Hans Rode is psychiater, coach en trainer. Hij werkte onder meer als SEH-arts, staflid en medisch directeur in binnen- en buitenlandse ziekenhuizen en heeft ervaring als ondernemer. Hij begeleidt artsen en zorgverleners bij mentale fitheid en duurzame inzetbaarheid. Rode is spreker op het 22e TBV-congres, waar het thema uitval door vermoeidheid centraal staat.
Wanneer werd voor jou duidelijk dat het anders moest?
‘Toen ik arts in opleiding tot psychiater was. Ik had al ruime werkervaring als spoedeisende arts en als medisch directeur in Nederland en in een ziekenhuis in Oost-Afrika. Terug in opleiding ben je toch weer een soort jongste bediende. Bovendien liep ik aan tegen de dagelijkse stress van werken in een academisch ziekenhuis. Ik merkte dat ik op allerlei gebieden overvraagd werd: de systemen, de werkdruk en de confrontatie met veel verdriet, ellende en lijden van patiënten. Dit, in combinatie met de Nederlandse mentaliteit van “het beste jongetje van de klas” willen zijn, brak me op. Ik werd niet overspannen of zo, maar ik vond het op z’n minst heel stressvol en onprettig. Ik dacht: hoe doen mensen dit?’
Kwam dat voor jou onverwacht?
‘Nee, maar ik schrok wel van wat ik om me heen zag gebeuren. Collega-artsen die somber werden, een burn-out kregen, psychotisch werden of zichzelf van het leven beroofden. En dat nota bene binnen de vakgroep psychiatrie, die toch een soort ambassade is van mentaal welbevinden. Ik had ideeën om daar iets aan te doen, maar tijdens mijn opleiding kreeg ik die niet van de grond. Als aios sta je onder druk en werk je niet altijd in een psychologisch veilige omgeving waarin je fouten kunt toegeven of je zwakheden kunt tonen. Ik pleegde roofbouw op mezelf om overeind te blijven. Sindsdien focus ik me op duurzame inzetbaarheid van medische professionals.’
Jongere artsen kunnen vaak wat beter relativeren
Neemt werk bij artsen een te grote plaats in hun leven in?
‘Werk is belangrijk, en dat is goed. Er is ook niets mis mee om daar een deel van je identiteit aan te ontlenen. Werk geeft statuur, inkomen, rolverdeling en zingeving. Maar bij veel artsen staat die identiteit altijd aan, ook thuis. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang je die identiteit ook weer kunt loslaten. Dus ook nadenken over waar je als niet-arts behoefte aan hebt, wat je prettig vindt om te doen en wat je hobby’s zijn. De artsenidentiteit is nog steeds voor een belangrijk deel verkleefd met twee belangrijke ingrediënten: de patiënt gaat voor en toon geen zwakheden. Dat zijn twee adagia waar artsen maar moeizaam onderuit komen en die duurzame inzetbaarheid soms in de weg staan. Je schuift je privéleven en persoonlijke interesses gemakkelijk opzij. Je moet je identiteit niet te serieus nemen en zien als iets fluïde, niet als een vast stramien. Voor mijn generatie is dat lastig. Jongere artsen kunnen vaak wat beter relativeren: het is maar werk.’
Welke vaardigheden hebben artsen nodig om het vol te houden?
‘Allereerst verbinding. Met je collega’s, je thuisfront, vrienden en hobby’s. Saamhorigheid en verbinding met collega’s en naasten zijn sterke beschermende factoren tegen stress en uitval. Zodra een van die verbindingen wegvalt, wordt het werk zwaar en isolerend. Dan wordt het een soloworstelactie. Daarnaast moet je als arts zelf ook leven naar de adviezen die je anderen geeft. Practice what you preach.’
Wat speelt er nog meer een rol?
‘Artsen moeten zich een zekere autonomie toe-eigenen in hun werk. Dus niet werken op een poli zonder pauzemogelijkheden. Zelf invloed hebben op je agenda en op het type patiënten dat je op een dag ziet. Je moet niet alles laten bepalen door opdrachtgevers, werkgevers, verzekeraars of maatschappelijke verwachtingen. Competentie is ook belangrijk. Niet alleen vakinhoudelijk, maar ook in secundaire vaardigheden. Denk aan het omgaan met informatiesystemen en medische dossiers. Dat gaat vaak mis. Nieuwe systemen worden ingevoerd zonder dat artsen daar goed in worden meegenomen. Dat kost onnodig veel energie en frustratie. Durf daarom ook eens nee te zeggen tegen een onzinnige verandering.’
Zie je ook artsen die het juist goed volhouden?
‘Zeker. Sommige artsen hebben daar een soort talent voor. Ik interview hen voor mijn volgende boek. Zij zorgen bewust voor plezier in hun werk. Uit de literatuur blijkt dat je ongeveer twintig procent van je tijd moet besteden aan dingen die je leuk vindt. Dan kom je die andere tachtig procent ook wel door. Ook zie je dat zij hun authenticiteit meenemen in hun werk. Met andere woorden: ze zijn wie ze zijn, ook in de spreekkamer. En als je niet meer weet wie je bent, dan is het belangrijk om daar hulp bij te zoeken. Dat is geen zwakte, maar een van de voorwaarden om het vak vol te houden.’


