Home Hoe kan overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen het best worden vormgegeven?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Hoe kan overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen het best worden vormgegeven?

Avatar
Jerry Spanjer
Avatar
Femke Abma
Avatar
Kees Benus
De eerste twee jaar wordt een verzuimende werknemer begeleid door een bedrijfsarts, daarna volgt een beoordeling door de verzekeringsarts van het UWV. De werknemer is er uiteraard bij gebaat dat de begeleiding in de eerste twee jaar verzuim goed aansluit bij de claimbeoordeling voor de WIA. Een overlegmoment tussen bedrijfs- en verzekeringsarts (BAVA-overleg) in die eerste twee jaar lijkt daarom zinvol.1
Uit een pilotonderzoek bleek dat bedrijfs- en verzekeringsartsen een dergelijk overleg nuttig vinden en dat het overleg in de praktijk goed haalbaar is.1 De bedrijfsartsen geven aan dat het nut met name ligt in het feit dat de regels en procedures duidelijker zijn, dat er een check op hun visie is en ze kunnen sparren over een casus. Tevens blijkt dat een dergelijk overleg regelmatig aanleiding geeft het beleid voor wat betreft de re-integratie aan te passen. Daarom werd geadviseerd het BAVA-overleg standaard in te voeren. De onderzoeksvraag in dit artikel is hoe een BAVA-overleg in de praktijk het beste kan worden vormgegeven.

Methode

In de eerste fase van de BAVA-pilot, die van 1 januari 2019 tot 1 april 2019 duurde, overlegden 27 bedrijfsartsen met een verzekeringsarts over alle cliënten die in deze periode een jaar verzuimden. In totaal 4 verzekeringsartsen overlegden elk met 5 tot 8 vaste bedrijfsartsen. Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksopzet en resultaten van deze pilot wordt verwezen naar eerdere artikelen.1,2 Na afloop van deze eerste fase werd door de bedrijfs- en verzekeringsartsen een vragenlijst ingevuld en werd een focusgroep georganiseerd.
Omdat alle bedrijfsartsen die aan de eerste fase van de pilot deelnamen het overleg met de verzekeringsarts graag wilden continueren werd de pilot verlengd met een tweede fase. De bedrijfsartsen leek het niet nuttig om alle eenjaar-verzuimers te bespreken en daarom werden alleen verzuimende werknemers besproken op initiatief van de bedrijfsarts. Deze tweede fase van de pilot was aansluitend aan de eerste fase en duurde van 1 april 2019 tot 1 augustus2019. Het betrof dezelfde bedrijfs- en verzekeringsartsen als in de eerste fase van de pilot. Gegevens van elk overleg tussen de artsen in deze periode werden verzameld.

De vragenlijst

Na afloop van de eerste fase van de pilot, waarin alle eenjaar-verzuimers werden besproken, vulden de bedrijfs- en verzekeringsartsen een vragenlijst in. In een eerder artikel werd besproken wat de artsen zagen als nut en doel van het overleg.1
In dít artikel wordt besproken wat volgens de bedrijfs- en verzekeringsartsen de meest efficiënte overlegvorm is (alle eenjaar-verzuimers en op indicatie, alleen op indicatie bedrijfsarts); wat de gemiddelde duur van een casusoverleg is (minuten); of dit acceptabel is (ja, nee); hoe vaak het overleg moet plaatsvinden (frequentie en duur); of het binnen de organisatie past (ja, nee) en wat succesfactoren en belemmeringen zijn. De bedrijfsartsen werd gevraagd of ze gebruik willen blijven maken van het overleg (ja, nee) en of het overleg declarabel is (nee, soms, meestal). De verzekeringsartsen of ze het overleg een plezierige taak vinden (absoluut niet, niet bijzonder, gaat wel, erg leuk).

De focusgroep

Na afloop van de eerste fase van de pilot werd een focusgroepbijeenkomst met de deelnemende bedrijfs- en verzekeringsartsen georganiseerd. Alle 27 bedrijfsartsen en de vier verzekeringsartsen werden uitgenodigd. Elke verzekeringsarts besprak met de bedrijfsartsen met wie in de pilot overleg was geweest een aantal vaste onderwerpen. In een eerder artikel werd besproken wat ze zagen als nut en leerpunten van het overleg.1WIA-claimbeoordeling.
Niet alle bedrijfsartsen maken gebruik van het overleg.
Geadviseerd wordt in elk geval te overleggen als de
bedrijfsarts re-integratie belemmerendeIn dít artikel wordt besproken welke cliënten volgens de bedrijfs- en verzekeringsartsen nuttig zijn om te bespreken, hoe het overleg in de praktijk het meest efficiënt ingericht kan worden en hoe vaak de artsen denken dat het overleg naar inschatting in de praktijk plaats zal vinden. Na afloop werden deze onderwerpen plenair besproken.

Gegevens van de overleggen

In de tweede fase van de pilot van 1 april 2019 tot 1 augustus 2019 werden in het BAVA-overleg verzuimende werknemers besproken op initiatief van de bedrijfsarts. Nadat via e-mail een afspraak was gemaakt met de vaste contactverzekeringsarts volgde telefonisch overleg over een of meerdere cliënten. Per cliënt werden gegevens verzameld over de verzuimduur; de duur van het overleg (minuten); de vraag van de bedrijfsarts (belastbaarheid, begeleiding, behandeling, anders en de concrete vraag); of het overleg heeft geleid tot verandering van belastbaarheidsprofiel of re-integratie beleid (ja, nee, weet niet); of het overleg een deskundigenoordeel, loonsanctie, WIA-aanvraag heeft voorkomen (ja, nee, misschien); of het overleg een deskundigenoordeel, verkorte WIA in gang heeft gezet (ja, nee, misschien) en of het overleg nut heeft gehad (ja namelijk, nee omdat).
Tevens werd de vier de verzekeringsartsen mondeling gevraagd naar hun ervaringen in die vier maanden.

Resultaten

De vragenlijsten

De vragenlijst na afloop van de eerste fase van de pilot werd door alle vier verzekeringsartsen en 17 van de 27 bedrijfsartsen (63%) ingevuld.

Het overleg

Van de bedrijfsartsen acht 82% het overleg alleen op indicatie van de bedrijfsarts nuttig, 18% acht het nuttig ook alle eenjaar-verzuimers te overleggen. De vier verzekeringsartsen achten het overleg alleen nuttig op indicatie van de bedrijfsarts en schatten in gemiddeld 11,8 minuut per casusoverleg kwijt te zijn (range 7-15). Bedrijfsartsen schatten in dat dit inclusief voorbereiding, overleg en nawerk gemiddeld 22,2 minuten is (sd 10,5, range 10-52). Alle artsen geven aan dat dit acceptabel is in de praktijk. 88% van de bedrijfsartsen en alle vier verzekeringsartsen geven aan dat het overleg goed binnen hun organisatie past. Alle bedrijfsartsen willen graag gebruik blijven maken van het overleg. Dit overleg zouden de bedrijfsartsen in de praktijk gemiddeld 1,2 maal per maand willen voeren (sd 0,78, range 0,4-3,0) en gemiddeld 35,2 minuten (sd 19,1, range 10-60). Verzekeringsartsen stellen voor per verzekeringsarts vier keer per maand 15-40 minuten te besteden aan het overleg of één keer per maand een dagdeel. Alle bedrijfsartsen willen graag gebruik blijven maken van de mogelijkheid tot overleg en 82% geeft aan dat ze verwachten dat het overleg soms tot meestal declarabel is bij de opdrachtgever. Op de vraag of ze het overleg een plezierige taak vinden geeft 50% van de verzekeringsartsen aan het erg leuk te vinden en 50% ‘gaat wel’.

Succesfactoren en belemmeringen

Als factoren die essentieel zijn voor het slagen van het overleg worden door bedrijfs- en verzekeringsartsen genoemd dat het van belang is dat er sprake is van wederzijds respect en gelijkwaardigheid en dat beide partijen open naar elkaar zijn en van elkaar willen leren. Het heeft de voorkeur dat de artsen kennis met elkaar hebben gemaakt en dat er vaste overlegkoppels zijn. Verder moeten er korte lijnen zijn (e-mailadres en telefoonnummers moeten bekend zijn) en moeten beide partijen voldoende tijd inruimen voor het overleg. Het is belangrijk dat de bedrijfsarts de dossiers goed voorbereidt zodat het overleg efficiënt kan verlopen.
Verzekeringsartsen geven aan dat het overleg efficiënter kan dan in de pilot. Omdat bedrijfsartsen ingepland overleg soms op het laatste moment afzegden had de verzekeringsarts voor niets ruimte in de agenda vrij gepland en soms had de bedrijfsarts de casus slecht voorbereid en ging daardoor tijd verloren. Goede afspraken en voorbereiding zijn daarom nuttig.
Mogelijk knelpunt van het overleg is het feit dat de verzekeringsarts afhankelijk is van de informatie die de bedrijfsarts geeft. De bedrijfsartsen noemen als knelpunt het feit dat het oordeel van de verzekeringsarts met wie wordt overlegd heel anders kan zijn dan het oordeel van de verzekeringsarts die de uiteindelijke claimbeoordeling verricht.

De focusgroep

Drie van de vier verzekeringsartsen (75%) en elf van de 27 bedrijfsartsen (41%) namen deel aan de groepsbespreking. De artsen achten het BAVA-overleg alleen nuttig op indicatie van de bedrijfsarts tijdens de gehele ziekteperiode (dus niet alleen rondom een jaar arbeidsongeschiktheid). Een minderheid van de bedrijfsartsen acht het nuttig om alle cliënten rond een jaar verzuim te overleggen als een soort aandachtsmoment en check.
De artsen achten telefonisch overleg in de praktijk het meest efficiënt, maar vinden het wel prettig elkaar fysiek te kennen en vaste koppels hebben daarom de voorkeur. De bedrijfsarts kan via e-mail een afspraak maken en daarbij een inschatting geven van de overlegduur (afhankelijk van het aantal cliënten en de moeilijkheidsgraad). De bedrijfsarts moet de casus goed voorbereiden, kan een korte samenvatting geven en heeft een duidelijke vraag. De verwachting is dat overleg per bedrijfsarts afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de casus gemiddeld 15 minuten per keer (range 5-20) en ongeveer één maal per maand zal plaatsvinden. Maximaal zou een telefonisch overleg 45-60 minuten moeten duren waarin 3-4 cliënten overlegd kunnen worden.
Nu de pilot is afgelopen willen alle aanwezige bedrijfs- en verzekeringsartsen graag een voortzetting van de mogelijkheid tot overleg.

Gegevens van de overleggen

In de vier maanden van de tweede fase van de pilot werden op initiatief van de bedrijfsarts 29 cliënten besproken met een gemiddelde verzuimduur van 11,6 maanden (sd 6,7; range 1-30). In totaal 10 van de 27 (37%) bedrijfsartsen hebben in de vier maanden overleg gehad met een verzekeringsarts. De duur van het overleg was gemiddeld 9,5 minuten per casus (sd 3,5 range 5-20 min). Vier bedrijfsartsen bespraken meerdere casussen per overleg (1×3 en 2×4 en 1×9 casussen, overlegduur totaal 2×30, 1×40 en 1×74 minuten), de anderen bespraken een geval per keer. Drie bedrijfsartsen hadden in de periode twee maal overleg, de rest eenmaal.

Eén verzekeringsarts heeft in vier maanden 16 casussen besproken de andere drie 4 tot 5. De verzekeringsarts kon alle vragen van de bedrijfsartsen beantwoorden, eenmaal werden collega-verzekeringsartsen in consult gevraagd.
De vraag van de bedrijfsarts betrof in 43% van de gevallen een vraag over de belastbaarheid, in 53% van de keren over begeleiding, in 3% van de gevallen over behandeling en 20% van de keren iets anders (meerdere mogelijk). Inhoudelijk ging de vraag van de bedrijfsarts over al of niet inzetten van spoor 2 (33%), het invullen van het belastbaarheidspatroon (20%), aanvraag van een verkorte wachttijd voor de WIA (13%), duurbelastbaarheid (17%), advies over begeleiding of behandeling (10%) en het stellen van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (3%). Daarnaast wilde de bedrijfsarts graag een check op zijn visie (3%) of was er sprake van een andere vraag (6%).
Het gevolg van de pilot was dat het belastbaarheidspatroon in 28% van de gevallen werd aangepast; het beleid in 50% van de gevallen werd aangepast; mogelijk een deskundigenoordeel (14%), loonsanctie (35%), of WIA aanvraag (17%) werd voorkomen; een deskundigenoordeel of een WIA met verkorte wachttijd (7%) werd aangevraagd.
De artsen gaven aan dat het nut van het overleg ligt in het met elkaar sparren over een casus (52%), dat de verzekeringsarts de regels en richtlijnen kan toelichten (21%), dat de bedrijfsarts zijn beleid kan checken (14%) of in andere redenen (13%).
De vier verzekeringsartsen geven aan dat er duidelijk minder overleg is dan verwacht. Als mogelijke oorzaken hiervoor zien ze de volgende redenen: in de drie maanden van de eerste fase van de pilot hebben de bedrijfsartsen veel geleerd over regels en richtlijnen en waarschijnlijk is daardoor minder overleg nodig; verder zit het nog niet in het systeem van de bedrijfsarts dat overleg mogelijk is en is tijdsdruk een mogelijke factor. Twee verzekeringsartsen stellen voor om standaard overleg in te voeren als er sprake is van zaken die de re-integratie van een cliënt kunnen belemmeren zoals beperkingen in duurbelastbaarheid, geen benutbare mogelijkheden of arbeid blokkerende beperkingen en niet inzetten van tweede spoor na een jaar verzuim. Verder is het prettig als per overleg maximaal drie casussen worden overlegd.

Beschouwing

Belangrijkste bevindingen

De artsen geven aan dat een telefonisch overleg het meest efficiënt is en alleen wanneer de bedrijfsarts verwacht dat een overleg nut zal hebben. Het lijkt verstandig het overleg te beperken tot maximaal 3-4 cliënten per keer.
De inschatting van artsen is dat het overleg per casus ongeveer 10 minuten kost, dit komt overeen met de tijdsduur van het overleg in de praktijk. Bedrijfsartsen geven aan dat ze in totaal ongeveer 20 minuten denken kwijt te zijn per casus mede in verband met voorbereiding van het overleg. De inschatting dat per bedrijfsarts het BAVA-overleg op indicatie van de bedrijfsarts ongeveer eenmaal per maand plaatsvindt, komt niet overeen met de praktijk. Slechts 37% van de deelnemende bedrijfsartsen heeft overleg gehad in vier maanden tijd en de artsen die overleg hadden overlegden slechts één of twee keer in die periode. De helft van de bedrijfsartsen besprak wel twee of meer casussen.
Het overleg wordt door beide partijen als positief ervaren. Voorwaarden voor een goed overleg zijn een goede voorbereiding van het dossier door de bedrijfsarts, een open houding van beide partijen en duidelijke afspraken (waar de deelnemers zich ook aan moet houden).
Als kanttekening wordt door de bedrijfsartsen aangegeven dat het advies van de verzekeringsarts anders kan zijn dan het oordeel van de verzekeringsarts die de uiteindelijke claimbeoordeling verricht.
De bedrijfs- en verzekeringsartsen geven aan dat het nut van het BAVA-overleg met name ligt in het sparren over een casus en het toelichten van regels. De belangrijkste vragen die bedrijfsartsen hebben, gaan over het vastleggen of beoordelen van belastbaarheid (43%) en begeleiding (53%) en dan met name over het inzetten van spoor twee. Het overleg op indicatie van de bedrijfsarts leidde in 50% van de gevallen tot aanpassing in beleid en in 28% van de gevallen tot aanpassing van het belastbaarheidspatroon.

Bespreking

Zowel bedrijfs- als verzekeringsartsen geven aan dat het overleg nuttig is, maar alleen op indicatie van de bedrijfsarts. Toch bleek uit de eerste fase van de pilot, waarbij alle eenjaar-verzuimers werden besproken, dat als de bedrijfsarts inschat dat het overleg niet of nauwelijks nut heeft in 63% het overleg achteraf toch nuttig is en dat in 19% mogelijk een loonsanctie werd voorkomen.1 Dit pleit ervoor om alle eenjaar-verzuimers te overleggen. Echter, de artsen geven ook aan dat er sprake was van een leereffect in deze pilot waarin veel werd geleerd over de regels en richtlijnen. Mogelijk dat de bedrijfsartsen daardoor beter kunnen inschatten wanneer een overleg nuttig is. Aanbieden van een nascholing van de belangrijkste regelgeving, waaronder regels over inzet van spoor 2, lijkt daarom zinvol.
In de vier maanden van de tweede fase van de pilot waarin alleen casussen werden overlegd op indicatie van de bedrijfsarts werd relatief weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot overleg. Onderzoek naar de oorzaak hiervan is interessant, maar het voorstel van de verzekeringsartsen om overleg in elk geval te overwegen als re-integratie belemmerende adviezen worden gegeven, lijkt het zinvol om het overleg op het netvlies te houden. Dit geldt met name voor beperkingen in de duurbelastbaarheid, geen benutbare mogelijkheden of arbeid blokkerende beperkingen en niet inzetten van tweede spoor naar een jaar verzuim.
Dat het overleg nut heeft, zeker bij een moeilijke casus blijkt uit het feit dat 50% van de overleggen op indicatie van de bedrijfsarts leidt tot aanpassing van het beleid en 28% tot aanpassing van het belastbaarheidspatroon. Het is te verwachten dat de begeleiding in de eerste twee verzuimjaren daardoor meer aansluit bij de claimbeoordeling voor de WIA. Niet alleen worden hierdoor loonsancties voor de werkgever voorkomen, maar ook de werknemer is erbij gebaat omdat te verwachten is dat de re-integratie optimaal verloopt en dat er minder teleurstellingen zijn bij de WIA-claimbeoordeling.

Sterke en zwakke punten

Sterk punt van dit onderzoek is dat dit de eerste keer is dat een dergelijk onderzoek is verricht en dat het onderzoek heeft plaatsgevonden in de dagelijkse praktijk. Als beperking kan genoemd worden dat het onderzoek met een beperkt aantal artsen die zichzelf hebben aangemeld heeft plaatsgevonden en alleen in het noorden van Nederland. Het lijkt daarom interessant om te onderzoeken of de gevonden resultaten ook gelden voor bijvoorbeeld artsen die zichzelf niet aanmelden en in andere delen in het land.

Adviezen voor de praktijk

Het lijkt zinvol de mogelijkheid tot BAVA-overleg op indicatie van de bedrijfsarts landelijk in de voeren, met name ook als de bedrijfsarts re-integratie belemmerende adviezen overweegt te geven. Telefonisch overleg van maximaal 3-4 cliënten is daarbij de meest efficiënte vorm. Om goed in te schatten wanneer overleg nuttig is, lijkt het aanbieden van scholing voor bedrijfsartsen met betrekking tot specifieke regels en richtlijnen zinvol. Een van de verzekeringsartsen die deelnam aan de pilot had voor de bedrijfsartsen samenvattingen van belangrijke regelgeving (met betrekking tot toekenning van verkorte wachttijd voor de WIA, duurbelastbaarheid in arbeid en wanneer een tweedespoortraject achterwege kan blijven) en belangrijke definities die door UWV worden gehanteerd (met betrekking tot de begrippen vasthouden en verdelen van de aandacht, zelfstandig en doelmatig handelen, herinneren en handelingstempo) op schrift gesteld. Dit gaf veel duidelijkheid en kon als handvat gebruikt worden bij het overleg.

Conclusie

Telefonisch overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsarts wordt door beide partijen als positief ervaren. Het overleg op indicatie van de bedrijfsarts leidde in 50% van de gevallen tot aanpassing in beleid en in 28% van de gevallen tot aanpassing van het belastbaarheidspatroon. Met name de werknemer is gebaat bij een dergelijk overleg omdat te verwachten is dat begeleiding in de eerste twee verzuimjaren dan beter aansluit bij de WIA-claimbeoordeling.
Niet alle bedrijfsartsen maken gebruik van het overleg. Geadviseerd wordt in elk geval te overleggen als de bedrijfsarts re-integratie belemmerende adviezen overweegt te geven.

Literatuur

1.

Spanjer J, Abma FI, Benus K. Overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsarts: Deel I onderzoeksopzet van de BAVA-pilot. Tijdschr Bedrijfs-Verzekeringsgeneeskunde 2020;25:64-67.
2.

Spanjer J, Abma FI, Benus K. Overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsarts: Deel II resultaten van de BAVA-pilot. Tijdschr Bedrijfs-Verzekeringsgeneeskunde 2020;25:68-73.

Samenvatting

In een pilotonderzoek bleek dat bedrijfs- en verzekeringsartsen onderling overleg nuttig vinden en dat dit overleg in de praktijk goed haalbaar is. We onderzochten hoe een dergelijk overleg in de praktijk het beste kan worden vormgegeven. In een tweede fase van de pilot overlegden in totaal 27 bedrijfsartsen gedurende vier maanden alleen casussen op initiatief van de bedrijfsarts zelf. Gegevens werden verzameld door middel van vragenlijsten, een focusgroep en het verzamelen van gegevens van de overleggen zelf. De artsen geven aan dat telefonisch overleg op indicatie van de bedrijfsarts de meest efficiënte overlegvorm is en dat blijkt in de praktijk tot wederzijdse tevredenheid te werken. Het overleg duurt ongeveer 10 minuten per casus. Het overleg leidt in 50% van de gevallen tot aanpassing van het beleid en in 28% van de gevallen tot aanpassing van het belastbaarheidspatroon. Het is te verwachten dat de begeleiding in de eerste twee verzuimjaren daardoor meer aansluit bij de claimbeoordeling voor de WIA.

Aandachtspunten:

  • Telefonisch overleg tussen bedrijfs- en verzekeringsarts op indicatie van de bedrijfsarts is de meeste efficiënte overlegvorm. Per casus kost het overleg tien minuten.
  • Van de mogelijkheid tot overleg met de verzekeringsarts maken slechts 37% van de bedrijfsartsen gebruik.
  • Bij casus overleg op indicatie van de bedrijfsarts leidt dit BAVA-overleg in 50% tot beleidsaanpassingen door de bedrijfsarts.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.