Karin Proper is Chief Science Officer en projectleider Arbeid en Gezondheid bij het RIVM. Daarnaast is ze bijzonder hoogleraar Arbeid, Gezondheidsbevordering en Beleid bij het Amsterdam UMC. Haar interesse in preventie begon al vroeg in haar carrière; ze is van oorsprong bewegingswetenschapper met als specialisatie arbeid en gezondheid. Haar aandachtsgebied is inmiddels wat verbreed, maar wel met hetzelfde doel: het bevorderen van de gezondheid en inzetbaarheid van de werkende bevolking. Via leefstijl, maar ook door te kijken naar arbeidsomstandigheden.
Het onderzoek dat Proper en haar collega’s doen, richt zich op alle vormen van preventie, maar idealiter zetten ze in op primaire preventie, waarbij zo vroeg mogelijk interventies worden aangeboden om gezondheidsproblemen te voorkomen. Hierbij is de werkgever en de organisatie natuurlijk van cruciaal belang. Ook in de nieuwe koers van de NVAB komt deze factor van preventie veel ter sprake.
Hoe verklaar je de hernieuwde aandacht voor preventie op organisatieniveau?
‘Daar heb ik zelf geen verklaring voor, maar ik ben er wel heel erg blij mee. Ik houd me al sinds mijn afstuderen en daarna in mijn promotieonderzoek bezig met dit onderwerp. In mijn onderzoek probeer ik de kennis aan te leveren over het nut en effect van preventie op de werkplek, maar het is vervolgens aan de praktijk en beleid of en wanneer ze daar de urgentie van inzien en naar gaan handelen. De afgelopen jaren heeft de focus vooral gelegen op ziekteverzuim, re-integratie of werkhervatting. Dat is zonde, want de kosten daarvan kun je voorkomen.’
Hoe is je onderzoekcarrière tot nu toe verlopen?
‘Ik ben na mijn afstuderen begonnen bij TNO, waar ik op een gegeven moment een promotieonderzoek kon doen naar de effecten en de kosten-baten verhouding van bedrijfsbewegingsprogramma’s. Dat deed ik in samenwerking met de afdeling Public and Occupational Health van het Amsterdam UMC, waar ik uiteindelijk ook ben gaan werken. Daar heb ik mijn onderzoek verbreed naar leefstijlinterventies, primair preventieve, maar ook secundair preventieve. Daarbij heb ik vooral onderzoeken geïnitieerd en begeleid naar de ontwikkeling en evaluatie van leefstijlinterventies die ofwel voor al het personeel op de werkplek waren, ofwel voor een groep werknemers met een verhoogd risico, bijvoorbeeld op hart- en vaatziekten. Na een aantal jaar voelde ik meer behoefte om een nauwere verbinding te maken tussen het onderzoek en beleid en praktijk. Zo ben ik in 2010 bij het RIVM terechtgekomen, waar mijn onderzoek verder is uitgebreid en gericht is op preventie en zorg voor werkenden.’
Hoe verhouden primaire en secundaire preventie zich tot elkaar?
‘Preventie naar fase waarin de ziekte zich bevindt is ingedeeld in primaire, secundaire en tertiaire preventie. Het is ideaal om in te zetten op primaire preventie, voor mensen die nog niet ziek zijn of nog geen klachten hebben. Secundaire preventie omvat interventies bij werknemers met beginnende klachten, om te zorgen dat zij niet meer klachten krijgen en ook niet gaan verzuimen van werk. Bij tertiaire preventieve interventies gaat het om het begeleiden of behandelen van werknemers die al gezondheidsproblemen hebben of verzuimen. Een voorbeeldonderzoek dat we hier hebben lopen, betreft een stapsgewijze aanpak voor werkhervatting van werknemers die verzuimen met psychische klachten. Doel daarbij is werkhervatting te bevorderen en langdurig verzuim en instroom in de WIA te voorkomen. Werk kan daarbij een belangrijk instrument zijn, omdat we werk ook als herstel of medicijn zien. Met een groep wetenschappers hebben we een systematische review gedaan naar de effecten van arbeidsparticipatie en van werkloosheid. En dan zie je dat het hebben van werk in positieve zin bijdraagt, met name aan de mentale gezondheid.’
Wat is er uit onderzoek bekend over wanneer preventieve interventies echt succesvol zijn?
‘Je ziet vaak dat interventies zich ofwel richten op het individu, dus bijvoorbeeld op het gedrag en de kennis van de individuele werknemer, of op de werkomgeving. We weten echter uit verschillende onderzoeken dat interventies die zich zowel op het niveau van het individu als de omgeving richten – een integrale aanpak- het meest effectief zijn. Als je bijvoorbeeld mensen wil stimuleren om meer te gaan bewegen en je geeft ze informatie en kennis, maar de werkplek is nog ingericht op veel zitten, dan wordt het je wel erg moeilijk gemaakt om meer te bewegen op de werkplek. In een onderzoek naar Praktische lessen voor het invoeren van een integrale aanpak op het werk hebben we een integrale aanpak voor gezondheidsbevordering op de werkplek ontwikkeld en geëvalueerd.’
Welke wetenschappelijke inzichten zijn er de afgelopen jaren opgedaan, als het gaat om preventie?
‘We hebben met financiering van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek gedaan naar de preventieve inzet van bedrijfsartsen, de IM-PROmPt-study. Daar hebben we een programma voor bedrijfsartsen ontwikkeld, dat wordt uitgevoerd binnen drie bijeenkomsten van bestaande intervisiegroepen. We hebben het geïmplementeerd en geëvalueerd en het bleek dat bedrijfsartsen die deelnamen aan die groepen maandelijks vijf uur meer besteden aan het geven van (secundair) preventief advies tijdens verzuimbegeleiding dan anderen. Verder lieten resultaten van de procesevaluatie zien dat bedrijfsartsen erg positief waren over het programma. Het heeft het bewustzijn en het belang van preventie vergroot. Het onderzoek is nu met steun van ZonMw doorontwikkeld naar een onderwijsmodule voor nascholing en bijscholing voor bedrijfsartsen.’
En met betrekking tot interventies voor werknemers en werkgevers?
‘Uit ander onderzoek vonden we ook aanknopingspunten voor preventieve interventies die effectief lijken, zoals consultatie met de bedrijfsarts en cognitieve gedragstherapie voor werknemers met angst en depressie, of bewegingsprogramma’s voor het voorkomen van lage rugpijn. Omdat uit het onderzoek naar de preventieve inzet van de bedrijfsarts bleek dat de rol van de werkgever cruciaal is en soms belemmerend kan werken, gaan we nu verder kijken naar wat de werkgever nodig heeft om meer in te zetten op preventie en de inzet van de bedrijfsarts daarbij meer te benutten.’
Ja, want de wens bestaat bij veel bedrijfsartsen wel om meer aan preventie te doen. Waarom komt dat dan soms niet helemaal van de grond?
‘Toen we dit programma ontwikkelden, brachten we eerst in kaart wat de belemmeringen en bevorderende factoren waren voor de uitvoering van preventieve taken. Een belangrijke factor daarbij was onvoldoende kennis over de inhoud en meerwaarde van preventie bij werknemers en werkgevers. Die zijn vaak niet op de hoogte van wat een bedrijfsarts nog meer kan doen of wat diens preventieve taken zouden kunnen zijn. Een misverstand is bijvoorbeeld dat het inzetten op preventie niet zou lonen. Dat is ook lastig aan te tonen, omdat degene die investeert niet altijd als enige en op korte termijn de baten ervan ervaart, anderen profiteren er ook van. Het duurt over het algemeen een tijd voordat je die return on investment ziet, vooral bij primaire preventie. ’
Op welke andere niveaus komen de baten dan ook terecht?
‘Het is meer een soort gemeenschapsdenken. Het investeren in een gezonde en inzetbare werkende bevolking, daar heeft iedereen uiteindelijk iets aan, de hele BV Nederland, inclusief de werkgevers en maatschappij. De kosten van verzuim en arbeidsongeschiktheid zijn enorm en komen ten laste van werkgever en maatschappij. Uit de Arbobalans kwam naar voren dat de kosten voor werkgevers van loondoorbetaling over verzuimende werkdagen stegen van 5,1 miljard euro in 2015 naar 8,3 miljard euro in 2023, waarvan 4,9 miljard euro vanwege psychosociale arbeidsbelasting. Hoe eerder je ingrijpt, hoe sneller mensen terugkeren naar werk. Het is voor bedrijfsartsen belangrijk om hierover met de werkgever het gesprek aan te gaan en uit te leggen wat preventie voor hen kan doen.’
Komt er zo niet nog meer druk bij de bedrijfsarts te liggen?
‘Uit een van onze onderzoeken bleek ook dat als bedrijfsartsen meer tijd besteden aan die preventieve taken, dat verband houdt met meer ervaren afwisseling in taken en het gevoel dat het werk aansluit bij de eigen kennis en vaardigheden. Terwijl de ervaren werkbelasting niet hoger wordt. Dus eigenlijk is het voor de bedrijfsarts ook nog goed om meer tijd te kunnen besteden aan preventieve taken.’


