Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Schering en inslag; textielarbeid in Nederland

André Weel
André Weel
Jurjen Breedijk
Jurjen Breedijk
Het vakgebied Arbeid en Gezondheid kent een lange en rijke geschiedenis. André Weel en Jurjen Breedijk, beide bedrijfsarts en curator bij het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland op Urk, werken aan een Canon waarin deze geschiedenis in enkele tientallen bijdragen wordt samengevat. Deze teksten worden te zijner tijd gebundeld in een boek (de Canon voor Arbeid en Gezondheid), maar verschijnen daarvoor al op TBV-online.
Wikimedia commons

De Nederlandse textielarbeider is van oudsher blootgesteld aan zich steeds herhalende bewegingen. Van zichzelf en van het weefgetouw. De uitdrukking schering en inslag komt dan ook uit de weverij, waar de schering (de lengtedraden) en de inslag (de dwarsdraden) samen de stof moeten vormen. Op een weefgetouw worden de draden in de lengte gespannen (de schering). De draden die daar haaks doorheen gaan (de inslag) vormen samen met de schering de stof. In overdrachtelijke zin betekent deze uitdrukking dat iets heel vaak voorkomt of aan de orde van de dag is. Schering en inslag duidt op een zich herhalende, meestal ongewenste situatie.

De geschiedenis van de textielnijverheid in Nederland lijkt veel op die van de mijnarbeid. Beide zijn al eeuwenoud. Beide kennen repeterende bewegingen. In beide zien we hoe het werk zich heeft ontwikkeld van zware uitbuiting naar meer gereguleerde arbeid. Als we vooral letten op de arbeid en de arbeidsomstandigheden kunnen we in de textielnijverheid zes periodes onderscheiden.

1. De vroege periode (tot ca. 1800): huisnijverheid

Al in het begin van de achttiende eeuw maakt Ramazzini in zijn De morbis artificum melding van de impact van textielarbeid op de mens. In de Nederlandse vertaling uit 1724 lezen we het volgende:

Thans is de Weefkonst ’t eenemaal in Handen van het gemene Volk van Wevers en Weefsters overgegaan, en het is nog al veel, indien dat edele Vrouwen op het Geweev hebben leeren Borduren. Voorwaar een zodanigen Arbeid is werksaam, want het gantse Lighaam werd geoeffent, beide de Handen, de Armen, de Voeten, den Rug, so dat ‘er geen deel is, dewelke tot dit Werk op een en den selfden Tijd niet in beweging is.

De textielproductie vindt vooral thuis plaats. We spreken van huisnijverheid. Hele gezinnen zijn aan het spinnen en weven. Men maakt vaak lange werkdagen, maar er is wel sprake van autonomie voor wat betreft het plannen en het tempo van het werk. De inkomsten zijn laag en onzeker. Naast het spinnen en weven thuis werken veel gezinnen ook in de landbouw. Er is nog geen sprake van fabrieksdiscipline of arbeidswetgeving.

2. De industrialisatie (negentiende eeuw): fabrieken en verslechtering

We zien een overgang van huisnijverheid naar fabrieksarbeid. Na 1870 komen stoommachines in bedrijf en moeten de thuiswevers het veld ruimen. In Nuenen blijft het weven nog lang een bijverdienste voor de boeren. Deze wevers weven vooral voor zichzelf en voor de locale markt.

Vincent van Gogh legt in Brabant vooral het boerenleven vast. Ook de wevende boer past daarin. In Nuenen wonen in 1884 meer dan vierhonderd thuiswevers. Vincent raakt gefascineerd door deze ambachtslieden en wil hun armoedige bestaan vastleggen. ‘Ik hoor ze niet klagen, maar ze hebben het bar,’ schrijft hij aan zijn broer Theo.


Met de opkomst van fabrieken, zoals in Noord-Brabant, Twente en Leiden, gaat er veel veranderen. De steden Tilburg en Enschede maken een snelle groei door.

Het is de periode met de slechtste arbeidsomstandigheden:
• zeer lange werkdagen van 12 tot 14 uur; wel vaste werktijden
• onveilige en ongezonde werkplekken (gevaarlijke machines met draaiende delen, slechte ventilatie, stof, lawaai)
• vrouwen en kinderen werken mee in de fabriek, kinderen soms al vanaf 5 of 6 jaar.
• een strikte hiërarchie tussen fabriekseigenaren en arbeiders.

Samuel Coronel doet tussen 1856 en 1860 onderzoek bij Zeeuwse calicotwevers. Zijn conclusie is dat de belasting groot is als gevolg van de ‘slechte gewoontes, verkeerde houdingen en weinig effectieve bewegingen van de wevers’. Vrouwen doen dat beter. Coronel: ‘Terwijl de man door zijne woeste en plompe verwringing van het lighaam het oog vermoeit, legt de vrouw daarbij een zekere sierlijkheid in hare bewegingen aan den dag, die eene zekere kalmte, door het rhytmische van de gang der machine, aan het oog verschaffen’. De belasting is volgens Coronel meer een gevolg van de lichaamshouding en de gewoonten van de wevers dan van de constructie van het weefgetouw: de wevers zitten scheef voor het getouw en maken verkeerde manipulaties, waardoor hun hoofd voortdurend in beweging is.

Mede door de lage lonen is er sprake van armoede en sociale misstanden, zoals slechte woonomstandigheden in de steden dicht bij de fabrieken (denk aan de arbeiderswijken in Tilburg).

3. Eind negentiende, begin twintigste eeuw: sociale strijd en eerste wetten

Door al deze misstanden komt het tot protesten: er is sprake van stakingen en sociale onrust (bijvoorbeeld in Veenendaal). Ook sabotage van weefgetouwen komt voor. Vakbonden en socialistische bewegingen komen op. De overheid onderzoekt de misstanden met arbeidsenquêtes en grijpt in met wetgeving, zoals het Kinderwetje van Van Houten van 1874 en de Leerplichtwet van 1901. Kinderen moeten naar school! Het is het begin van verbetering, maar de arbeidsomstandigheden blijven zwaar.

4. Twintigste eeuw (1900 – 1960): geleidelijke verbetering

Door de crisis van de jaren dertig komt de textielarbeider ernstig in de verdrukking. Niet alleen zijn zijn taken drastisch uitgehold; ook zijn de tarieven flink verlaagd. In het najaar van 1931 leggen in Twente 16.000 textielarbeiders het werk neer. De staking duurt tot april 1932 en is daarmee een van de langdurigste sociale conflicten die Nederland heeft gekend.

Na de Tweede Wereldoorlog is er sprake van groei en professionalisering van de textielsector. Er breekt een economische bloeiperiode aan. Verbeteringen zijn de kortere werktijden, de veiligere machines en fabrieksruimtes, en voorzieningen zoals kleedkamers en schaftlokalen. Maar het werk blijft fysiek zwaar en eentonig. Ook is er nog steeds sprake van een sterke hiërarchie tussen arbeiders en directie. Maar er zijn ook tekenen van een overgang naar modernere arbeidsverhoudingen:

• de opkomst van vakbonden en arbeidswetgeving (zoals verkorting van werktijden)
• een geleidelijke verbetering van de lonen
• meer inspraak van arbeiders via ondernemingsraden
• invoering van de vijfdaagse werkweek en verdere regulering.

5. Jaren 1960 – 1980: neergang van de textielsector

De concurrentie uit de lagelonenlanden groeit sterk. In Nederland sluiten veel fabrieken met als gevolg massale werkloosheid in de textielregio’s. De overgebleven bedrijven moderniseren en automatiseren. Terwijl de arbeidsomstandigheden verbeteren, gaat het werk uit Nederland verdwijnen.

6. Vanaf 1980: globalisering

De productie verplaatst zich vrijwel geheel naar de lagelonenlanden, waar de arbeidsomstandigheden meestal slechter zijn. In Nederland blijft slechts een kleine, gespecialiseerde sector over, met goede arbeidsomstandigheden (door wetgeving en cao’s). Veel fabrieken sluiten.

Samenvattend zien we voor wat betreft de Nederlandse textielindustrie een klassieke historische evolutie:

huisvlijt → industrialisatie → uitbuiting → sociale strijd → regelgeving →
→ globalisering → lagelonenlanden

Beroepsgebonden aandoeningen bij wevers

Bij wevers komen vooral ziekten voor die te maken hebben met stof, vezels en chemicaliën. De belangrijkste daarvan is byssinose ofwel de katoenlong. Deze is typisch voor wevers en spinners. De ziekte ontstaat door het inademen van katoen-, vlas- of hennepstof.

De klachten: zijn benauwdheid, hoesten, en ‘maandagkoorts’ na een weekeinde zonder blootstelling. Byssinosis lijkt op astma en kan chronisch worden.

Bestaande obstructieve longziekten zoals astma en COPD kunnen door textielarbeid verergeren.
Kleurstoffen en chemicaliën in het textiel kunnen een allergisch contacteczeem veroorzaken. Ook zijn allergische klachten van neus, keel en ogen beschreven, door contact van textielstof en -vezels met de slijmvliezen van luchtwegen en ogen.

De werkzaamheden van een wever kunnen leiden tot diverse klachten en aandoeningen van het bewegingsapparaat. Zoals Ramazzini het beschrijft: het gantse Lighaam werd geoeffent. Handen en armen maken voortdurend repeterende bewegingen (draden geleiden, knoppen bedienen). Vooral de polsen, onderarmen en schouders raken overbelast. De gevolgen kunnen zijn: klachten van arm, nek en schouder (KANS), peesontstekingen, en ook het carpaletunnelsyndroom.

De wever zit of staat langdurig aan het weefgetouw, vaak in dezelfde houding, met weinig afwisseling. Vooral bij een voorovergebogen houding neemt de belasting toe, met als gevolgen lage rugklachten, nek- en schouderpijn.

Het inrijgen en herstellen van draden is precisiewerk: fijne, geconcentreerd arbeid met kleine bewegingen. Dit leidt via langdurige spierspanning tot nek- en schouderklachten en een ‘muisarm’.

Het tillen en verplaatsen van garens en rollen stof komt veel voor. Dit zijn vaak zware of onhandige lasten. Mogelijke gevolgen zijn rugklachten en schouderblessures, vooral bij verkeerd tillen of tillen zonder hulpmiddelen.

Bij traditionele weefgetouwen vereist het gebruik van de voetschemels (pedalen) ritmische bewegingen met de benen, met als gevolg vermoeidheid in de benen en heup- en knieklachten. Van Waarden beschrijft hoe onder de thuiswerkers al beroepskwalen voorkomen, zoals de typische weversgang. Door het zware en voortdurende intrappen van de voetschemels, zonder dat de voeten daarbij voldoende steun hebben, gaan de knieën naar binnen knikken als gevolg van verslapping van de gewrichtsbanden. Dit staat bekend als ‘de weversknie’. Op den duur ontstaat zo een waggelende gang, bekend als ‘de weversgang’, vooral zichtbaar als de wevers van of naar hun werkplek lopen. Dit leidt soms tot hoongelach van toeschouwers.

Verder lezen


• Coronel SSr. De gezondheidsleer toegepast op de fabrieksnijverheid. Een handboek voor industriëlen, genees- en staathuishoudkundigen; door Dr. S. Sr. Coronel, stadsgeneesheer te Amsterdam. Haarlem: de Erven Loosjes. 1861. www.dbnl.nl
• Brugmans IJ. De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870). Tweede druk. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1929.
• Stichting Textielgeschiedenis. Textielhistorische bijdragen 44 (2004). Veenendaal: Stichting Textielgeschiedenis, 2004. Hierin opgenomen: Waarden van F. Het werk van de wever. 250 jaar techniek, organisatie en kwaliteit van de arbeid in de Twentse katoennijverheid.
• Heijden C van der. Voetschemels en weversknieën. NRC, 16 april 2005.
https://textielnet.nl/nederlandse-textielindustrie.html
https://inhistory.nl/publicaties/de-textielindustrie
https://www.uu.nl/achtergrond/vuile-was-toen-en-nu-internationale-vrouwendag-en-arbeidsomstandigheden-in-de-wereldwijde Universiteit Utrecht, 4 maart 2019
https://www.dbnl.org/tekst/_nee003200801_01/_nee003200801_01_0053.php Kroniek, Neerlandia/Nederlands van Nu. Jaargang 112 – DBNL
https://www.simpto.nl/diagnose/stoflongen/byssinose/?utm_source=chatgpt.com#google_vignette
https://mens-en-gezondheid.infonu.nl/aandoeningen/169090-byssinose-longaandoening-na-blootstelling-katoenen-stof.html#google_vignette
https://www.nvwa.nl/onderwerpen/productveiligheid/kleding-en-textiel/risico-s-van-textiel?utm_source=chatgpt.com

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.