Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Bedrijfsarts laat na reikwijdte spreekuur te bespreken

Bas Sorgdrager
Op verzoek van de werkgever start de bedrijfsarts een begeleiding bij een 60-jarige vrouw met frequent verzuim. De status van het spreekuur blijkt onduidelijk. De begeleiding verloopt moeizaam en leidt tot een klacht bij het regionaal tuchtcollege.
Kern van de klacht betreft de vertrouwensrelatie: de wijze van rapporteren en het onvoldoende betrekken van de verkregen medische informatie bij het oordeel en de advisering. De maatregel ‘berisping’ wordt bij het centraal tuchtcollege (zaak C2019-230) omgezet in een waarschuwing.

De feiten

De bedrijfsarts, verweerster in deze zaak, krijgt een verzoek om een medewerkster voor het spreekuur uit te nodigen voor een beoordeling en advies. Er was op dat moment geen sprake van een ziekmelding. De werkgever van mevrouw, klaagster in deze zaak, stuurt de volgende toelichting: ‘Het krediet van haar collega’s is op, zij ervaren haar als een onbetrouwbare collega omdat ze zo vaak uitvalt. Als ze er wel is, is ze chaotisch, doet niet wat er van haar wordt verwacht. Er ligt geen dossier. Directeur heeft van alles gedaan om het nog enigszins werkbaar te houden’.
Verweerster noteerde naar aanleiding van het eerste consult onder meer: ‘Actuele situatie: kort ziek gemeld, terugkijkend tot 2014 jaarlijks 7 tot 10 keer kort ziek. Steeds gerelateerd aan spanningsverschijnselen gerelateerd aan het werk. Voelt zich overbelast in het werk. Voelt verantwoordelijkheid voor beide groepen waar ze in werkt die ze niet meer kan dragen. Advies: stoppen met steeds kort ziek melden en dan snel weer beginnen. Time-out nemen om te herstellen, balans te hervinden, dan kijken hoe verder. Komende tijd niet naar school, maar tijd nemen om tot zichzelf te komen om uiteindelijk een keus te kunnen maken om uit deze neerwaartse spiraal te komen’.
Verweerster verzond het verslag van dit consult gelijktijdig naar klaagster en werkgever. Drie weken later vond een tweede consult plaats. Klaagster zat toen thuis in verband met de geadviseerde time-out. Verweerster adviseert een psychodiagnostisch onderzoek door een arbeidspsycholoog met als vraagstelling: is er een psychologische verklaring voor de frequente uitval en is er een interventie mogelijk die maakt dat het werk niet meer leidt tot disbalans en uitval. Na dit onderzoek zou een volgend contact worden afgesproken. Verweerster heeft tijdens het gesprek genoemd dat de organisatie een probleem ervoer met de frequente uitval van klaagster.
Klaagster heeft verweerster vervolgens per e-mailbericht verzocht gerichte informatie op te vragen bij haar behandelend neuroloog. Deze zou de gezondheidsklachten niet relateren aan psychische factoren. De behandelend neuroloog informeert verweerster als volgt, letterlijk: ‘Ik behandel uw cliënt in verband met progressieve klachten van aanvalsgewijze aanvallen (misselijkheid vanuit de maagstreek opstijgend met een stram gevoel tussen de schouderbladen) die ik beschouw als complex partiële insulten bij afwijking rechts temporaal. De aanvallen die ik eerder beschreven heb komen de laatste periode weer veelvuldig voor waardoor ze ook sociaal uitgevallen is. De aanvallen zijn voor haar zeer invaliderend’. Verweerster noteerde na een volgend spreekuurcontact onder meer in het bedrijfsgeneeskundig dossier: ‘Besproken dat de diagnose van de neuroloog niet voldoende aanknopingspunten biedt om uit te sluiten dat haar klachten ook deels veroorzaakt worden door mentale disbalans. Geeft aan dat neuroloog mondeling wel heeft gezegd dat haar klachten niet psychisch zijn. Dit staat echter niet in de brief. Uitgelegd dat ik vind dat het niet aan neuroloog is om te constateren dat er geen sprake is van psychische comorbiditeit, dat is zijn vakgebied niet. Cliënt is het niet eens dat ik niet nogmaals met de neuroloog contact wil opnemen om dit aan hem te vragen omdat dit zijn vakgebied niet is’.
Als startpunt van een begeleiding moet de bedrijfsarts met de cliënt altijd probleem- en vraagstelling doornemen’
Verweerster noteerde in het terugkoppelingsverslag onder meer dat werkgerelateerde problematiek wellicht van invloed is op geconstateerde emotionele disbalans en dat zij noodzaak ziet voor een psychodiagnostisch onderzoek, maar dat mevrouw daar niet aan mee wil werken. Zij adviseert werkgever een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Na een door de werkgever aangevraagd deskundigenoordeel is klaagster door een verzekeringsarts van het UWV telefonisch toegelicht dat er op het moment van onderzoek geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte/gebrek en er geen medische contra-indicaties waren voor het verrichten van een psychodiagnostisch onderzoek.

De klacht

De klacht houdt samengevat in dat de bedrijfsarts de werkgever van klaagster heeft aangezet tot het weren van klaagster op het werk en het op non-actief zetten van klaagster, terwijl zij arbeidsgeschikt is en wil werken. De bedrijfsarts heeft niet voldoende moeite gedaan zich een juist en volledig beeld te vormen van klaagsters medische situatie door de rapportage van de medisch specialist ter zijde te schuiven, dan wel onjuist te interpreteren.

Overwegingen tuchtcollege

Klaagster is op verzoek van de werkgever, terwijl zij op dat moment niet verzuimde, op gesprek geweest bij verweerster. De status van het gesprek is onduidelijk gebleven. Het betrof formeel geen arbeidsomstandighedenspreekuur en evenmin een gesprek in het kader van verzuimbegeleiding. Het lag op de weg van verweerster omtrent de status van het gesprek duidelijkheid te verschaffen aan klaagster, wat zij onvoldoende heeft gedaan. Verweerster heeft daarmee verwarring laten ontstaan over haar rol als bedrijfsarts in deze situatie. Het regionaal tuchtcollege was van oordeel dat er sprake was van een arbeidsomstandighedenspreekuur. De bedrijfsarts heeft in deze situatie ten onrechte de terugkoppeling van het gesprek gelijktijdig aan klaagster en haar werkgever gestuurd.
Het regionaal tuchtcollege oordeelt verder dat verweerster mee had moeten gaan met het verzoek van klaagster in kader van verzuimbegeleiding om nogmaals gerichte informatie, namelijk of de neuroloog een psychische component aanwezig achtte, op te vragen bij de neuroloog. Deze beleidslijn is vastgelegd in de standaard ‘Communicatie met behandelaars; richtlijnen voor de communicatie tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen met behandelaars’ (LISV 1996). Het college acht beide klachtonderdelen gegrond. Verweerster heeft op meerdere momenten een goede regie over het traject verloren. Daarnaast heeft zij verwarring laten ontstaan over haar rol, wat het hart van het werk van een bedrijfsarts raakt, en onzorgvuldig gehandeld door een terugkoppeling aan de werkgever te sturen naar aanleiding van het eerste contact zonder klaagster te vragen om toestemming. De gegronde klachtonderdelen zijn de kern van wat een bedrijfsarts in elk traject professioneel behoort te doen. Al met al acht het college daarom een berisping passend en geboden.

Berisping wordt waarschuwing

In het beroep bij het centraal tuchtcollege erkent de bedrijfsarts dat ze toestemming had moeten vragen om haar rapportage ook aan de werkgever te sturen. Het centraal tuchtcollege bevestigt het oordeel van het regionaal tuchtcollege over de verwarring die verweerster heeft doen ontstaan, doordat ze verzuimde bij klaagster te verifiëren wat precies door of namens de werkgever met haar is besproken over haar verzuim en functioneren. Door het woord ’time-out’ te gebruiken heeft de bedrijfsarts nagelaten aan te geven of klaagster, die ten tijde van dit gesprek niet verzuimde, op dat moment al dan niet in staat was te werken.
Uit de stukken volgt dat de bedrijfsarts medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend neuroloog van klaagster, deze informatie heeft ontvangen en beoordeeld. Tijdens de zitting heeft de bedrijfsarts in aanvulling hierop naar het oordeel van het centraal tuchtcollege voldoende toegelicht waarom zij op dat moment geen meerwaarde zag in het nogmaals opvragen van informatie bij dezelfde neuroloog. Zij heeft verklaard dat dit dubbelop zou zijn en daarmee een vertragend effect zou hebben op de verzuimbegeleiding. En dat alleen de neuroloog gelet op de benodigde expertise niet zou kunnen uitsluiten dat geen sprake was van psychische comorbiditeit. Voor dit laatste was immers het psychodiagnostisch onderzoek geadviseerd door de bedrijfsarts. Het centraal tuchtcollege acht de klacht over dit onderdeel ongegrond en beslist daarmee dat het beroep van verweerster gedeeltelijk slaagt. De maatregel ‘berisping’ wordt omgezet in een waarschuwing.

Commentaar

De kern van de zaak gaat om de status van het spreekuur: een vrijwillig spreekuur of een handeling in opdracht? Het ging hier om een verzoek van de werkgever om een situatie van frequent verzuim te beoordelen. Het centraal tuchtcollege is van oordeel dat het hier gaat om een arbeidsomstandighedenspreekuur omdat de vrouw op dat moment niet verzuimt van haar werk. Het tuchtcollege volgt hier de Leidraad bedrijfsarts en privacy anno 2019 van OVAL en NVAB (pagina 9), zie nvab-online.nl. Hier is de WGBO volledig van toepassing zoals bij vrijwillige handelingen, bijvoorbeeld het arbeidsomstandighedenspreekuur en curatieve handelingen door de bedrijfsarts op verzoek. Het gaat om geneeskundige handelingen en onderzoek, die de werkgever – al dan niet verplicht – aanbiedt aan de werknemer, maar waaraan de laatste niet verplicht is om deel te nemen. Als startpunt van een begeleiding, sowieso bij elk spreekuurcontact, moet de bedrijfsarts met de cliënt altijd probleem- en vraagstelling doornemen en het doel van het spreekuur bespreken. En daarnaast wat er met de uitkomst van het spreekuur gebeurt, zoals aan wie de bedrijfsarts rapporteert.
Kijk voor de volledige tekst van deze uitspraak op en zoek met zaaknummer ECLI:NL:TGZCTG:2021:134.
Reageren?
Stuur een e-mail naar .

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.