‘Onze bedrijfsarts is op vakantie. Uw accountmanager zei dat u ook ervaren bent. Gisteravond hadden we een ernstig bedrijfsongeval. De bedrijfsbrandweer en de ambulance waren nodig voor een jonge leerling-monteur. Liep net stage bij ons. Hij lag bewusteloos en bloedend op een van de steigers. Het industrieterrein is groot en het was donker en erg mistig. Daardoor konden we hem niet zo snel vinden. Nee, wat er precies is gebeurd weten we nog niet. Hij had wel dood kunnen zijn.’
‘De ambulancemedewerkers vroegen ons over een infuusding. Dat droeg de jongen op zijn lichaam. Bleek voor suikerziekte te zijn. We hadden geen idee. Heb net van de voorman gehoord dat hij bij kennis is en vanmiddag van de IC naar zaal mag. Gelukkig!’
‘Onze Amerikaanse CEO belde meteen. Letsel door een bedrijfsongeval met ziekenhuisopname en verzuim, dan wordt er maximaal geëscaleerd. We hebben een heel strikt veiligheidsbeleid. In zo’n situatie moet u snel een werkadvies geven aan HR en de directie. Ja, en aan de leerling-monteur, zeker. Die Amerikanen. Zijn vooral bang voor claims. Sorry. Als het maar goed komt met de jongen. Dat is het belangrijkste’. Na een geladen stilte beëindigt de aangeslagen projectleider snel het telefoongesprek.
De volgende dag krijg ik bericht dat het beter gaat met de jonge monteur. Twee weken later haal ik hem samen met zijn vader op uit de wachtkamer. Vader kijkt bezorgd en zegt. ‘Wij zijn verschrikkelijk geschrokken. Hij wil het u zelf graag vertellen. Liefst zonder mij erbij. Ik wacht hier wel’. Op het hoofd van de zoon zie ik een groot litteken. ‘Sinds twee jaar heb ik diabetes type 1. Ik was niet gemakkelijk in te stellen met de insulinepen. En ik wilde graag op niveau blijven sporten. Dus heb ik een insulinepomp gekregen. Daarna ging het beter. Maar je moet heel gedisciplineerd blijven met eten en bloedsuikercontroles. Ik heb ook zo’n nieuwe glucosesensor.’
‘De baas wist niet van mijn suikerziekte, mijn maatje wel. Hij ging een half uurtje eerder weg. Maar vanwege de veiligheid mag je niet alleen werken. Ik voelde dat ik een lage suiker kreeg en wilde naar de kledingkeet gaan voor eten. Toen moet ik gevallen zijn. Ja, dat hebben ze me verteld. Hoe lang ik bewusteloos ben geweest? Twee uur misschien? Ik was onderkoeld en ik had kneuzingen en een flinke hoofdwond. In het ziekenhuis vertelden ze me dat. Contusio cerebri, zei de dokter: hersenkneuzing. En een coma door een erg lage bloedsuiker. Heb nu last van duizeligheid en mijn evenwicht. Ja, en van drukte en harde geluiden. Ik ben ook vergeetachtig. Concentreren en lezen gaat moeizaam. Ik merk al wel verbetering.’
‘Ik had nog gesport en daarna had ik vlak voor het werk een nieuwe glucosesensor ingebracht. Alleen werkt die pas na twee uur opwarmen en daarna moet ie gekalibreerd worden. Nee, op de steiger had ik geen bloedsuikermeter, suikertabletjes of eten bij me. Lagen in de kledingkeet. Dom, natuurlijk.’ Beduusd kijkt de gespierde jongeman mij aan. ‘De voorman zei dat hij groot alarm had geslagen toen hij merkte dat mijn toegangstag niet uitgelogd was. Mijn ouders waren zo blij toen ik bijkwam. Ze huilden allebei. Zij vinden dat ik altijd mijn bloedsuikermeter en voldoende eten bij me moet hebben. Controleer nu voor de zekerheid vaker mijn suiker. Ik heb zo’n geluk gehad. Werken kan zeker nog niet?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, en skeeleren voorlopig ook niet. Je ouders hebben gelijk,’ zeg ik te streng.
Een week later belt de nieuwe vestigingsmanager. ‘Ik ben veranderd van bedrijf,’ hoor ik een bekende stem zeggen. ‘Onze eigen bedrijfsarts vindt het prima dat je ons helpt bij dit ernstige ongeval. We willen voor monteurs met suikerziekte een aanvulling maken op onze veiligheidsrichtlijn. Volgens mij kun jij helpen die te schrijven. Wil je dat doen?’ Terwijl ik aan mijn volle werkagenda denk, aarzel ik even. ‘Is goed,’ antwoord ik toch.
‘Mooi. We denken dat de leerling-monteur gevallen is door de lage bloedsuiker. Hij had niet alleen mogen werken. Zijn jonge collega voelt zich nu vreselijk schuldig. Vroeger spraken jij en ik wel eens over de “wet van Murphy” wanneer er iets misging,’ vervolgt hij. ‘Maar volgens mij is dit nare bedrijfsongeval een gevalletje van “Hanlons scheermes”. Weet je wat dat is?’
‘Nee’, zeg ik. ‘Geen idee.’
‘Nou, dat is de stelling dat als iets fout gaat niet meteen aan kwade opzet moet worden gedacht wanneer onnozelheid een afdoende verklaring is. Maar het zijn goeie jongens, die twee. Ik ben heel blij dat het met onze stagiair beter gaat. Als jonge hond deed ik veel dommere dingen. Net als jij. Of niet?’
Tjalling Hon, bedrijfsarts niet-praktiserend


