen niet vaak vragen naar de ziektepercepties (figuur 1) en overtuigingen ten aanzien van werk (figuur 2). Ze vragen iets vaker naar gedragingen van naasten, maar ook bij de meeste van deze items geeft een minderheid van de deelnemers aan hier vaak of altijd naar te vragen (figuur 3). Een meerderheid van de artsen geeft aan wel vaak naar praktische steun van naasten te vragen. Uit meervoudige regressie analyses bleek dat de organisatienorm en ervaren zelfeffectiviteit positief samenhangen met het uitvragen van de constructen.
Bedrijfs- en verzekeringsartsen rapporteerden verschillende redenen om al dan niet te vragen naar cognities en gedragingen van naasten (tabel 2). Ze gaven bijvoorbeeld aan naar deze factoren te vragen omdat naasten de werkende en zijn re-integratie kunnen beïnvloeden, maar ook in reactie op stagnatie of bij aanwezigheid van psychische problemen of complexe problematiek.
Aan de andere kant gaven ze aan hier niet altijd naar te vragen omdat ze niet altijd vinden dat dit relevant is of dat het zou bijdragen aan betere zorg. Ook gaven deelnemers aan dat hier niet altijd tijd voor is.

Conclusie

Ons onderzoek laat zien dat het voor de meeste bedrijfs- en verzekeringsartsen niet gebruikelijk is om te vragen naar cognities en gedragingen van naasten, hoewel ze onderkennen dat deze factoren werkuitkomsten kunnen beïnvloeden. Zowel de organisatienorm als ervaren zelf- effectiviteit lijken een rol te spelen bij hun keuze om hier wel of niet naar te vragen. Uit de reacties op de open vragen blijkt dat een goed verlopend herstel en re-integratie een belangrijke reden is voor bedrijfs- en verzekeringsartsen om niet naar cognities en gedragingen van naasten te vragen. Indien er sprake is van psychische problematiek, ernstig ziektebeeld, coping problemen en/of stagnatie van het re-integratieproces zullen bedrijfs- en verzekeringsartsen er juist sneller wel naar vragen.

Betekenis voor de praktijk

Dit vragenlijstonderzoek heeft belangrijke inzichten opgeleverd over het dagelijks handelen en de perspectieven van bedrijfs- en verzekeringsartsen ten aanzien van het betrekken van naasten bij arbeidsgerelateerde zorg. Het in kaart brengen van cognities en gedragingen van naasten kan concrete handvatten bieden om werkbehoud of werkhervatting te bevorderen.1,2 Op welke wijze dit vorm moet krijgen in de praktijk van de bedrijfs- en verzekeringsarts wordt op dit moment verder uitgewerkt binnen het lopende promotieonderzoek. In dit kader is in samenwerking met de NSPOH de e-learning Betrekken van naasten bij arbeidsre-integratie ontwikkeld. Binnen deze e-learning leren bedrijfs- en verzekeringsartsen hoe zij de invloed van naasten bij re-integratieprocessen van chronisch zieke werkenden kunnen verkennen en hier op in kunnen spelen om herstel en re-integratie te bevorderen. Hierbij worden ook hulpmiddelen geïntroduceerd die ingezet kunnen worden bij begeleiding van werkenden met een chronische ziekte. In de komende maanden wordt de e-learning geëvalueerd in een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT). Het streven is om de e-learning vervolgens op bredere schaal toegankelijk te maken. Meer informatie over de e-learning en de evaluatiestudie is te vinden op de website: . Meer informatie over het onderzoeksprogramma De werkende centraal is te vinden op de website: .
Deze tekst is een Nederlandse samenvatting van het artikel ‘Assessing significant others’ cognitions and behavioral responses in occupational health care for workers with a chronic disease’, gepubliceerd in Disability and Rehabilitation 2020, doi: 10.1080/09638288.2020.1711536. Beschikbaar via:
(open access)

Referenties

1.

Snippen NC, Vries HJ de, Burg-Vermeulen SJ van der, et al. Influence of significant others on work participation of individuals with chronic diseases: a systematic review. BMJ Open 2019;9:e021742. doi:10.1136/BMJOPEN-2018-021742.

2.

Snippen N, de Vries H, van der Burg-Vermeulen S, et al. De invloed van naasten op arbeidsparticipatie van werkenden met een chronische aandoening. Tijdschr. voor Bedrijfs- en Verzek. 2019. doi:10.1007/s12498-019-0083-x.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.