De mijnbouw is een bedrijfstak die vijftig jaar geleden geheel uit Nederland verdween. Echter, vanuit historisch gezichtspunt – en ook mondiaal bezien – is mijnarbeid nog altijd een wereldwijd verspreide, veelvoorkomende menselijke beroepsactiviteit. De mijnwerker staat hoog op de lijst van oudste beroepen. Dat maakt de mijnbouw een bron van beschrijvingen van beroepsziekten en daarmee van arbeidsgeneeskundige kennis.
Jens Hertel / stock.adobe.com
De steenkoolwinning staat in Nederland model voor een bedrijfstak die snel opkomt, een langdurige bloeiperiode doormaakt, en tenslotte onontkoombaar van het toneel verdwijnt. Economische factoren zijn bepalend, zowel voor de opkomst als de neergang. Vanuit arbeidsgeneeskundig oogpunt is de mijnbouw uitermate leerzaam om de volgende redenen:
a. de mijnbouw brengt een unieke combinatie van gezondheids- en veiligheidsrisico’s met zich mee;
b. een aantal beroepsziekten is specifiek voor de mijnbouw;
c. de mijnbouw is de eerste bedrijfstak in Nederland met eigen wetten, regelingen en instellingen voor gezond en veilig werken. Het is de eerste vorm van branchegerichte zorg.
Ziekten bij mijnwerkers
In een eerder artikel in dit tijdschrift3 is de mijnwerkersnystagmus besproken. In dit tweede artikel gaan we in op een andere bijzondere beroepsziekte van de mijnwerker, beschreven door dr. Louis Heijermans in de eerste editie van zijn Handleiding tot de kennis der beroepsziekten4 uit 1908: de mijnwormziekte.
Een eerste historisch overzicht van de ziekten bij mijnwerkers is van de Engelsman George Rosen. In zijn standaardwerk The history of miners’ diseases1 uit 1943 vermeldt hij een onderzoek uit 1862: van 83 zieke mijnwerkers lijden er 54 aan een longziekte. Kuborn2 (1860, geciteerd door Rosen) vindt onder 470 zieke Belgische mijnwerkers 74 met bloedarmoede. Ook in een groep van 1518 mijnwerkers staat anemie bovenaan: zie tabel 1. Pas jaren later ontdekt men de oorzaak van deze bloedarmoede bij mijnwerkers: de mijnwormziekte. Ook de in de tabel vermelde gevallen van enteritis en huidziekten kunnen verband houden met deze aandoening.
Tabel 1. Ziekten bij 1518 mijnwerkers, naar Kuborn / Rosen.
Aandoening
Aantal
anemie
81
bronchitis
51
reumatische ziekten
36
huidziekten
36
‘nerveuze vertigo’
28
longemfyseem
21
enteritis
20
maagklachten
17
De eerste vermeldingen van mijnwormen als beroepsziekte stammen uit de 19de eeuw, in met name Duitsland en Italië. De ziekte wordt vooral vastgesteld bij mijnwerkers die werken onder slechte hygiënische omstandigheden. Dat is ook het geval bij de aanleg van de Gotthardtunnel5 (Weel & Breedijk 2024). De Schrijver en Van Damme6 (2024) onderzoeken een grote cluster van de mijnwormziekte in de Waalse steenkoolmijnen aan het eind van de 19de eeuw. Via fecesonderzoek kan men aantonen dat gemiddeld 25 procent van de mijnwerkers die in 1902 in het Luikse steenkoolbekken werken, besmet is. De infectiegraad varieert van 12 tot 95 procent. In totaal worden er in de drie onderzochte mijnlocaties 25.000 gevallen geregistreerd.
Mijnwormziekte / ancylostomiasis
De mijnwormen vormen een familie van kleine parasitaire rondwormen uit de onderklasse der Rhabditida. Bij de mens voorkomende mijnwormsoorten zijn Necator americanus en Ancylostoma duodenale. Deze soorten zijn ongeveer één centimeter lang. Zij leven in de dunne darm van naar schatting 800 miljoen mensen. De worm komt vaak voor in de warme en vochtige biotoop van diep aangelegde mijnen.
Mijnwormziekte is een parasitaire aandoening die een aanzienlijke sterfte teweeg kan brengen. De volwassen mijnwormen paren in de dunne darm. Zij zuigen zich vast aan het darmslijmvlies en voeden zich met het bloed van de gastheer, wat op den duur leidt tot bloedverlies en bloedarmoede. Dit verklaart het veelvuldig voorkomen van bloedarmoede bij mijnwerkers in de periode 1860-1920. De eitjes verlaten het lichaam met de ontlasting. In de vochtige en warme mijngrond ontwikkelen deze eitjes zich tot larven, die eenmaal op de blote huid van de mens – mijnwerkers zijn in deze periode schaars gekleed en werken vaak blootsvoets – het lichaam kunnen binnendringen via de kleine bloedvaten. Dit geeft jeuk en huiduitslag. Via de bloedsomloop bereiken de larven uiteindelijk de longen. Door de luchtwegen komen de larven in het sputum terecht, dat, eenmaal opgehoest en doorgeslikt, uiteindelijk in de darm terechtkomt. Daar groeien de larven uit tot volwassen wormen. De hele levenscyclus beslaat ongeveer zeven weken. In figuur 1 wordt deze samengevat.
Figuur 1. Levenscyclus van de mijnworm. Bron: U.S. Centers for Disease Control and Prevention.
Symptomen, behandeling, preventie
Besmetting met de worm leidt tot weinig of geen darmklachten, die bovendien niet typisch zijn. Het uit zich bij volwassenen in lichte buikpijn. Bij heel ernstige infecties bij kinderen en zwangere vrouwen in derdewereldlanden kan bloedarmoede optreden. In de meest extreme gevallen ontstaan koorts, vertraagde groei en hartfalen. Meestal is de infectie echter vrij onschuldig en gemakkelijk te verhelpen met medicijnen. Tegenwoordig wordt meestal mebendazol voorgeschreven, een middel dat de wormen, hun eieren en de larven doodt door de opname van voedingsstoffen te verhinderen.
De Schrijver en Van Damme6 (2024) beschrijven hoe de Waalse epidemie van 1902 is aangepakt. Via het toepassen van screening door middel van herhaald fecesonderzoek en sanering door het plaatsen van mobiele toiletten (zogenaamde ‘tonprivaten’) ondergronds, heeft men binnen enkele jaren de epidemie volledig onder controle.
Dankzij ondergrondse ‘tonprivaten’ krijgt men de epidemie onder controle
Onderzoek
Er wordt tegenwoordig onderzoek gedaan naar de functionaliteit van de mijnworm bij het bestrijden van allergieën en auto-immuunziekten. Een groep van tien onderzoekers stelde vast dat de mijnworm allergieën kan genezen. Zij hadden gezien dat veel mensen in de tropen waren besmet met de mijnworm, maar onder hen waren geen mensen met allergieën. De onderzoekers hebben de mijnwormbesmetting eerst op zichzelf getest, zonder ernstige bijwerkingen. Ze kregen daarna toestemming om deze aanpak ook op andere mensen te testen, met onder meer astma en hooikoorts als allergie (Folkerts et al. 20007). Deze zogenaamde helminthische therapie is een experimentele vorm van immunotherapie: de behandeling van auto-immuunziekten en immuniteitsstoornissen door middel van opzettelijke besmetting met een worm of met wormeieren.
Wet- en regelgeving in Nederland
Dat mijnarbeid boven- maar vooral ondergronds zwaar is, en aanzienlijke gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, wordt ook in Nederland snel duidelijk. Al na enkele jaren mijnbouw is er sprake van regelgeving inzake arbeid en gezondheid. In 1903 komt de Mijnwet tot stand. Een koninklijk besluit kondigt op 22 september 1906 de eerste wettelijke regeling voor veiligheid en gezondheid af, het Mijnreglement. Dat brengt voor de mijnwerkgever de volgende verplichtingen met zich mee:
elke mijn moet minstens twee schachten hebben, elk voorzien van ladders;
ondergronds water moet worden afgevoerd;
ventilatoren moeten zorgen voor luchtverversing (3 m3 verse lucht per man en per minuut);
ondergrondse kruispunten, los- en laadplaatsen moeten verlicht zijn;
het gebruik van veiligheidslampen is verplicht;
personeel moet bij indiensttreding gezond en wormvrij zijn;
vrouwen mogen niet bovengronds en niet ondergronds werken;
kinderen jonger dan 16 jaar mogen niet ondergronds werken;
mannen mogen niet langer dan 9 uur per etmaal ondergronds werken;
er dienen ondergronds ‘tonprivaten’ te zijn;
er moeten was- en kleedgelegenheden zijn bij elke schacht.
Met dank aan emeritus prof. dr. M.J. van Lieburg, Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland, voor zijn ondersteuning bij het schrijven van dit artikel.
Referenties
1.Rosen G. The history of miners’ diseases: A medical and social interpretation. New York: Schuman’s, 1943.
2.Kuborn H. Étude sur les maladies particulières aux ouvriers mineurs, employés aux exploitations houillères en Belgique. Paris 1863.
3.Weel A, Breedijk J. Mijnarbeid en beroepsziekten: Blik op mijnwerkersnystagmus. TBV 2025; 33 (5): 14-16.
4.Heijermans L. Handleiding tot de kennis der beroepsziekten. Rotterdam: W.L. & J. Brusse, 1908.
5.Weel A, Breedijk J. Een tunnelvisie. TBV-online, 15 oktober 2024.
6.Schrijver K de, Damme K van. Ancylostomiase in de Waalse steenkoolmijnen. TBV 2024; 32 (1): 16-21.
7.Folkerts G et al. Do common childhood infections ‘teach’ the immune system not to be allergic? Immunology Today 2000; 21 (3): 118–20.
Samenvatting
De mijnwormziekte is in de 19de en vroege 20ste eeuw een veelvoorkomende beroepsziekte onder mijnwerkers. In de periode 1860-1910 is deze aandoening, vanwege de ernstige bloedarmoede, ook een belangrijke doodsoorzaak voor mijnwerkers. Besmetting vindt plaats via contact tussen de huid van de mens, en de aarde (grond) die is verontreinigd met menselijke ontlasting waarin de mijnwormlarven leven.
Met een onderzoek van de ontlasting bij nieuwe en (periodiek) reeds werkzame mijnwerkers heeft men hierop greep gekregen. Met het plaatsen van ‘tonprivaten’ heeft men kunnen voorkómen dat besmette ontlasting van mijnwerkers in de mijngrond terechtkomt. Door betere hygiëne en sluiting van mijnen komt de ziekte in streken met een gematigd klimaat vrijwel niet meer voor.
▶ dr. André Weel, bedrijfsarts niet-praktiserend en epidemioloog, werkzaam als curator arbeidsgeneeskunde bij het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland, Urk. Contact: andre.weel@ika-ned.nl ▶ Jurjen Breedijk, bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige Oog en Werk, Nieuw-Vennep