Het contact tussen bedrijfsarts en werknemer wordt stroever gedurende de re-integratie. De werknemer klaagt dat de bedrijfsarts geen actuele informatie heeft opgevraagd bij de behandelaren en daardoor een onjuist advies heeft gegeven. Het college komt echter tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klaagster is als accountmanager werkzaam geweest bij een bedrijf. Na een auto-ongeval heeft zij zich bij haar werkgever ziekgemeld. Na een jaar is de begeleiding van het ziekteverzuim door een andere arbodienst overgenomen. Het eerste contact met de nieuwe bedrijfsarts was telefonisch. Tijdens het consult heeft klaagster voorgesteld om informatie op te vragen bij de psycholoog. De bedrijfsarts heeft aangegeven dit te zullen doen na ontvangst van een getekende versie van de daarvoor bestemde machtigingsformulieren. De bedrijfsarts heeft wel vastgesteld dat er bij klaagster geen benutbare mogelijkheden waren vanwege ernstige beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en dat klaagster niet in staat was tot re-integratieactiviteiten. Na ontvangst van de ondertekende machtigingsformulieren heeft de bedrijfsarts informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog van klaagster.
Een volgend contact was een digitaal consult. Een aantal maanden later heeft er wederom een telefonisch consult plaatsgevonden. Dit consult was op verzoek van klaagster eerder ingepland. De verkregen informatie op gestelde vragen was als volgt:
Hoe de re-integratie aan te sluiten bij de behandeldoelen: ‘U zult het re-integratieproces en de belasting die dat oplevert met cliënte moeten bespreken. In het algemeen is passiviteit bij depressie niet wenselijk en overbelasting ook niet. Eenduidige adviezen zijn moeilijk te geven en het gaat vaak om een plan-do-check-cyclus eerder dan een op voorhand gegeven vaste regel. Wel zouden we kunnen noemen dat er bij cliënte momenteel grotere kans is op overbelasting dan onderbelasting. Haar draagkracht is momenteel beperkt.’
Na een volgend fysiek consult rapporteert de bedrijfsarts:
‘Medewerker ontvangt adequate en intensieve behandeling om tot verbetering van de belastbaarheid te komen. Het contact tussen werkgever en medewerker kan laagfrequent onderhouden worden door telefonische contacten. Doel van de contacten is medewerker op de hoogte houden van ontwikkelingen binnen het bedrijf en sociale steun bieden om te voorkomen dat er een kloof ontstaat.’
Verder heeft de bedrijfsarts geschreven dat het telefonisch contact tussen klaagster en de werkgever volgens klaagster stroef verliep, waardoor het herstel mede stagneerde. De bedrijfsarts heeft de casemanager verzocht om hierover contact op te nemen met de werkgever en geschreven dat, zodra de knelpunten in het contact waren opgelost, de regelmatige telefonische contacten konden worden gecontinueerd. Klaagster heeft aangegeven dat zij dit niet meer wilde, omdat zij een second opinion wenste.
Passiviteit bij depressie is niet wenselijk en overbelasting al evenmin
In de terugkoppeling heeft de bedrijfsarts onder meer geschreven:
‘Medewerker wil het oppakken van het contact uitstellen. Ik heb echter tijdens het spreekuur geadviseerd om het contact juist wel te herstellen vanwege sociale steun die werkgever kan bieden: ritme en structuur (in geval van re-integratiemogelijkheden) en dat contact juist herstelbevorderend kan zijn. In de eerder ontvangen informatie van haar behandelaar wordt ook aangegeven dat juist het oppakken van activiteiten ondersteunend kan zijn bij het herstel.
Medewerker geeft aan het niet eens te zijn met de gegeven adviezen en vraagt om een second opinion bij een andere bedrijfsarts. Verzoek aan de casemanager om medewerker over de aanvraagprocedure te informeren.’
Twee weken later is de werkgever overgegaan tot een loonstop, omdat klaagster volgens de werkgever niet voldoende meewerkte aan de re-integratie.
De klacht
Klaagster verwijt de bedrijfsarts onder meer dat zij:
1.Onvoldoende actuele informatie heeft opgevraagd bij de behandelaren van klaagster, gezien de ernst, het verloop en de duur van het ziektebeeld;
2.Onjuiste informatie heeft vermeld in het verslag van het fysieke consult;
3.Het advies van de psycholoog compleet genegeerd heeft.
Overwegingen regionaal tuchtcollege
Na de verkregen informatie zijn er geen zodanige veranderingen in de gezondheidstoestand van klaagster dat het voor de re-integratiebeoordelingen nodig was om actief opnieuw informatie op te vragen bij de behandelaren.
Overweging tuchtcollege bij klacht 2 en 3: Anders dan klaagster heeft aangevoerd, kan uit het advies van de behandelaren wel worden opgemaakt dat het oppakken van activiteiten ondersteunend kan zijn bij het herstel. De behandelaren hebben immers opgemerkt dat passiviteit bij depressie niet wenselijk is en overbelasting ook niet. De bedrijfsarts heeft dit – zoals ook van haar verwacht mocht worden – uitgedrukt in een niet-medische vertaling zoals is opgenomen in de rapportage, die navolgbaar is. De bedrijfsarts heeft naar het oordeel van het college op goede gronden kunnen komen tot het door haar gegeven advies.
Juist vanwege het bieden van ondersteuning via bevordering van communicatie tussen klaagster en werkgever, en niet voor het oplossen van een conflict, heeft de bedrijfsarts in overweging gegeven om een mediator in te schakelen.Conclusie: het tuchtcollege vindt de klachten ongegrond.
Commentaar: steun voor activerende benadering
Het zal niet vaak voorkomen dat een bedrijfsarts een contact tussen werkgever en werknemer afraadt. De richtlijnen voor bedrijfsartsen ondersteunen een activerende benadering. De bedrijfsarts kan een escalatie niet altijd voorkomen.