Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

‘Eerste stap om verborgen problemen te signaleren’

Sylvia van der Burg
Sylvia van der Burg
Jozien Wijkhuijs
Jozien Wijkhuijs
Hoogleraar Verslaving en Psychiatrie Arnt Schellekens en psycholoog/epidemioloog Marion Biermans gingen in september 2025, tijdens een debatavond van de Radboud Universiteit, in op de medische en maatschappelijke kanten van verslaving. Beiden zijn geïnteresseerd in de veelzijdigheid van het onderwerp en zien veel kansen voor de zorg voor mensen met een verslaving, ook binnen de sociale geneeskunde. ‘Het signaleren en bespreekbaar maken van vaak verborgen verslavingsproblemen is een belangrijke stap naar herstel.'
© AA+W / stock.adobe.com
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-026-2711-6/MediaObjects/12498_2026_2711_Fig1_HTML.jpg
Hoogleraar verslaving Arnt Schellekens.
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12498-026-2711-6/MediaObjects/12498_2026_2711_Fig2_HTML.jpg
Psycholoog / epidemioloog Marion Biermans
Een belangrijk punt waar Arnt Schellekens en Marion Biermans het over willen hebben, is stigmatiserend taalgebruik. ‘Het sluipt er heel gemakkelijk in. Het is vaak onbedoeld, maar zit in heel kleine woorden,’ zegt Schellekens. ‘Het moet niet gaan over verslaafden, maar over mensen met verslavingsproblematiek. Niet over gokkers, maar mensen met een gokverslaving.’ Het laat direct de bevlogenheid van de beide wetenschappers zien. ‘Ik denk dat het goed is om er met z’n allen scherp op te zijn.’
Marion Biermans werkt bij het RadboudUMC in Nijmegen, waar ze hoofddocent gespreksvaardigheden is bij de opleiding tot verslavingsarts. ‘Daarnaast werk ik ook nog als gedragswetenschappelijk docent bij de opleiding tot huisarts,’ zegt ze. ‘Verder doe ik onderzoek op het gebied van hart- en vaatziekten in de eerste lijn en ben ik van oudsher psycholoog en epidemioloog.’
Arnt Schellekens is psychiater bij het RadboudUMC, hoogleraar verslavingspsychiatrie en hoofddocent bij de opleiding tot verslavingsarts. ‘Toen ik geneeskunde studeerde, wist ik een ding zeker: ik wilde iets met wetenschap. In Nijmegen liep een onderzoek naar de vertaling van een diermodel voor verslaving naar mensen.’ Het ging om gen-omgevingsinteracties in relatie tot dopaminegevoeligheid. Schellekens vond dit direct interessant. ‘Toen ben ik ook in de verslavingszorg gaan werken. Ik wilde de doelgroep kennen en ook klinisch ervaring opdoen.’ Uiteindelijk ging hij de opleiding tot psychiater doen. ‘Het is zo’n groot en gestigmatiseerd thema, met een kwetsbare groep. Daarnaast is het maatschappelijk relevant, het raakt echt aan allerlei gebieden van individuele lijdensdruk en impact op naasten, tot justitie, arbeid en preventie, en economische belangen.’ Ook de betrokkenheid bij mensen, die hij van huis uit heeft meegekregen, kan hij erin kwijt. ‘Dus alles komt mooi bij elkaar. Ik heb nooit getwijfeld om iets anders te gaan doen.’
Die veelzijdigheid is ook wat voor Biermans het vakgebied zo interessant maakt. ‘Naarmate ik er meer over leerde bij de opleiding, vond ik het steeds boeiender worden,’ vertelt ze. ‘Er zijn zoveel aspecten, waar je steeds over kunt bijleren.’ De opleiding tot verslavingsarts valt onder de eerstelijnsgeneeskunde. Biermans en Schellekens pleiten er beiden voor om deze opleiding en die tot psychiater meer met elkaar te verbinden. ‘Dus dat je psychiaters modules laat meedoen van de verslavingsgeneeskunde en dat de verslavingsartsen makkelijker doorstromen in de psychiatrieopleiding, mochten ze dat willen.’ Ook de vraag of verslaving niet duidelijker in het curriculum voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde moet, vinden ze interessant. ‘Meer verbinding zou goed zijn,’ stelt Biermans.

‘Stigmatiserend taalgebruik sluipt er heel gemakkelijk en onbedoeld in’

Veel overlap

Bij zowel middelenverslaving als gedragsverslaving, zoals gokken of gamen bijvoorbeeld, treden veranderingen in het brein op, vertelt Schellekens. ‘Er is meer overlap dan verschil, eigenlijk, bijvoorbeeld als je kijkt naar genetica of veranderingen in hersenfuncties. Ook speelt er een factor van erfelijkheid bij al deze problematiek.’ Ervaringsdeskundigen benadrukken vaak juist het belang van de verschillen, zegt hij. ‘Maar als we gaan behandelen, komen we toch vaak op dezelfde methodes uit, zelfs bij de medicatie.’ Bijvoorbeeld naltrexon en nalmefeen, bekende middelen bij bijvoorbeeld alcoholverslaving, worden nu ook gebruikt bij gokverslaving. ‘Dat is fascinerend.’
Wat hij wel merkt, is dat mensen die kampen met gedragsverslaving vaak schroom voelen om aan te kloppen bij de reguliere verslavingszorg. ‘Dat zie ik ook bij mensen met medicijnverslaving. Die willen niet tussen ‘de junks’ zitten, zoals ze het soms plat zeggen. Die komen dan bij mij in het ziekenhuis, terwijl de verslavingszorg vaak ook een goede plek zou zijn.’
Veranderingen in de maatschappij zien beiden terug in de praktijk van hun werk. ‘Het legaliseren van online gokken zien we al terug in de spreekkamer,’ zegt Schellekens. Biermans vult aan: ‘Het heeft natuurlijk ook te maken met de beschikbaarheid van middelen. Er is nu veel crack op de markt, dus dat gebruiken mensen nu meer.’ Rond de eeuwwisseling was GHB heel zichtbaar, toen kwam lachgas, fentanyl en oxycodon. ‘Het is constant in beweging en dat merk je direct in de zorg.’

Eigen schuld?
De visie van de maatschappij en wetenschap op verslaving is in de loop der eeuwen vaak veranderd, zegt Biermans. ‘Vroeger had je het morele model, waarbij gedacht werd dat verslaving een gebrek aan wilskracht was. Dat maakte het de schuld van de persoon zelf.’ Later werd het biopsychosociale model leidend, waarbij sociale, psychologische en biologische factoren van invloed zijn.
Schellekens vult aan: ‘toch zie ik dat morele model nog wel terug in sommige kringen. Ook in de politiek, afhankelijk van de politieke kleur. Soms zeggen politici nog steeds ‘eigen schuld, dikke bult en dat moeten we helemaal niet in de zorgverzekeringswet hebben’. In de wetenschap is dat idee gelukkig wel verlaten’, stelt hij. ‘Maar het komt hier en daar soms terug, zeker in onze individualistische maatschappij.’ Het zorgt voor stigma, stelt Biermans. ‘Door dit stigma durven mensen hun problemen met middelengebruik of verslavend gedrag niet te bespreken. Ze zijn bang dat anderen hen als zwak zien en hebben vaak ook een negatieve kijk op zichzelf. Dat is een grote belemmering bij het zoeken en krijgen van de juiste hulp.’

‘Het legaliseren van online gokken zien we al terug in de spreekkamer’

Tegenwoordig wordt het vaak gezien als een hersenziekte. ‘Dan zit je weer wat meer op de biologische kant. Voor een harde definitie is er natuurlijk de DSM-5, waarbij iemand aan een aantal criteria moet voldoen, wil je spreken van een ‘stoornis in gebruik van middelen’. Dat is een ander woord dan ‘verslaving”, zegt Biermans. Dit is volgens haar interessant, omdat het woord verslaving dichotoom is: je bent wél of níet verslaafd. ‘En de DSM-definitie kan mild, matig of ernstig zijn. Als je terugkijkt in de tijd, zie je dat al deze definities steeds weer verschuiven met de groeiende inzichten in het vakgebied.’

Hoop is belangrijk

Volgens Schellekens is het binnen die modellen zoeken naar evenwicht. ‘Aan de ene kant helpt het biologische model, waar het een hersenziekte is, om de schuldvraag weg te nemen.’ Aan de andere kant kan het er ook voor zorgen dat alle persoonlijke verantwoordelijkheid verdwijnt. ‘Dat noem ik ‘biologisch fatalisme’. Uit studies blijkt dat behandelaren die heel biologisch denken gedemoraliseerder zijn en dus soms slechtere behandelresultaten hebben. Ze kunnen denken: de boel is kapot en dat wordt niks meer.’
Hoop is juist belangrijk, zegt Biermans. ‘Patiënten hebben hoop nodig om met behandeling te starten, vol te houden en bij terugval de moed niet op te geven. Behandelaars, maar ook huisartsen en bedrijfs- en verzekeringsartsen kunnen met motiverende gespreksvoering het zelfvertrouwen en de hoop van patiënten versterken. Soms heeft iemand wel tien pogingen nodig om een verslaving te boven te komen.’
Iemand kan een biologische kwetsbaarheid hebben, maar het gaat om hoe diegene ermee omgaat, zegt Schellekens. ‘Net als bij kwetsbaarheid voor dementie, diabetes of hart- en vaatziekten. Als het te groot is om zelf in goede banen te leiden, welke steun kan iemand dan krijgen? In een vroeg stadium hulp bij emotieregulatievaardigheden, mindfulness of sociale inbedding, bijvoorbeeld.’ Dit kan deels ook in de arbeidssfeer gebeuren. ‘De kunst is om het oordeelvrij bespreekbaar te maken.’ Een oordeel vormen over iemands belastbaarheid, kan lastig zijn, erkent hij. ‘Maar het oordeel over de belastbaarheid en de persoon moeten uit elkaar worden getrokken.’

Motiverende gespreksvoering

Wat als iemand zelf nog geen probleem ziet? In de huisartsenopleiding leren artsen hoe ze mogelijk verslavingsgedrag bespreekbaar maken, vertelt Biermans. ‘Een arts vraagt bijvoorbeeld op een niet-veroordelende manier hoeveel iemand drinkt, vraagt toestemming om uitleg te geven en relateert het alcoholgebruik vervolgens aan klachten of legt dat naast de landelijke norm. Daarna vraag je hoe iemand zelf naar het gebruik kijkt. Dat levert vaak haakjes om zorg op te zetten.’ Hetzelfde kan gedaan worden bij gedragsverslavingen, vult Schellekens aan. ‘Hoeveel uur zit iemand spelletjes te spelen en wat vindt diegene daarvan? Er is een grijs gebied waarin het gedrag geleidelijk overgaat in controleverlies, met negatieve consequenties voor de persoon en zijn/haar omgeving qua lijden of functioneren. Dan is er sprake van een stoornis.’ De DSM probeert daar taal aan te geven, maar er zit altijd iets subjectiefs in, stelt hij.

‘Er is een grijs gebied waarin gedrag geleidelijk overgaat in controleverlies’

Daarom is het belangrijk om een gesprek goed te voeren, zegt Biermans. ‘Mensen hebben bijvoorbeeld vaak niet door dat ze heel slecht slapen van alcohol. Dat is een goede ingang, dat je dat als arts kunt uitleggen.’ Ze geeft bij de opleiding tot verslavingsarts les in motiverende gespreksvoering. ‘Dat is een belangrijk onderdeel binnen de verslavingsgeneeskunde.’ Het heeft als doel om gedragsverandering op gang te brengen. ‘We gebruiken het boek van William Miller en Stephen Rollnick in de lesstof, dat is de bijbel van de motiverende gespreksvoering,’ vertelt ze. ‘Ik denk dat dit ook belangrijk is voor bedrijfs- en verzekeringsartsen, niet alleen op het gebied van verslaving, maar ook om mensen weer naar werk te helpen. Wat is voor mensen zelf een reden om verandering in gang te zetten?’
Een belangrijke boodschap is voor Schellekens dat de behandeling van verslavingsproblematiek niet minder effectief is dan andere behandelingen in de psychiatrie en geneeskunde. ‘Dat is een veelgehoorde misvatting,’ zegt hij. ‘En het zit in de weg bij perspectief bieden aan mensen en hen naar zorg te begeleiden.’ Nederland heeft een grote treatment gap. ‘Ongeveer 10 procent van mensen met een verslaving is in zorg. Bij depressies is dat bijvoorbeeld 30 procent en bij somatiek loopt dat al snel op naar 80, 90 procent. Als bedrijfsarts kun je vanuit de signalerende functie hier een belangrijke rol bij spelen.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.