Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

‘Verzekeringsarts neem de regie, dit is je kans!’

Diederik Wieman
Wim Otto
Verzekeringsarts Chantal Gielen is per oktober vorig jaar benoemd tot medisch adviseur bij UWV SMZ. Ze volgt in die functie Herman Kroneman op die met pensioen gaat. In een dubbelinterview geven zij hun visie op de toekomst van de verzekeringsgeneeskunde binnen UWV. Een toekomst waarin de verzekeringsarts een regierol heeft, re-integratie centraal staat en de claimbeoordeling faciliterend is aan terugkeer naar werk.

 

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-022-2045-y/MediaObjects/12498_2022_2045_Fig1_HTML.jpg
Herman Kroneman en Chantal Gielen.
Een cultuurschok. Dat woord schiet Herman Kroneman te binnen als hij terugdenkt aan zijn eerste tijd als verzekeringsarts. Van de hectische ziekenhuiswereld met zijn protocollen, richtlijnen en evidencebased handelen, naar de relatieve kalmte en regelmaat van het sociaal-medisch werkterrein. Vooral het ontbreken van evidencebased handelen verbaasde hem destijds.
‘Je had wel intervisieclubjes, maar over het algemeen werden inzichten niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Het was meer consensusbased zonder wetenschap van wetenschap. Dat heeft mij wel getriggerd om wetenschap te introduceren in de verzekeringsgeneeskunde. Ik zag ook de noodzaak daartoe. Na jaren van wetsaanpassingen en stelselwijzigingen bleven de volumes maar toenemen. De ogen richtten zich daarom steeds meer op de uitvoeringspraktijk: doet die verzekeringsarts het eigenlijk wel goed? Er verschenen in toenemende mate krantenartikelen over verzekeringsartsen met slappe knieën. Toen dacht ik: dit is het moment om een wetenschappelijk fundament aan te brengen onder de verzekeringsgeneeskunde. Doen we dat niet, dan worden we uitgespeeld.’ Alhoewel hij daarom al in de jaren negentig gesprekken had met universiteiten en diverse plannen maakte, kwam het niet van de grond. De aandacht ging vooral uit naar wat komen ging: het opgaan van de uitvoeringsorganisaties in UWV. ‘De stoelendans was volop bezig en niemand had aandacht voor academisering. Over dat onvoldoende draagvlak was ik best teleurgesteld, want de tijd begon te dringen.’

Valkuilen

Met de oprichting van het KCVG in 2005 werd alsnog die wetenschappelijke basis onder het vak gelegd. Maar Chantal Gielen waarschuwt: ‘De valkuilen van toen bestaan nog steeds. Er is weliswaar een stevig fundament, maar ook nu moeten we opletten dat we niet worden overschaduwd door de waan van de dag. We moeten ook met wetenschappelijk onderzoek blijven investeren in de toekomst van het vak.’ Beiden zien volop kansen en mogelijkheden, vooral als wetenschap en praktijk elkaar nog beter weten te vinden.
Gielen: ‘Als je in de uitvoering ergens tegenaan loopt is het heel mooi als je daar via wetenschappelijk onderzoek oplossingen voor kunt aandragen. Andersom moet de wetenschap zelf ook onderzoek initiëren en de resultaten teruggeven aan de uitvoering. Zo kom je erachter of er nog steeds voldoende onderbouwing is voor wat je doet en of je nog steeds de juiste dingen doet. Het is ook belangrijk omdat het klimaat om ons heen continu verandert. Daar moet je je werkwijze telkens op afstemmen. De trias bestaat uit beleid, onderzoek en opleiden. Dat moet met elkaar verweven zijn.’
‘Een case inplannen, beoordelen en basta?
Dat is geen leercirkel’

Afstand verkleinen

Kroneman vindt dat het wetenschappelijk onderzoek in de verzekeringsgeneeskunde een zekere graad van volwassenheid heeft bereikt, maar voor echte slagkracht moet er volgens hem veel meer interactie komen tussen academische werkplaatsen, KCVG en UWV. ‘Ik denk en vind dat we een fase in moeten gaan waarin het KCVG meer betrokken wordt bij de organisatieontwikkeling. Onderzoek is tot nu toe nog te veel blijven hangen in vrijblijvende vragen en de welwillendheid van universiteiten om daar een antwoord op te componeren. We moeten ervaren dat het betrekken van onderzoekers bij de organisatieontwikkeling ons verder brengt en ons helpt bij waar we naar toe willen. Evaluatieonderzoek bijvoorbeeld is in dit verband heel waardevol en biedt handvatten voor doorontwikkeling.’ Wanneer onderzoek en praktijk dichter tot elkaar komen heeft dat ook een positief effect op de implementatie, vindt Gielen. ‘Daar liggen nu vaak problemen, maar als je aansluiting bij elkaar zoekt en je komt met de oplossing voor een actueel probleem, dan hoef je niet te vechten om die over de bühne te krijgen.’ Maar tot op heden is er nog te veel afstand, vindt ook zij. ‘De agenda van de universiteit is altijd leidend geweest, het zou mooi zijn als er wat meer afstemming is met de praktijk.’

Werken vanuit de klantreis

Samenwerking is sowieso een belangrijk thema. Niet alleen tussen praktijk en wetenschap, maar ook tussen de divisies en verschillende vakgebieden. ‘We zouden veel meer vanuit de klantreis moeten werken’, stelt Gielen. Maar om het traject te volgen dat de cliënt doorloopt, moeten de schotten weg tussen arbodiensten, bedrijfsartsen, huisartsen en medisch specialisten. ‘Wat ik nu op de werkvloer tegenkom is een enorme inefficiëntie in het delen en uitwisselen van informatie. Als we daar nu eens één verhaal van kunnen maken, dan is dat veel prettiger voor de cliënt. Die krijgt dan geen dubbele of soms zelfs tegenstrijdige adviezen. Samenwerking met een gezond vertrouwen tussen professionals zal leiden tot een betere dienstverlening.’

De komende tijd is bepalend

Kroneman vindt het belangrijk dat dit soort zaken wordt meegenomen bij het ontwikkelen van een toekomstbestendig stelsel, waarvoor een overheidscommissie wordt ingesteld. De komende tijd is bepalend voor de rol die de verzekeringsarts in de toekomst zal hebben. Daarom moet de verzekeringsarts nu zelf stappen zetten in de goede richting. Dat wil zeggen: meer beoordelingen per dag realiseren door een andere organisatie van het werk met hulp van anderen. ‘We moeten ook streven naar een breder gedeeld normenkader en ervoor zorgen dat wát we aan elkaar leveren goed op elkaar aansluit. Het BAR-project is daar een mooi voorbeeld van. Maar er zijn ook veel kleinere projecten waar de afstemming tussen verzekerings- en bedrijfsarts verkend wordt. Ik proef verder dat er meer politieke aandacht voor komt, dat is een goede ontwikkeling.’
‘Iedere verzekerings-arts moet vanuit
professionaliteit in beweging komen’

Medisch dossier

Wat ook helpt, zo vinden beiden, is wanneer de cliënt zijn eigen medisch dossier beheert. ‘Nu is het medisch dossier gelokaliseerd bij de instelling waar de patiënt onder behandeling is. Je moet dat loskoppelen van instellingen.’ Gielen vult aan: ‘Daarmee bied je ook transparantie aan de cliënt, die toch vaak als kwetsbare partij wordt gezien.’ Ze denkt overigens dat mensen over het algemeen prima in staat zijn om hun eigen medisch dossier te beheren en waar nodig te delen. ‘Je moet voor veel andere instanties ook informatie aanleveren. Ik denk best dat de meeste mensen daartoe in staat zijn. Als je het zo inregelt ga je een hoop tijd besparen.’

Noodzaak

En alle beetjes helpen wat dat betreft. Want de nood is hoog bij UWV. Nog altijd zijn er niet genoeg verzekeringsartsen en stapelen de dossiers zich op. Kroneman: ‘We zullen het werk anders moeten gaan organiseren en indelen. De verzekeringsarts zal hier zelf regie op moeten nemen en eigenaarschap en initiatief moeten tonen. Anders komen we er niet.’ Net als Kroneman ziet Gielen veel perspectief in de Sociaal Medische Centra (SMC’s) die in verschillende regio’s vorm krijgen. ‘Als verzekeringsarts heb je daar veel meer een regierol. Niet zozeer hiërarchisch, maar je zit vooraan in de triage. Je neemt de caseload door met de arbeidsdeskundige, de re-integratiebegeleider, persoonlijk begeleider en sociaal-medisch verpleegkundige. Per dossier bepaal je de grootste knelpunten en wie het beste op kop kan gaan.’ Het kan zijn dat de arbeidsdeskundige eerst iets moet uitzoeken, dat de SMV gaat monitoren of dat de re-integratiebegeleider direct aan de slag gaat. ‘Er komt meer ruimte voor taakdelegatie en terugkoppeling van resultaten. In het werk van de verzekeringsarts komt hierdoor de nadruk te liggen op het regisseren van het team om zo samen de beste dienstverlening voor de cliënt te bieden. Dat wordt de grote verandering.’

Cultuuromslag

Volgens Kroneman moet niet alleen het werk anders ingericht worden, maar moeten verzekeringsartsen ook echt anders gaan denken en werken. ‘Mensen komen bij ons omdat ze voor hun werk uitgevallen zijn en omdat ze – in de meeste gevallen – weer terug willen naar werk. Aan ons de taak om dat participatieproces drempelloos te laten verlopen. De klantreis is gericht op uitstroom naar (ander) werk. Dat proces moeten wij niet door onze beoordelingen vertragen of obstrueren. Bijvoorbeeld door niets te doen, omdat eerst een eindewachttijdbeoordeling moet plaatsvinden. De gemiddelde wachttijd daarvoor is 18 weken en sommige kantoren doen er een jaar over. Participatief beoordelen, dat is waar we naartoe moeten. Als verzekeringsarts goed nadenken over welk deel van de mensen gewoon naar werk terugkan zonder dat dat je daar direct bemoeienis mee hebt. Ik schat in dat 25 tot 30 procent van de gevallen met behulp van vragenlijsten en ondersteuning van de arbeidsdeskundige of sociaal-medisch verpleegkundige, kan doorstromen naar werk. Die hoef je als verzekeringsarts niet meer te zien. Daar moet je over nadenken!’ Gielen: ‘Je kunt de re-integratiebegeleider of arbeidsdeskundige veel vaker aan kop zetten. Dat inzicht moet komen. Ook bij de WIA-beoordeling. Daar is nu alles gericht op beoordelen en veel minder op een stuk begeleiding bij wat er allemaal na die beoordeling komt.’

Urgentie

Ondanks de noodzaak om nu stappen te zetten, signaleren zowel Kroneman als Gielen nog te weinig besef van urgentie bij verzekeringsartsen. Hoe kan het zijn dat veel verzekeringsartsen afwachten op wat er komen gaat? Zo vragen zij zich af. Je moet meer doen dan je agenda openzetten, kijken wat er binnenkomt en beoordelingen doen. Gielen: ‘Iedere arts moet zich realiseren dat je in het huidige klimaat in beweging moet komen. Hoe zet ik mijn vak professioneler neer en hoe creëer ik een stuk eigenaarschap? Voel je verantwoordelijk voor je eigen caseload. Zet andere professionals in om je te ondersteunen. Dat gevoel is de afgelopen jaren te weinig benadrukt. Neem die regelvrijheid. Ik vind het een verrijking voor het vak.’ Volgens Kroneman is er ook een noodzaak en juist daarom verwacht hij dat professionals in beweging komen. ‘Necessity is the mother of invention. Als je de positie inneemt dat je eigenaar bent van een eigen rayon word je vanzelf inventief en kijk je hoe het anders, slimmer of beter kan. Neem die verantwoordelijkheid.’ Gielen vult aan: ‘Probeer meer zaken in te regelen vanuit het klantperspectief. Laat je niet beperken door bestaande grenzen of divisies.’
‘Probeer zaken vanuit klantperspectief in te regelen en laat je niet
beperken door bestaande grenzen of divisies’

Ontschotting

De ontschotting binnen UWV komt overigens gestaag op gang. De komende drie jaren zijn gericht op het landelijk uitrollen van de SMC’s en om klanten drempelloos door het proces heen te leiden. WERKbedrijf en SMZ werken daar al samen. Gielen: ‘De arbeidsdeskundige van het WERKbedrijf begint aan te sluiten bij de triage. Dat is al een eerste stap naar drempelloos samenwerken. Maar eigenlijk zou de arbeidsdeskundige al in het eerste ziektejaar mee moeten doen. Een arbeidsdeskundige voor het gehele traject. Daarin zou ik wel willen investeren.’ Kroneman vindt dat er in de toekomst überhaupt maar één soort arbeidsdeskundige moet zijn: een die zowel re-integratie als de beoordeling doet. ‘Als dit soort zaken binnen het SMC allemaal staan en werken, heb je een goede propositie om een waardevolle rol te pakken in de regio. Je kunt stakeholders aan je binden. Grote werkgevers leren kennen. De arbeidsdeskundige weer richting werkgevers laten gaan.’ Ook de contacten met de gemeenten en eerste- en tweedelijns gezondheidszorg moeten tot stand komen, vindt Gielen. ‘Zo leer je veel beter het speelveld kennen waarin de cliënt zich bevindt. Dat is met name belangrijk bij multiproblematiek. Waar zit iemand in de cirkel van ziek zijn en bijstand? Als je alle actoren kent, kun je iemand veel beter helpen bij de hulpvraag en komen ze misschien sneller uit de draaideur.’ Kroneman: ‘Precies. Je kunt dan gerichte interventies en meer maatwerk leveren. Het beoordelen is faciliterend voor het participatieproces.’

Positief

Uit de eerste ervaringen in de SMC’s blijkt dat verzekeringsartsen positief zijn over de nieuwe werkwijze. Gielen: ‘Ik ben zelf betrokken bij de SMC’s in Limburg en merk dat artsen het prettig vinden om overzicht te hebben op het hele traject en ook weten waar de cliënt uiteindelijk terechtkomt. Die terugkoppeling maakt je werk ook beter. Case inplannen, beoordelen en basta? Dat is geen leercirkel. Ik heb het zelf ook ervaren. Pas toen ik consulten op het WERKbedrijf ging draaien, realiseerde ik mij wat er met een klant en zijn of haar re-integratie gebeurt als ik bepaalde dingen opschrijf of aankruis. Die ervaring gun ik iedere verzekeringsarts. Het maakt dat je veel beter je maatschappelijke rol in kunt vullen en meer plezier in je vak krijgt.’

Winstwaarschuwing

Tot slot willen Kroneman en Gielen de lezers van TBV het volgende meegeven. Verzekeringsartsen moeten hun positie pakken om waardevol te zijn en maatwerk te kunnen leveren. Kroneman: ‘Het is een tijd die kansen biedt en mogelijkheden heeft. Maar die moet je dan wel grijpen.’ Gielen vult aan: ‘Maar dan moet die ruimte ook wel gegeven worden. Het grote gevaar is dat we te snel grip en controle op het proces willen krijgen, waardoor mensen te weinig kans krijgen om de ruimte pakken en die goed in te vullen. Dat is een winstwaarschuwing die ik wel wil meegeven.’

Over Herman Kroneman

Herman Kroneman begon zijn carrière in het Erasmus MC, waar hij promotieonderzoek deed en in opleiding was tot internist. Er lag een mooie toekomst voor hem in het verschiet, maar na een aantal jaren volgde toch een carrièreswitch naar de verzekeringsgeneeskunde. ‘Het werk in het ziekenhuis was leuk, maar door de tijdsdruk had ik maar weinig tijd om echt met patiënten te praten en dat patiëntcontact vanuit een bredere blik vond ik belangrijk. Slechtnieuwsgesprekken moesten tussendoor en vaak werd je tijdens zo’n gesprek ook nog eens opgepiept om naar de SEH te komen. Ook kregen we kinderen en ik wilde niet zo’n altijd afwezige vader worden.’ Kroneman stapte over naar de GMD die later opging in GAK en UWV. Daar eindigde hij zijn loopbaan als medisch adviseur.

 

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-022-2045-y/MediaObjects/12498_2022_2045_Fig2_HTML.jpg

Over Chantal Gielen

Chantal Gielen wilde altijd al hartchirurg worden. Na haar afstuderen in 2008 startte ze met promotieonderzoek op de afdeling hartchirurgie van het LUMC waar ze vervolgens ruim vier jaar werkte als assistent. Uiteindelijk koos Gielen toch een ander pad. ‘Als thoraxchirurg heb je heel weinig patiëntcontact. De cardiologen draaien de poli, wij keken naar de echo, voerden een preoperatief gesprek en hielden iemand op de IC in de gaten. Daarnaast voelde ik me op een gegeven moment heel eenzaam in dat vak, dat ook nog eens veel uit repeterend werk bestond. De keerzijde van superspecialisatie is herhaling. Ik heb mij toen volledig op mijn promotie gericht en ondertussen nagedacht wat ik dan wél wilde.’ Ze kwam bij UWV terecht, maar beschouwde dat als een tussenstap. Toen ze betrokken werd bij de spreekuurcontacten werd ze echter enthousiast voor het vak verzekeringsarts. ‘Je staat echt naast de cliënt. Ook werd ik geboeid door de juridische en maatschappelijke aspecten en het veelzijdige werk als dokter binnen dit vak. Toen ik ook nog eens gevraagd werd om landelijk coördinator onderzoek van het KCVG te worden, gaf dat de doorslag.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.