Dit artikel verkent polycrisis-denken als aanvullende heuristische lens op langdurig en complex ziekteverzuim. Niet als nieuwe theorie of vervanging van bestaande modellen, maar als hulpmiddel om situaties te analyseren waarin gezondheidsproblemen, werkbelasting, organisatieveranderingen, zorgfragmentatie en bestaansonzekerheid elkaar versterken.
Voor bedrijfs- en verzekeringsartsen betekent dit dat niet alleen de afzonderlijke belastbaarheid wordt beoordeeld, maar ook de context waarin herstel en participatie moeten plaatsvinden. Binnen de Ziektewet vraagt dit specifiek aandacht voor het ontbreken van een actuele werkgever en concrete werkplek, het verlies van arbeidsstructuur en de belasting die het re-integratietraject zelf kan meebrengen.
Het doel is niet verantwoordelijkheid bij het individu weg te nemen. Het doel is interventies beter te richten en te voorkomen dat goedbedoelde activering de ontregeling verder vergroot.
Een lineair model in een niet-lineaire werkelijkheid
In de verzuimpraktijk werken we vaak volgens een logisch proces. Er is een gezondheidsprobleem, daaruit volgen beperkingen, vervolgens wordt de belasting aangepast en daarna kan het werk stapsgewijs worden hervat. Deze werkwijze brengt structuur, verdeelt verantwoordelijkheden en ondersteunt herstel.
De werkelijkheid is alleen niet altijd zo ordelijk.

Vooral bij langdurig verzuim waarin herstel of werkhervatting stagneert, kunnen verschillende processen gelijktijdig spelen. Iemand heeft aanhoudende gezondheidsklachten, wacht op diagnostiek, ervaart onzekerheid over inkomen en wordt tegelijkertijd geacht verder op te bouwen of stappen richting participatie te zetten. In het werk kan sprake zijn van reorganisatie, personeelskrapte, beperkte aanpassingsmogelijkheden of wisselingen in begeleiding.
Elk van deze factoren is afzonderlijk misschien hanteerbaar. In combinatie kunnen zij een dynamiek vormen waarin herstel steeds moeilijker wordt.
De gebruikelijke reactie is dan vaak om afzonderlijke onderdelen te intensiveren: aanvullende behandeling, meer begeleiding, duidelijkere afspraken of strakkere sturing. Dat kan zinvol zijn. Maar niet wanneer juist de stapeling van interventies nieuwe belasting veroorzaakt.
Het risico bestaat dat iedere professional rationeel handelt vanuit het eigen domein, terwijl het geheel voor de werknemer steeds minder samenhangend wordt.
Complexiteitstheorie maakt duidelijk waarom eenvoudige oorzaak-gevolgrelaties in zulke situaties tekort kunnen schieten. Complexe adaptieve systemen bestaan uit onderdelen die elkaar voortdurend beïnvloeden. Veranderingen verlopen daardoor niet altijd lineair. Een relatief kleine verstoring kan, afhankelijk van de toestand van het systeem, grote gevolgen hebben. Omgekeerd leidt een intensieve interventie niet vanzelf tot een evenredig groot effect.1
Dat betekent niet dat verzuim onvoorspelbaar of niet beïnvloedbaar is. Het betekent wel dat we bij stagnatie van herstel, werkhervatting of re-integratie breder moeten kijken dan naar één oorzaak, één actor of één interventie.
Polycrisis: van mondiaal begrip naar praktisch denkkader
Lawrence et al.2 beschrijven een mondiale polycrisis als de causale verwevenheid van crises in verschillende systemen, waarbij de gezamenlijke schade anders en meestal groter is dan de schade die de afzonderlijke crises zouden veroorzaken.
Zij onderscheiden drie mechanismen. Verschillende crises kunnen voortkomen uit gemeenschappelijke onderliggende stressoren. Een verstoring in het ene systeem kan via domino-effecten ook doorwerken in andere systemen. Ten slotte kan intersystemische feedback ontstaan, waarbij de gevolgen van de ene crisis een andere crisis versterken, die vervolgens weer terugwerkt op de eerste.
Dit model is ontwikkeld voor mondiale crises. Een langdurig verzuimtraject is geen mondiale crisis en het begrip kan daarom niet zonder meer worden overgenomen in de arbeids- of verzekeringsgeneeskunde.
Niet het verzuimtraject zelf, maar de mechanismen van verwevenheid vormen in dit betoog het analytische vertrekpunt. Polycrisis-denken wordt gebruikt als heuristische lens: een manier van kijken die helpt om mogelijke samenhang, cascades en terugkoppeling zichtbaar te maken.
Voor deze beschouwing onderscheid ik vijf domeinen die verweven kunnen raken:
• de gezondheid en functionele mogelijkheden van de werknemer;
• de feitelijke belasting, hulpbronnen en organisatie van het werk;
• de kwaliteit en samenhang van behandeling en begeleiding;
• de sociale en financiële omstandigheden;
• de institutionele context van re-integratie en beoordeling.
Deze domeinen zijn niet nieuw. De ICF beschrijft functioneren als het resultaat van de wisselwerking tussen een gezondheidstoestand, activiteiten, participatie en persoonlijke en omgevingsfactoren.3 Het Job Demands-Resources-model laat zien dat hoge taakeisen vooral problematisch worden wanneer onvoldoende hulpbronnen beschikbaar zijn om deze op te vangen.4
De mogelijke toegevoegde waarde van polycrisis-denken ligt daarom niet in de ontdekking dat context ertoe doet. Dat inzicht bestaat al. Het kader vraagt vooral aandacht voor de wijze waarop factoren elkaar kunnen versterken en daarmee het herstelproces van karakter veranderen.
Wanneer problemen elkaar gaan versterken
Stel dat een werknemer na een infectie langdurig vermoeid en cognitief beperkt blijft. De belastbaarheid fluctueert en herstel na inspanning duurt langer dan verwacht. In dezelfde periode wordt de afdeling gereorganiseerd. Er zijn wisselende leidinggevenden en aangepaste taken zijn slechts beperkt beschikbaar. De werknemer wacht bovendien op specialistische diagnostiek en maakt zich zorgen over de naderende beoordeling van het arbeidsvermogen.
Geen van deze factoren hoeft afzonderlijk tot langdurige uitval te leiden. Hun interactie kan echter een zichzelf versterkend patroon vormen.
Door de fluctuerende belastbaarheid lukt de afgesproken opbouw niet. Die mislukte opbouw kan de onzekerheid bij werknemer en werkgever vergroten. Afspraken worden specifieker, evaluatiemomenten frequenter en de behoefte aan voorspelbaarheid neemt toe. De werknemer probeert signalen van overbelasting eerder te herkennen en benut goede dagen soms maximaal. Wanneer de belasting opnieuw de beschikbare herstelruimte overschrijdt, kan terugval ontstaan. Daarna neemt het vertrouwen in herstel verder af.
De werkgever ervaart handelingsverlegenheid. De werknemer ervaart toenemende onzekerheid over herstel en inkomen. En de bedrijfsarts krijgt de vraag om preciezer te voorspellen wat zich juist moeilijk laat voorspellen.
Het is te eenvoudig om dit uitsluitend te duiden als onvoldoende coping, vermijding, gebrekkige motivatie of een te hoge werkbelasting. Ook de diagnose alleen verklaart het verloop niet volledig. Het probleem ligt juist in de circulaire interactie tussen gezondheid, verwachtingen, werkorganisatie en institutionele onzekerheid.
In de door Lawrence et al.2 beschreven termen zijn verschillende mechanismen herkenbaar. Er zijn onderliggende stressoren die elkaar beïnvloeden: aanhoudende gezondheidsklachten, beperkte herstelmogelijkheden, organisatorische instabiliteit en onzekerheid over beoordeling en inkomen. Een mislukte opbouw kan vervolgens als trigger werken. Daarna kan een cascade ontstaan van terugval, toenemende onzekerheid, frequentere evaluatie, meer sturing en verder verlies van vertrouwen.
De reacties op de ontregeling worden dan onderdeel van de ontregeling zelf.
In systeemtermen is sprake van feedback. Een aanvankelijke verstoring leidt tot reacties die de oorspronkelijke verstoring onbedoeld kunnen versterken. Dat past bij de niet-lineaire dynamiek van complexe adaptieve systemen, waarin het effect van een interventie afhankelijk is van de toestand van het systeem waarin zij wordt toegepast.1
Activering kan herstel en participatie ondersteunen, maar bij onvoldoende herkende fluctuerende belastbaarheid ook terugval uitlokken. Meer sturing kan duidelijkheid bieden, maar bij grote onzekerheid eveneens de ervaren dreiging vergroten. Rust kan tijdelijk noodzakelijk zijn, maar langdurige rust zonder perspectief kan ook leiden tot verlies van dagstructuur, verbinding en vertrouwen.
Een vergelijkbaar patroon is beschreven bij post-COVID, waar vermoeidheid en beperkingen in het dagelijks functioneren samenhangen met verminderd werkvermogen en aanpassingen na werkhervatting regelmatig nodig blijven.5 Deze bevindingen kunnen niet zonder meer naar iedere postinfectieuze aandoening worden vertaald. Zij illustreren wel hoe fluctuerende belastbaarheid en onvolledig herstel de terugkeer naar werk kunnen compliceren.
De richting van het effect is dus niet op voorhand gegeven. Dezelfde interventie kan in de ene context stabiliseren en in een andere context ontregelen. Timing, dosering, herstelvermogen en beschikbare hulpbronnen bepalen mede welke uitkomst ontstaat.
Individuele factoren blijven relevant
Een systeemperspectief mag niet leiden tot een nieuwe eenzijdigheid.
Ziekteverzuim is niet uitsluitend het gevolg van wat misgaat of schuurt in organisaties, instituties of procedures. De aard en ernst van de aandoening, behandeling, gedrag, verwachtingen, sociale steun, vaardigheden en persoonlijke omstandigheden blijven van betekenis. Ook blijven de keuzes en gedragingen van de werknemer, binnen de grenzen van diens mogelijkheden, van invloed op behandeling, herstel en samenwerking.
Individuele en contextuele factoren zijn geen concurrerende verklaringen. Zij beïnvloeden elkaar.
Een werknemer met goed behouden regelmogelijkheden en voldoende steun kan een hoge belasting soms langdurig opvangen. Dezelfde belasting kan problematisch worden wanneer autonomie, structuur en herstelmogelijkheden tegelijk afnemen. Omgekeerd kan een ondersteunende context beperkingen deels compenseren en participatie mogelijk houden.
Het is daarom weinig behulpzaam om te kiezen tussen medisch, psychisch, sociaal of institutioneel. Deze processen komen samen in het feitelijke functioneren van één persoon. De professionele opdracht is om vast te stellen welke factoren het meeste gewicht hebben, hoe zij elkaar beïnvloeden en welke daarvan veranderbaar zijn.
Systeemstress en herstel
In dit artikel gebruiken we het begrip ‘systeemstress’ voor een opeenstapeling van eisen, onzekerheden en afhankelijkheden die de beschikbare herstel- en regelmogelijkheden overstijgt.
Het begrip is breder dan allostatische belasting, maar sluit aan bij het principe dat langdurige aanpassing een biologische prijs heeft. Herhaalde of aanhoudende activering van adaptieve systemen kan bijdragen aan cumulatieve biologische belasting en het vermogen tot fysiologisch herstel onder druk zetten. McEwen onderbouwt daarmee het biologische mechanisme, niet de bredere organisatorische en institutionele invulling van systeemstress.6
Systeemstress is bovendien niet hetzelfde als een crisis. Het beschrijft de langzaam oplopende belasting die de kwetsbaarheid van het geheel vergroot. Wanneer daar een trigger bijkomt, kan een cascade ontstaan waarin verstoringen zich over verschillende domeinen verspreiden en elkaar via feedback versterken.2
Het gaat niet alleen om ervaren stress als klacht. Het gaat om een concrete context waarin iemand voortdurend moet schakelen tussen behandeling, werk, administratie, inkomensvragen, re-integratie en verwachtingen van verschillende professionals.
Onder zulke omstandigheden kan een werknemer steeds meer capaciteit besteden aan het beheersen van het traject zelf. Afspraken bijhouden, klachten opnieuw uitleggen, formulieren invullen, terugvallen verantwoorden en uiteenlopende adviezen op elkaar afstemmen, vormen dan een aanvullende belasting.
In deze tekst gebruiken we het begrip ‘coördinatielast’ voor de aanvullende belasting die ontstaat doordat een werknemer afspraken, informatie, procedures en adviezen uit verschillende domeinen op elkaar moet afstemmen. Vooral bij beperkte cognitieve of energetische belastbaarheid kan deze coördinatielast een substantieel deel van de beschikbare capaciteit innemen. In welke mate dit herstel en duurzame participatie beïnvloedt, vraagt nader empirisch onderzoek.
Onzekerheid over inkomen of beoordeling kan eveneens meewegen. Dat betekent niet dat medische of arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen op zichzelf schadelijk zijn. Zij bieden ook rechtszekerheid en toegang tot voorzieningen. De belasting ontstaat vooral wanneer procedures onduidelijk zijn, overdrachten ontbreken, informatie elkaar tegenspreekt of de werknemer geen reëel handelingsperspectief ervaart. De gevolgen daarvan verschillen per persoon. Ook beperkte gezondheids-, taal- of digitale vaardigheden en het ontbreken van een ondersteunend netwerk kunnen maken dat de eisen van het traject de beschikbare regelmogelijkheden overstijgen.
Dezelfde procedure of begeleiding kan daardoor voor de ene werknemer houvast bieden en voor de andere een aanvullende bron van belasting vormen. Herstel vraagt daarom niet altijd om méér interventies. De effectiviteit van werkgerichte interventies varieert tussen doelgroepen en programma’s. Uit de huidige literatuur kan geen afzonderlijk, universeel werkzaam interventie-element worden afgeleid.7,8
Meer begeleiding is dus niet vanzelf betere begeleiding.
Soms is eerst vereenvoudiging nodig: minder gelijktijdige doelen, één herkenbare koers, voorspelbare evaluatiemomenten en voldoende tijd om het effect van een stap te beoordelen.
Wat betekent dit voor de bedrijfsarts?
De bedrijfsarts kan het systeem niet volledig veranderen. Wel kan deze zichtbaar maken waar de interactie tussen gezondheid, werk en organisatie het herstel belemmert.
Dat vraagt om meer dan de vraag hoeveel uur of welke taken iemand kan verrichten.
Van belang zijn het patroon over tijd, het herstel na belasting, de frequentie van terugval en de invloed van opeenvolgende belastingen. Bij fluctuerende klachten zegt het functioneren op één goede dag onvoldoende over de duurzaamheid van de belastbaarheid.
Ook de feitelijke werkcontext moet worden onderzocht. Een functieomschrijving zegt weinig over werktempo, personele bezetting, regelmogelijkheden, sociale veiligheid, onderbrekingen en de werkelijke beschikbaarheid van aangepast werk.
Daarnaast moet worden nagegaan welke hulpbronnen aanwezig zijn en of de werknemer deze weet te benutten. Autonomie, steun, duidelijkheid, herstelruimte en vertrouwen kunnen belasting opvangen. Hun afwezigheid kan een op papier lichte taak toch zwaar maken. Concrete werkaanpassingen en steun door de leidinggevende kunnen werkparticipatie ondersteunen.9
Ook gelijktijdige interventies verdienen aandacht. Meerdere behandelingen, frequente evaluaties en verschillende opbouwdoelen kunnen afzonderlijk logisch zijn, maar gezamenlijk te veel vragen.
Een bruikbaar advies maakt daarom niet alleen zichtbaar wat de werknemer kan. Het benoemt ook onder welke voorwaarden dit mogelijk is, welke aanpassingen nodig zijn, wie daarvoor verantwoordelijk is en hoe wordt vastgesteld of de gekozen stap duurzaam blijkt.
Wat betekent dit voor de verzekeringsarts in de Ziektewet?
Binnen de Ziektewet beoordeelt de verzekeringsarts de belastbaarheid en adviseert deze over haalbare re-integratiestappen bij mensen zonder actuele werkgever en vaste werkplek. Door het ontbreken van een werkgever en concrete werkplek ontbreken belangrijke aangrijpingspunten die in een regulier re-integratietraject wel beschikbaar zijn.
Er kan niet eenvoudig worden geadviseerd om de eigen taak tijdelijk te vereenvoudigen, het tempo te verlagen of de werkdag anders in te richten. De vraag verschuift van herstel in het eigen werk naar terugkeer in werk dat nog niet concreet beschikbaar is.
Dat vraagt om een andere analyse.
Zelfregie is ook in reguliere verzuimbegeleiding van betekenis. Binnen de Ziektewet wordt daarop echter vaak een groter beroep gedaan, omdat de dagelijkse structuur, ondersteuning en concrete aangrijpingspunten van een werkgever en werkplek ontbreken.
Niet alleen de medische belastbaarheid is relevant, maar ook de mate waarin iemand structuur kan aanbrengen, afspraken kan overzien, initiatief kan nemen, mogelijkheden kan verkennen en tegenslagen kan opvangen. Het vermogen tot zelfregie is geen vast persoonlijk kenmerk. Zij is mede afhankelijk van cognitieve en energetische mogelijkheden, psychische belastbaarheid, sociale steun en de helderheid en voorspelbaarheid van het traject.
Ook moet worden gekeken naar de afstand tot participatie. Is nog sprake van een herkenbaar arbeidsritme? Zijn werkvaardigheden behouden? Is voldoende functionele ruimte beschikbaar om zonder dagelijkse werkcontext stappen te zetten? En sluit de ingezette begeleiding aan bij de actuele belastbaarheid?
Dit kan onder meer worden onderzocht aan de hand van het dagverhaal, de regelmaat van dagelijkse activiteiten, het nakomen van afspraken, deelname aan activiteiten buitenshuis, eerdere participatiepogingen en het herstel na belasting. Waar mogelijk wordt dit getoetst aan informatie van begeleiders en aan het functioneren over de tijd.
Het ontbreken van een werkgever betekent bovendien dat de uitvoeringsorganisatie en eventuele re-integratieprofessionals een grotere rol krijgen in het organiseren van samenhang. Wanneer meerdere professionals naast elkaar doelen formuleren, kan versnippering en verwarring ontstaan.
De verzekeringsarts kan vanuit de medische belastbaarheid helpen prioriteren en haalbare voorwaarden formuleren. Zo kan worden voorkomen dat activering wordt gebaseerd op theoretische mogelijkheden die in de praktijk nog niet duurzaam beschikbaar zijn.
Daarbij is niet alleen van belang of iemand een activiteit heeft uitgevoerd, maar ook welk effect deze had op herstel, dagstructuur, zelfzorg en functioneren in de dagen erna.
Van schema naar toetsbare werkhypothese
Juist wanneer verschillende belastingen en interventies elkaar kunnen versterken, is een lineair opbouwschema onvoldoende. Iedere activeringsstap verandert immers niet alleen de arbeidsbelasting, maar kan ook doorwerken in herstel, zelfzorg, behandeling, onzekerheid en vertrouwen.
Bij complexe trajecten is een opbouwschema daarom geen doel op zichzelf. Het is een toetsbare werkhypothese.
De vraag is niet alleen of iemand het afgesproken aantal uren of activiteiten heeft gehaald, maar ook tegen welke prijs. Blijft het functioneren buiten het werk of traject behouden? Is herstel binnen een redelijke termijn mogelijk? Neemt de voorspelbaarheid toe? Kan de belasting meerdere weken worden volgehouden zonder cumulatieve terugval?
Een opbouw of activeringsstap kan daarom beter worden vormgegeven als een proef met vooraf afgesproken evaluatiecriteria:
• Hoe verliep het herstel na de activiteit?
• Bleven zelfzorg en dagelijks functioneren behouden?
• Was de activiteit passend en betekenisvol voor het doel van het traject?
• Welke taak of context veroorzaakte de meeste belasting en welke aanpassing hielp?
• Is sprake van stabilisatie, gewenning of cumulatieve verslechtering?
Bijstelling is dan geen mislukking. Het biedt informatie.
Zo wordt voorkomen dat de uitvoering van het schema belangrijker wordt dan het doel ervan: duurzame participatie.
Eerst stabiliseren is niet hetzelfde als afwachten
Een belangrijk risico van systeemdenken is dat complexiteit een reden wordt om niets te doen. Dat is niet de bedoeling.
Stabiliseren betekent niet passief afwachten totdat alle problemen zijn opgelost. Het betekent dat de voorwaarden worden gecreëerd waaronder doelgericht handelen weer effect kan hebben.
Dat kan bestaan uit tijdelijke vereenvoudiging, één duidelijk aanspreekpunt, minder wisselingen in begeleiding, een beter voorspelbaar tempo, vaste herstelmomenten en duidelijke afspraken over wat bij terugval gebeurt.
Binnen de Ziektewet kan daarnaast een tussenstap nodig zijn waarin eerst dagstructuur, inzicht in het belastbaarheidspatroon of laagdrempelige participatie wordt opgebouwd. Dat kan bijvoorbeeld bestaan uit een vaste activiteit buitenshuis of passend vrijwilligerswerk, mits dit aansluit bij het doel van het traject en de actuele belastbaarheid en niet zonder nadere analyse wordt gelijkgesteld aan duurzame inzetbaarheid in arbeid.
Daarna kan gerichte bemiddeling naar werk volgen.
Soms sneller. Soms langzamer. En soms via een ander pad dan oorspronkelijk voorzien.
Grenzen van het perspectief
Polycrisis-denken is binnen de arbeids- en verzekeringsgeneeskunde geen gevalideerd beoordelingsmodel. Er zijn geen specifieke criteria of effectstudies waaruit blijkt dat toepassing van deze lens tot betere re-integratie-uitkomsten leidt.
Het begrip mag daarom niet als medische classificatie worden gebruikt. Ook mag het geen verklaring worden waarmee iedere stagnatie achteraf aannemelijk wordt gemaakt.
Een systeemanalyse moet toetsbaar blijven en zijn gebaseerd op het tijdsverloop, concrete observaties, informatie uit verschillende bronnen en plausibele mechanismen. Niet iedere samenloop is een causale verwevenheid. Niet iedere terugval is het gevolg van systeemstress.
Differentiaaldiagnostiek blijft noodzakelijk. Een systeemperspectief mag nooit een reden zijn om behandelbare ziekte, psychische problematiek, een arbeidsconflict, onvoldoende passende arbeid of tekortschietende begeleiding niet zorgvuldig te onderzoeken.
Het kader lijkt vooral bruikbaar bij langdurig verzuim waarin herstel, werkhervatting of re-integratie herhaaldelijk stagneert, de belastbaarheid sterk fluctueert, meerdere professionals betrokken zijn, de coördinatielast groot is en afzonderlijke verklaringen het verloop onvoldoende inzichtelijk maken.
Een agenda voor onderzoek
De bruikbaarheid van dit perspectief zal empirisch moeten worden onderzocht.
Onderzoek zou zich vooral moeten richten op het longitudinale samenspel tussen medische belastbaarheid, werkcontext, verlies van arbeidsstructuur, institutionele onzekerheid en coördinatielast. Voor de Ziektewet is daarbij specifiek van belang welke tussenstappen participatie ondersteunen wanneer een concrete werkgever en werkplek ontbreken.
Een toetsbare vraag is in welke mate fluctuerende belastbaarheid, coördinatielast en institutionele onzekerheid elkaar over tijd versterken, en of juist die interactie stagnatie van herstel, werkhervatting of re-integratie voorspelt.
De centrale vraag is niet alleen welke factoren aanwezig zijn, maar hoe zij elkaar beïnvloeden. Daarnaast moet worden onderzocht of meer samenhang in behandeling, beoordeling en begeleiding daadwerkelijk leidt tot duurzamere participatie.
Tot slot
De meeste verzuimtrajecten vragen niet om een nieuw paradigma. Een passende diagnose, ingezette behandeling, werkgerichte begeleiding en stapsgewijze activering blijven de basis.
Maar wanneer herstel ondanks serieuze inspanningen blijft vastlopen, moeten we onderzoeken of het probleem niet alleen in de afzonderlijke onderdelen zit, maar ook in hun onderlinge samenhang.
Polycrisis-denken kan dan helpen om te zien hoe gezondheidsproblemen, werkbelasting, verlies van werkstructuur, zorg, bestaansonzekerheid en institutionele processen elkaar beïnvloeden.
Niet om het individu buiten beeld te plaatsen. Juist om diens functioneren beter te begrijpen.
Soms vraagt herstel om activering. Soms om aanpassing. En soms moet eerst de stapeling van belasting worden doorbroken, voordat een volgende stap werkelijk mogelijk wordt.
Leerpunten
• Bij langdurig verzuim waarin herstel, werkhervatting of re-integratie stagneert, kunnen gezondheidsproblemen, werkfactoren, verlies van structuur, zorgfragmentatie en institutionele onzekerheid elkaar wederzijds versterken.
• Polycrisis-denken is geen diagnose of gevalideerd beoordelingsmodel, maar kan dienen als aanvullende heuristische lens.
• Binnen de Ziektewet vraagt het ontbreken van een werkgever om specifieke aandacht voor dagstructuur, beschikbare zelfregie, afstand tot participatie en samenhang in de begeleiding.
• Een opbouw- of activeringsstap kan beter worden beschouwd als een toetsbare werkhypothese dan als een vooraf vaststaand herstelpad.
Literatuur
1. Plsek PE, Greenhalgh T. Complexity science: the challenge of complexity in health care. BMJ. 2001;323(7313):625–628. doi:10.1136/bmj.323.7313.625.
2. Lawrence M, Homer-Dixon T, Janzwood S, Rockström J, Renn O, Donges JF. Global polycrisis: the causal mechanisms of crisis entanglement. Global Sustain. 2024;7. doi:10.1017/sus.2024.1.
3. World Health Organization. International classification of functioning, disability and health: ICF. Geneva: World Health Organization; 2001.
4. Bakker AB, Demerouti E. The Job Demands-Resources model: state of the art. J Manag Psychol. 2007;22(3):309-328. doi:10.1108/02683940710733115.
5. Ottiger M, Poppele I, Sperling N, Schlesinger T, Müller K. Work ability and return-to-work of patients with post-COVID-19: a systematic review and meta-analysis. BMC Publ Health. 2024;24:1811. doi:10.1186/s12889-024-19328-6.
6. McEwen BS. Stress, adaptation, and disease: allostasis and allostatic load. Ann NY Acad Sci. 1998;840:33–44. doi:10.1111/j.1749-6632.1998.tb09546.x.
7. Tingulstad A, Meneses-Echavez JF, Evensen LH, Bjerk M, Berg RC. Effectiveness of work-related interventions for return to work in people on sick leave: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Syst Rev. 2022;11:192. doi:10.1186/s13643-022-02055-7.
8. De Geus CJC, Huysmans MA, Van Rijssen HJ, et al. Elements of return-to-work interventions for workers on long-term sick leave: a systematic literature review. J Occup Rehabil. 2025;35:159-180. doi:10.1007/s10926-024-10203-0.
9. Jansen J, Van Ooijen R, Koning PWC, Boot CRL, Brouwer S. The role of the employer in supporting work participation of workers with disabilities: a systematic literature review using an interdisciplinary approach. J Occup Rehabil. 2021;31(4):916-949. doi:10.1007/s10926-021-09978-3.


