De SGBO bestaat 65 jaar! Eén van mijn oud-collega’s vroeg me om een terugblik te schrijven op hoe het ooit begon. Ik reageerde met: ‘hoe oud denk je dat ik ben? Zou ik er 65 jaar geleden al bij zijn geweest?’.
Toch kan ik een flink eind terug in de tijd. In 1985 kreeg ik bij mijn start als junior docent Sociale Geneeskunde een werkplek in het Bisschop Hamerhuis, een voormalig klooster dat gebruikt werd door de Radboud Universiteit. De SGBO zat daar ook en maakte gebruik van een van de grotere ruimtes als cursuslokaal. Dat was voldoende, want er waren steeds maar twee of drie groepen die bedrijfsarts werden.
Henk Wolvetang was destijds hoofd van de opleiding tot bedrijfsarts. Een inspirerende man die ik al kende, omdat hij ook docent was in de geneeskundeopleiding. Zijn verhalen over zijn werk bij een bedrijfsgezondheidsdienst droegen ertoe bij dat verschillende studiegenoten bedrijfsarts zijn geworden. ‘Zorg bieden aan arbeiders’ paste bovendien in het linkse klimaat van die tijd.
In 1988 kon ik starten met de opleiding tot bedrijfsarts. Ik kwam niet bij Henk, maar bij Alfons Vernooy in de groep. De opleiding was beslist anders dan dat die nu is. Om te beginnen hadden we een groep met 28 deelnemers, voornamelijk mannen. De opleiding duurde 2,5 jaar en had een ruim accent op preventieve taken. Bij verzuim kwamen werknemers in die tijd bij een verzekeringsarts.
Het onderwijs bestond vooral uit presentaties voor de hele groep. Je luisterde, je maakte wat aantekeningen en af en toe stelde iemand een vraag. Erg (inter)actief was het niet. Het accent lag sterk op kennisoverdracht. Er was wat aandacht voor communicatieonderwijs tijdens een tweedaagse bijeenkomst ‘op de hei’. Andere vaardigheden leerde je wel in de praktijk. Het meest praktische element van de instituutsopleiding waren twee of drie excursies naar grote bedrijven, onder andere naar Shell in Pernis. Anders dan nu was er geen oog voor onze persoonlijke en professionele ontwikkeling. Ik kan me niet herinneren dat ooit is gevraagd om een reflectieverslag te schrijven. Mijn uiteindelijke portfolio stelde niet veel voor als je het vergelijkt met wat nu gebruikelijk is.
Medisch (vervolg)onderwijs berustte lang op de eeuwenoude verwachting dat de leerling het vak in de vingers krijgt door het gedrag van de leermeester zo goed mogelijk te kopiëren. Wolvetang en Vernooy deelden daarom een ruim aantal anekdotes over praktijksituaties waarin ze wel of niet succesvol hadden gehandeld. Dat droeg bij aan de sfeer, maar we konden er ook van leren. Er was nog geen oog voor zoiets als persoonlijke effectiviteit en een individuele stijl, laat staan voor de relatie tussen deze begrippen.
De opleiding is, onderwijskundig en inhoudelijk gezien, stap voor stap verbeterd. Je steekt er tegenwoordig beslist meer van op. Een belangrijke verbetering is dat er nu naast instituutsopleiders ook gedragswetenschappelijke docenten zijn aangesteld. Aios zullen af en toe moe worden van alle aandacht voor hun professionele handelen. Maar hoe je dingen aanpakt, bepaalt in belangrijke mate het resultaat. Met alleen vakinhoudelijke kennis kom je niet ver meer.
Joost van der Gulden is TBV-redacteur
contact: joost.vandergulden@icloud.com


