Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Bescherming tegen hepatitis B bij werkgerelateerde besmettingsaccidenten

Irene E. Goverse
A. Meima
Diverse beroepsgroepen lopen risico op een hepatitis B-infectie door een besmettingsaccident. Naast personen die medische handelingen verrichten zijn bijvoorbeeld ook politieagenten en schoonmakers risicogroepen.
Besmettingsaccidenten betreffen hier prik-, snij-, spat-, spuug- of bijtaccidenten. Iemand is volledig beschermd tegen hepatitis B na een volledige vaccinatiereeks (3 vaccinaties) en nadat voldoende antistoffen (anti-HBs) zijn aangetoond. De werkgever is verantwoordelijk voor het arbobeleid in zijn instelling of bedrijf. Bij werknemers met risico op bloed-bloedcontact, moeten werkgevers preventieve maatregelen nemen, waaronder gratis aanbod van vaccinatie, controle van de anti-HBs en de bijbehorende gegevensregistratie.1 Voor ‘risicovormers’ (onder andere snijdende beroepen) is vaccinatie verplicht, omdat zij patiënten kunnen besmetten.1-2
Besmettingsaccidenten worden verdeeld in hoogrisico-accidenten en laagrisico-accidenten. Het risico hangt samen met het van bron naar slachtoffer overgedragen bloedvolume. Bij laagrisico-accidenten zoals prikaccidenten met een subcutane insulinenaald bestaat alleen risico op hepatitis B. Bij hoogrisico-accidenten is er ook risico op HIV en hepatitis C.
De GGD Rotterdam-Rijnmond handelt jaarlijks 200 tot 300 werkgerelateerde besmettingsaccidenten af. Vaak blijken werknemers niet volledig beschermd te zijn tegen hepatitis B. Het streven is om bij voortdurend werkgerelateerd risico de bescherming tegen hepatitis B op orde te brengen. De GGD onderneemt daarom actie conform de Landelijke Richtlijn Prikaccidenten.3 Hierbij wordt de anti-HBs bepaald en/of worden (booster)vaccinaties gegeven. Indien nodig wordt aanvullend brononderzoek verricht.
Vanuit de literatuur is niet goed bekend welke specifieke beroepsgroepen onvoldoende beschermd zijn tegen hepatitis B. In een aantal studies is gekeken of werknemers zijn gevaccineerd, maar niet of ze ook daadwerkelijk volledig beschermd zijn (anti-HBs bekend).1,4-5

Hoofddoel van deze studie is inzicht verschaffen in hoe vaak actie door de GGD nodig is om bij personen met werkgerelateerde besmettingsaccidenten de hepatitis B vaccinatiestatus te controleren en zo nodig op orde te brengen en of hierin belangrijke verschillen bestaan tussen beroepsgroepen.

Methode

Werkwijze

Instellingen waar besmettingsaccidenten kunnen plaatsvinden moeten protocollen hebben. De werknemer moet contact opnemen met de GGD of een andere organisatie gespecialiseerd in de afhandeling van besmettingsaccidenten voor een risico-inschatting. De GGD Rotterdam-Rijnmond is hiervoor 24/7 bereikbaar. Bij een melding wordt het risico op hepatitis B, hepatitis C, HIV en eventueel DTP ingeschat. Iedere melder krijgt een dossier in het elektronisch cliëntensysteem. Naast aantekeningen van de anamnese wordt een vragenlijst ingevuld met kenmerken van de cliënt, het besmettingsaccident en informatie over genomen maatregelen. Er is geen risico en derhalve geen actie door de GGD nodig als bij het eerste GGD contact blijkt dat het om een laagrisicoprikaccident gaat met toereikende anti-HBs. De vragenlijst wordt dan in principe niet ingevuld.
Doel Onderzoeken hoe vaak actie nodig is door de GGD voor adequate bescherming tegen hepatitis B na werkgerelateerde besmettingsaccidenten.
Methode Bijna 2500 bij de GGD Rotterdam-Rijnmond gemelde accidenten zijn onderzocht, met als uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’ (ja/nee) en als determinanten geslacht, leeftijd en beroep van de getroffene.
Resultaten Beroep is de belangrijkste determinant: de noodzaak tot actie verschilt sterk en hoog significant tussen beroepen. De frequenties van noodzaak tot actie zijn: totaal 48%, artsen 7%, tandartsen 14%, verpleeg- en verloskundigen 21%, doktersassistenten 27%, politie 42%, tandartsassistenten 48%, verzorgenden en helpenden 50%, personen werkzaam in de uiterlijke verzorging 52%, maatschappelijk werkers 69%, schoonmakers en afvalverwerkers 84% en apotheekmedewerkers 90%. Univariate en multivariate analyse geven nagenoeg identieke resultaten.
Conclusie Bij de helft van de werkgerelateerde besmettingsaccidenten is actie nodig. De verschillen tussen beroepsgroepen zijn groot. Werkgevers wordt aanbevolen om te verifiëren of het eigen hepatitis B-vaccinatiebeleid adequaat is en om hun beleid zo nodig te verbeteren.

Studiepopulatie

Vertrekpunt vormen alle tussen 1 januari 2007 en 1 juli 2016 bij de GGD Rotterdam-Rijnmond gemelde werkgerelateerde besmettingsaccidenten. Eerst zijn accidenten met alleen een risico op tetanus (besmettingsaccident met straatvuil en aarde) en bij personen met hepatitis B-dragerschap of doorgemaakte hepatitis B-infectie geëxcludeerd. Mensen kunnen meerdere besmettingsaccidenten meemaken. In stap 2 is per persoon alleen het eerste accident geselecteerd, omdat de bescherming tegen hepatitis B daarna in principe op orde gebracht moet zijn. In stap 3 is een relatief klein aantal personen geëxcludeerd met ontbrekende informatie over leeftijd, type besmettingsaccident of onze uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’ (zie Resultaten).

Uitkomstmaat

De uitkomstmaat is ‘noodzaak tot actie’ (ja/nee). De actie kan bestaan uit het bepalen van de anti-HBs en/of hepatitis B (booster)-vaccinatie. Actie is alleen niet nodig bij personen met een besmettingsaccident die volledig gevaccineerd zijn met een bekende anti-HBs. Als iemand zijn titerhoogte niet weet, maar aangeeft dat deze ooit voldoende was, dan is de anti-HBs gelabeld als bekend. Brononderzoek wordt alleen aanvullend gedaan en blijft daarom in deze studie buiten beschouwing. Eventuele actie bij nonresponders (volledig gevaccineerd, onvoldoende anti-HBs) is niet gericht op het verhogen van de bescherming tegen hepatitis B en blijft daarom ook buiten beschouwing.

Beroep: missende gegevens

Het beroep is niet voor iedereen bekend. Dit komt vooral doordat de procedure bij de GGD één uitzondering bevatte waarbij de vragenlijst met daarin de vraag naar beroep niet ingevuld wordt: als in het eerste contact met de cliënt blijkt dat het een laagrisico prikaccident betreft met toereikende anti-HBs. Bij al deze accidenten is geen actie door de GGD nodig (uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’ = ‘nee’). Dit impliceert dat de beroepsgegevens tot op zekere hoogte selectief ontbreken. Voor alle accidenten met ontbrekend beroep zijn de aantekeningen bij de anamnese extra gecheckt omdat het beroep daarin ook genoteerd kon zijn. Desondanks ontbreekt het beroep voor deze specifieke laagrisico prikaccidenten in de uiteindelijke dataset nog vaak. Voor de andere typen besmettingsaccidenten ontbreekt het beroep veel minder vaak (tabel 1).

Tabel 1 Beroep afgezet tegen type accident voor de 2456 besmettingsaccidenten met complete informatie voor geslacht, leeftijd en type accident
a zowel apothekers als assistenten
b inclusief medewerkers van GGZ-instellingen anders dan verpleegkundigen en artsen
c o.a. pedicure, schoonheidsspecialist, tatoeëerders, uitvaartbranche
d o.a. beveiligers, detentiemedewerkers, docenten, kantoormedewerkers van een zorginstelling, medewerkers Openbaar Vervoer, personeel van winkels en restaurants en technische werknemers
bijtaccident
laagrisico prikaccident, geen actie nodig
prikaccident, overig
snijaccident
spataccident
spuugaccident
totaal
verzorgende/helpende
12
77
588
7
9
0
693
verpleeg-/verloskunde
10
28
217
6
24
1
286
doktersassistent
0
4
91
5
3
0
103
arts
0
4
54
11
4
0
73
tandartsassistent
0
1
100
3
5
0
109
tandarts
0
0
32
3
1
0
36
apotheekmedewerkera
0
0
55
0
0
0
55
maatschappelijk werkb
18
2
39
2
7
1
69
uiterlijke verzorgingc
0
2
38
5
1
0
46
politie
36
0
8
9
84
16
153
schoonmaak/afvalverwerking
1
6
177
2
1
0
187
overigd
35
3
58
6
28
9
139
subtotaal
112
127
1457
59
167
27
1949
% van totaa! met bekend beroep
6%
7%
75%
3%
9%
1%
100%
onbekend
5
355
135
3
7
2
507
% van totaa! met onbekend beroep
1%
70%
27%
1%
1%
0%
100%
totaal
117
482
1592
62
174
29
2456
De ontbrekende gegevens over beroep beïnvloeden de uitkomst hoe vaak actie nodig is niet voor de studiepopulatie als geheel, maar wel voor de verschillende beroepen. Immers, voor personen met een onbekend beroep in de dataset geldt (a) dat zij wel een beroep hadden, (b) dat zij relatief vaak een laagrisico prikaccident hadden terwijl hun anti-HBs bekend en toereikend was, en (c) dat voor hen dus relatief vaak geen actie nodig was.

Om ook voor de verschillende beroepen (beter) in te kunnen schatten hoe vaak actie nodig is, zijn de missende waarden voor het beroep ingevuld. De hiervoor gebruikte statistische techniek is imputatie. Bij imputatie wordt zoveel mogelijk informatie die wel beschikbaar is in de dataset gebruikt om de missende waarden via een voorspellingsmodel te schatten. Omdat iedere schatting met onzekerheid gepaard gaat, hebben wij het voorspellingsmodel 20 keer gedraaid.6 De voorspellers die wij hebben gebruikt zijn geslacht, leeftijd (als continue variabele), beroep (indien bekend), soort besmettingsaccident (met een extra categorie voor bovengenoemde laagrisico prikaccidenten) en de uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’. De missende waarden voor beroep zijn zo dus 20 keer geïmputeerd, hetgeen 20 nieuwe, complete datasets oplevert. De hoofdanalyse voor de uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’ is voor ieder van deze 20 datasets verricht. De 20 datasets zijn tot slot gecombineerd tot één gepoolde dataset. Omdat hierbij is gemiddeld, zijn de aantallen per beroep in de gepoolde dataset geen gehele getallen (tabel 2). De imputaties zijn verricht met SPSS 23.

Tabel 2 Kenmerken van de studiepopulatie en noodzaak van actie door de GGDa naar kenmerk voor de 2456 personen met een prikaccident in de dataset na imputatie
a Actie door de GGD is nodig bij personen die niet of onvolledig gevaccineerd zijn of als zij wel driemaal gevaccineerd zijn, maar de anti-HBs onbekend is
n
%
no. actie
nodig
%
actie
nodig
Geslacht
man
458
19%
266
58%
vrouw
1998
81%
911
46%
Leeftijd
≤ 20 jaar
166
7%
85
51%
21-30 jaar
843
34%
384
46%
31-40 jaar
489
20%
248
51%
41-50 jaar
563
23%
266
47%
51-60 jaar
354
14%
172
49%
> 60 jaar
41
2%
22
54%
Beroep
verzorgende/helpende
943,5
38%
470,1
50%
verpleeg-/verloskunde
384,8
16%
82,7
21%
doktersassistent
125,5
5%
33,3
27%
arts
93,7
4%
6,7
7%
tandartsassistent
125,5
5%
59,8
48%
tandarts
43,9
2%
6,4
14%
apotheekmedewerker
63,5
3%
57,2
90%
maatschappelijk werk
82,1
3%
56,4
69%
uiterlijke verzorging
55,0
2%
28,6
52%
politie
164,9
7%
68,5
42%
schoonmaak/afvalverwerking
219,2
9%
183,2
84%
overig
154,9
6%
124,4
80%

Statistische analyse

Gebruikte determinanten zijn geslacht, leeftijd en beroep, waarbij 12 beroepsgroepen zijn onderscheiden (tabel 1). Alleen tandartsen zijn als gehele beroepsgroep risicovormer met verplichte vaccinatie. Het type besmettingsaccident zien wij niet als voorspeller voor iemands vaccinatiestatus.
De relatie tussen de determinanten geslacht, leeftijd en beroep en de uitkomstmaat is onderzocht via univariate en multivariate logistische regressie. In het multivariate model zijn alle 3 de determinanten opgenomen. De resultaten van univariate en multivariate analyses waren nagenoeg identiek. Wij rapporteren daarom alleen univariate resultaten.
Voor personen voor wie actie nodig was, is tot slot per beroepsgroep de reden voor actie, ofwel de vaccinatiestatus nader onderzocht (niet gevaccineerd, onvolledig gevaccineerd of volledig gevaccineerd, maar anti-HBs onbekend).
De statistische analyses zijn uitgevoerd in SPSS 23. Tenzij anders aangegeven betreffen gerapporteerde p-waarden de Chi-kwadraat-toets.

Resultaten

Studiepopulatie

Er zijn 2720 besmettingsaccidenten gemeld. Na de eerste twee exclusiestappen bleven 2685 besmettingsaccidenten bij 2497 personen over. In de derde stap zijn 41 (1,6%) personen geëxcludeerd, omdat informatie ontbrak over leeftijd (11x) en/of type besmettingsaccident (11x) en/of de uitkomstmaat ‘noodzaak tot actie’ (19x). Het geslacht miste nooit. De studiepopulatie komt hiermee op 2456 personen met complete informatie voor geslacht, leeftijd, type besmettingsaccident en de uitkomstmaat.

Imputatie voor beroep

Voor 507 personen (21%) kon het beroep niet worden achterhaald en is deze geïmputeerd (‘imputatiegroep’). Tabel 1 illustreert hoe de ontbrekende informatie op beroep samenhangt met de GGD-werkwijze waarbij niet altijd een vragenlijst wordt ingevuld. Bij 355 (70%) personen met onbekend beroep betrof het een laagrisicoprikaccident en was geen actie nodig. Met deze 355 personen correspondeert een groep van 127 personen waarvoor het beroep wél bekend is: 77 (61%) waren verzorgenden en helpenden, 28 (22%) waren verpleegkundigen en verloskundigen en 22 (17%) personen hadden een ander beroep (tabel 1). Naast deze 355 personen bestaat de imputatiegroep verder uit 135 personen (27%) met een ander prikaccident en 17 personen (3%) met een bijt-, snij-, spat- of spuugincident. Via imputatie zijn aan al deze personen beroepen toegekend.

Beroepen: type besmettingsaccident

In de gepoolde dataset hebben bijna alle personen uit de zorgsector (verzorgende en helpende, verpleegkundige en verloskundige, doktersassistent, arts, tandartsassistent, tandarts, apotheek of uiterlijke verzorging) een prik- of snijaccident (1760,1/1835,1; 96%). Dit geldt ook voor schoonmakers (216,2/219,2; 99%). Bij de politie heeft het overgrote deel een bijt-, spuug- of spataccident (140,5/164,9; 85%). Bij de maatschappelijk werkers heeft twee derde een prik- of snijaccident (54,9/82,1; 67%) en een derde een bijt-, spuug- of spataccident (27,2/82,1; 33%).

Uitkomstmaat: noodzaak tot actie

Omdat alleen is geïmputeerd voor beroep, zijn geslacht, leeftijdsopbouw en de aantallen personen waarvoor wel/geen actie nodig is identiek in de originele dataset, de geïmputeerde datasets en de gepoolde dataset. De verdeling van de studiepopulatie naar beroep varieert wel tussen de geïmputeerde datasets.
Tabel 2 geeft resultaten voor de gepoolde dataset. Gemiddeld zijn personen met een besmettingsaccident 36,3 jaar oud en 81% is vrouw. Verzorgenden en helpenden melden zich het vaakst met een besmettingsaccident (38% van alle meldingen). In totaal is actie nodig voor 1177 van de 2456 personen uit de studiepopulatie (48%). De determinant leeftijd beïnvloedt de noodzaak tot actie niet (p=0,43). Ook een extra check met de t-toets liet geen effect zien (p=0,40). Bij mannen is vaker actie nodig dan bij vrouwen (58% vs. 46%, p<0,001). Voor alle beroepen waren de percentages voor noodzaak tot actie ofwel nagenoeg gelijk, ofwel hoger voor mannen.
De verschillen in noodzaak tot actie zijn het grootst voor de determinant beroep. Ook binnen de zorgsector is sprake van grote verschillen. Het minst vaak is actie nodig bij artsen (7%) en tandartsen (14%) en het vaakst bij apotheekmedewerkers (90%) en schoonmakers (84%). Voor de groep met de meeste besmettingsaccidenten, verzorgenden en helpenden, is bij 50% van de accidenten actie nodig. Bij de politie is in 42% van alle accidenten actie nodig. Bij de beroepsgroep ‘overig’ is bij 80% van de besmettingsaccidenten actie nodig.
De p-waarde voor de Chi-kwadraat toets voor beroep versus noodzaak tot actie was kleiner dan 0,001 voor alle geïmputeerde datasets. Dit onderstreept dat het soort beroep een belangrijke risicofactor is voor noodzaak tot actie.

Reden voor actie

Tot slot is de reden voor actie onderzocht. Bij het imputeren is informatie over de reden voor actie niet mee gewogen. We maken daarom gebruik van de oorspronkelijke data (tabel 3). Onder personen voor wie actie nodig is, was voor 7 van de 12 beroepsgroepen minimaal de helft helemaal niet gevaccineerd tegen hepatitis B. Het slechtst scoren apotheekmedewerkers (96%) en schoonmakers (92%). Ook binnen de medische beroepsgroepen is een aanzienlijk deel helemaal niet gevaccineerd. Hier scoren verzorgenden en helpenden (65%), verpleegkundigen en verloskundigen (42%) en tandartsassistenten (41%) het slechtst. Voor 11 van de 12 beroepsgroepen geldt dat minimaal de helft van degenen voor wie actie nodig is óf helemaal niet, óf onvolledig gevaccineerd waren. De tandartsen vormen de uitzondering: 5 van de 6 (83%) wisten alleen de anti-HBs niet. Van alle 1177 personen voor wie actie nodig was hadden 70 personen (6%) een onbekend beroep. Van hen was ongeveer de helft (49%) niet gevaccineerd en was driekwart (73%) niet of onvolledig gevaccineerd.

Tabel 3 Vaccinatiestatus naar beroep van de 1177 personen bij wie actie nodig isa,b
a Actie is nodig bij personen die niet of onvolledig gevaccineerd zijn of als zij wel driemaal gevaccineerd zijn, maar de anti-HBs onbekend is
b Resultaten van de Chi-kwadraat toets worden niet gerapporteerd omdat te veel cellen in de tabel een verwachte waarde kleiner dan 5 hebben
niet gevaccineerd
onvolledig gevaccineerd
volledig gevaccineerd, anti-HBs
onbekend
totaal
n
%
n
%
n
%
n
Beroep
verzorgende/helpende
284
65%
89
20%
66
15%
439
verpleeg-/verloskunde
33
42%
19
24%
26
33%
78
doktersassistent
10
32%
9
29%
12
39%
31
arts
2
33%
2
33%
2
33%
6
tandartsassistent
23
41%
17
30%
16
29%
56
tandarts
1
17%
0
0%
5
83%
6
apotheekmedewerker
51
96%
0
0%
2
4%
53
maatschappelijk werk
40
74%
7
13%
7
13%
54
uiterlijke verzorging
17
63%
5
19%
5
19%
27
politie
39
59%
8
12%
19
29%
66
schoonmaak/afvalverwerking
158
92%
8
5%
5
3%
171
overig
96
80%
17
14%
7
6%
120
onbekend
34
49%
17
24%
19
27%
70
Totaal
788
67%
198
17%
191
16%
1177

Beschouwing

Bij de helft van de personen die zich met een werkgerelateerd besmettingsaccident bij de GGD melden, is een vorm van actie nodig. Dit is zorgwekkend, temeer omdat de werkgever verantwoordelijk is voor het uitvoeren van een adequate Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) om het risico op besmetting door biologische agentia in kaart te brengen. Als er tijdens het werk een kans bestaat op blootstelling aan bloedoverdraagbare aandoeningen, moet de werkgever beleid ontwikkelen om dit risico te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Als het werk een risico op bloed-bloedcontact meebrengt, moet een vaccinatie tegen hepatitis B worden aangeboden en moet dit ook adequaat geregistreerd worden. Het afwegingskader Criteria voor vaccinatie van de Gezondheidsraad kan hierbij ondersteunen. Daarnaast moet de werkgever ook de afhandeling van prikaccidenten, inclusief eventuele psychosociale ondersteuning hierbij borgen.1,7-9 Zowel werkgevers in de medische als niet-medische sector zijn verplicht om deze maatregelen gratis aan te bieden.
De verschillen tussen de medische beroepsgroepen zijn groot. Bij de artsen is in 7% van de meldingen actie nodig tegenover 50% bij verzorgenden en helpenden. In de andere sectoren is actie nodig bij 42% van de politie, 69% van de maatschappelijk werkers en 90% van de apotheekmedewerkers. Zorgelijk is ook dat bij 84% van de schoonmakers en afvalverwerkers actie nodig is. Nadere analyse van de data leert dat bijna twee derde van hen werkt in een medische setting, de thuiszorg of het maatschappelijk werk.
De hypothese dat bij personeel in de medische sector de vaccinatiestatus wel redelijk op orde is, maar de anti-HBs niet bekend zou zijn, moet worden verworpen: actie is meestal nodig omdat zij niet of onvolledig gevaccineerd zijn. Vaccinatie gevolgd door controle van de anti-HBs is dan geïndiceerd. Tandartsen vormen een uitzondering: 5 van de 6 met benodigde actie wisten hun anti-HBs niet. Dit hoort niet: zij zijn risicovormers waardoor vaccinatie én controle van de anti-HBs verplicht zijn.2

Sterke punten en beperkingen

Naast de vaccinatiegraad hebben wij voor werkgerelateerde besmettingsaccidenten ook de anti-HBs gecheckt. De bescherming tegen hepatitis B wordt overschat als de anti-HBs wordt genegeerd. Andere studies die de anti-HBs meenemen hebben wij niet gevonden in de (inter)nationale literatuur.
Een beperking van de studie is dat de vragenlijst voor een specifieke groep besmettingsaccidenten niet is ingevuld. Dit was volgens de GGD-procedures ook niet nodig. Bij deze accidenten is het beroep daarom relatief vaak onbekend. Ontbrekende beroepen zijn geïmputeerd. Dit geeft tot op zekere hoogte bias als de beroepsverdeling voor personen met een bekend beroep niet representatief is voor personen met een onbekend beroep. De ontbrekende informatie beïnvloedt de conclusie dat actie nodig is voor de helft van de studiepopulatie (48%) niet. Het beroep wordt inmiddels wel standaard geregistreerd voor werkgerelateerde besmettingsaccidenten.

Wij kunnen niet vaststellen in hoeverre de beschermingsgraad tegen hepatitis B in onze studiepopulatie representatief is voor alle medewerkers met een besmettingsaccident. Er bestaat geen informatiesysteem waarin alle besmettingsaccidenten in het werkgebied van onze GGD worden geregistreerd. De kans is aanwezig dat medewerkers met een goede bescherming tegen hepatitis B zich na een besmettingsaccident minder vaak melden bij de GGD. Anderzijds kan er ook risico zijn op HIV en hepatitis C en kunnen werknemers het gelopen risico vaak lastig inschatten. De meeste zorginstellingen schrijven dan ook voor dat werknemers zich altijd melden bij de GGD of een andere instantie.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0059-x/MediaObjects/12498_2019_59_Fig2_HTML.jpg
Ook los van de representativiteitsvraag vinden wij de conclusie dat voor de helft van onze studiepopulatie actie nodig is om de bescherming tegen hepatitis B te controleren en zo nodig op orde te brengen zorgwekkend. In onze studiepopulatie gaat het hierbij om 1177 medewerkers over een periode van 9,5 jaar, ofwel om ongeveer 125 medewerkers per jaar.
Ziekenhuizen handelen besmettingsaccidenten van eigen medewerkers zelf af. Wij hebben de mate van bescherming van medisch personeel in ziekenhuizen daarom niet onderzocht.

Vervolgonderzoek en aanbevelingen

Verder onderzoek binnen de beroepsgroepen is nodig om na te gaan of personen die zich met een besmettingsaccident melden bij de GGD representatief zijn voor de gehele beroepsgroep. Hopelijk moedigt dit onderzoek werkgevers nu al aan om in lijn met hun verantwoordelijkheid een adequate Risico-Inventarisatie & Evaluatie uit te voeren en passend beleid te formuleren. Het is nodig om te bepalen welk personeel risico loopt op hepatitis B, bij hen de vaccinatiestatus zo nodig op peil te brengen en dit adequaat te registreren. Hiermee worden niet alleen hepatitis B-infecties, maar ook onnodige onrust en extra kosten voorkomen.

Conclusie

Deze studie laat zien dat bij personen die zich met werkgerelateerde besmettingsaccidenten bij de GGD melden vaak actie nodig is om de bescherming tegen hepatitis B te controleren en zo nodig op orde te brengen. Tussen beroepsgroepen zijn de verschillen in de mate waarin actie door de GGD nodig is groot. Werkgevers wordt aanbevolen om te verifiëren of het eigen hepatitis B-vaccinatiebeleid adequaat is en om hun beleid zo nodig te verbeteren.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-019-0059-x/MediaObjects/12498_2019_59_Fig3_HTML.jpg
De auteurs verklaren dat er geen sprake is van (financiële) belangenverstrengeling.

LITERATUUR

1. Prikaccidenten in de arbeidssituatie. Bilthoven: LCI/RIVM; 2008.
2. Landelijke richtlijn preventie transmissie van hepatitis B van medisch personeel naar patiënten. Bilthoven: LCI/RIVM;2012.
3. Landelijke richtlijn prikaccidenten. Bilthoven: LCI/RIVM;2007.
4. Vos D, Götz HM, Richardus JH. Needlestick injury and accidental exposure to blood: the need for improving the hepatitis B vaccination grade among health care workers outside the hospital. Am J Infect Control. 2006;34:610-2.
5. Kidgell-Koppelaar I, Wijk van P, Pelk M, et al. De implementatie van hepatitis B vaccinatie en andere adviezen bij de nazorg van prikaccidenten. Infectieziekten Bulletin 2004;15:219-23.
6. Lee KJ, Simpson JA. Introduction to multiple imputation for dealing with missing data. Respirology 2014;19:162-67.
7. Praktijkrichtlijn voor bedrijfsartsen: hepatitis B vaccinatie van risicolopend personeel dat geen risicovormer is. Bilthoven: LCI/RIVM; 2016.
8. Arbeidsomstandighedenbesluit. (Hoofdstuk 4, Artikel 4.1-4.2). Den Haag: 1997.
9. Advies Werknemers en Infectieziekten – Criteria voor vaccinatie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2014.

Aandachtspunten

  • De werkgever is verplicht om de bescherming van zijn werknemers tegen hepatitis B adequaat te organiseren.
  • Er kan pas gesproken worden van volledige bescherming tegen hepatitis B als mensen 3 keer gevaccineerd zijn én de anti-HBs bekend is.
  • Werkgevers wordt aanbevolen om te verifiëren of het eigen hepatitis B-vaccinatiebeleid adequaat is en om hun beleid zo nodig te verbeteren.
  • ‘Risicovormers’, waaronder tandartsen, voeren handelingen uit waarbij zij de patiënt met hepatitis B kunnen besmetten als zij onverhoopt hepatitis B zouden hebben. Daarom zijn zij verplicht om zich te laten vaccineren en te controleren of zij voldoende beschermd zijn.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.