Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Gevarieerd symposium bij de NSPOH

Narmin Marroufi
Preeti Bissumbhar
Op 27 november 2025 presenteerden 13 aios bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde de resultaten van hun onderzoeksprojecten. De onderzoeken bestreken een breed palet aan actuele thema’s binnen de arbeidsgeneeskunde, variërend van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en psychosociale arbeidsbelasting tot preventie, re-integratie en innovatieve zorgvragen. Als externe referenten waren Femke Abma (senior onderzoeker RIVM) en Pepijn Roelofs (senior onderzoeker UMCG en hogeschool Rotterdam) aanwezig. Het symposium werd gecoördineerd door Angarath van der Zee (NSPOH) en de dagvoorzitter was Hans Heijstek (NSPOH).

Arbeidsongeschiktheid en beoordeling

Long COVID en ME/CVS: verschillen in beperkingen
Een aios presenteerde een vergelijkend onderzoek naar belastbaarheid en arbeidsongeschiktheid bij cliënten met Long COVID of met ME/CVS. Aanleiding waren signalen van ME/CVS-patiënten dat hun klachten bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen onvoldoende erkenning krijgen. Beide aandoeningen kennen overlappende kenmerken, zoals post-exertionele malaise (PEM), inspanningsintolerantie en cognitieve klachten, maar door de sterke toename van Long COVID rees de vraag of beide groepen verschillend worden beoordeeld.

In het onderzoek werden 95 cliënten met ME/CVS (beoordeeld tussen 2019 en 2024) vergeleken met cliënten met Long COVID die in 2023–2024 zijn beoordeeld. Geanalyseerd werden de arbeidsongeschiktheidspercentages, FML-beperkingen en urenbeperkingen. Er werden geen significante verschillen gevonden in het uiteindelijke arbeidsongeschiktheidspercentage. Wel kregen Long-COVID-cliënten vaker beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren, vooral op prikkelverwerking en neurocognitief functioneren, terwijl bij ME/CVS relatief meer fysieke beperkingen werden vastgesteld. Het onderzoek onderstreept de behoefte aan meer richtinggevende kaders voor ME/CVS.

Bekwaamheid en ondersteuning bij WAJONG-beoordelingen
Door de oplopende achterstanden verrichten steeds meer verzekeringsartsen WAJONG-beoordelingen, die wezenlijk verschillen van WIA- en ZW-beoordelingen. Middels een vragenlijst bracht de aios in kaart in hoeverre artsen zich bekwaam voelen en welke ondersteuning zij ontvangen bij de WAJONG beoordelingen. Hoewel 63 procent van de respondenten een WAJONG-cursus had gevolgd en 90 procent zichzelf competent achtte, gaf ook ruim de helft aan behoefte te hebben aan extra ondersteuning. Ook werd de werkdruk als hoog ervaren.

De aios pleitte op basis van de bevindingen voor het actualiseren van de richtlijnen, aanvullende begeleiding en scholing en meer tijd per beoordeling.

Werkdruk, behoud en opleiding van artsen

Psychosociale arbeidsbelasting bij UWV
In een landelijke cross-sectionele onderzoek werd de psychosociale arbeidsbelasting van verzekeringsartsen in loondienst bij UWV onderzocht met behulp van de DPQ-NL vragenlijst (Danish Psychosocial Work Environment Questionnaire). De gemiddelde beoordeling van het psychosociale werkklimaat was 64,3. Jongere verzekeringsartsen scoorden significant lager op meerdere PSA-dimensies.

Opvallend was dat 22 procent van de deelnemers overwoog het UWV binnen een jaar te verlaten, vooral jongere artsen. Zingevingsvragen en ervaren stress bleken sterk samen te hangen met vertrekintentie. Het onderzoek biedt belangrijke aanknopingspunten voor gerichte preventiemaatregelen en benadrukt de noodzaak van vervolgonderzoek, onder meer met kwalitatieve methoden.

Relevantie van het onderzoekstraject in de VA-opleiding
Het opzetten en uitvoeren van een onderzoek vormt een vast onderdeel van de opleiding tot verzekeringsarts. Twee aios verkenden middels een kwalitatieve studie hoe geregistreerde verzekeringsartsen het onderzoekstraject ervaren hebben en hoe relevant zij het vinden voor de praktijk. Zeven semigestructureerde interviews werden thematisch geanalyseerd via het ASE-model, dat kijkt naar attitude, sociale invloeden en eigen-effectiviteit. Deelnemers gaven aan dat het project bijdraagt aan academische vaardigheden, zoals kritisch lezen, schrijven en presenteren, en aan een evidence-based houding.

Knelpunten die door deelnemers genoemd werden, waren dat het traject tijdrovend was en lastig te combineren met de productiedruk in de praktijk. Daarnaast benoemden deelnemers ook de behoefte aan meer stimulans voor onderzoek vanuit hun management en meer structurele begeleiding tijdens het onderzoek. Implementatie van onderzoeksresultaten in de praktijk bleek zeldzaam. De conclusie van de aios was dat de onderzoeksopdracht inhoudelijk waardevol is, maar in de huidige vorm te weinig oplevert. Aanbevolen werd om het onderzoeksproject eerder in het curriculum te plaatsen, meer tijd en begeleiding te bieden en voor de geïnteresseerden een basis-plus traject mogelijk te maken.

Bedrijfsgezondheidskundige interventies en begeleiding

Gebruik van 4DKL en Work Ability Index
Binnen een arbodienst werd onderzocht hoe bedrijfsartsen en aios hulpmiddelen zoals de Vierdimensionele Klachtenlijst (4DKL) en de Work Ability Index (WAI) gebruiken bij de begeleiding van cliënten met psychische klachten. Het onderzoek maakte gebruik van zowel kwantitatieve data als semi-gestructureerde interviews met vijf bedrijfsartsen en vijf aios, variërend in ervaring. Het Promoting Action on Research Implementation (PARIHS) raamwerk werd gebruikt om te analyseren welke factoren de implementatie van deze instrumenten bevorderen of belemmeren.

Uit de resultaten kwam naar voren dat de 4DKL breed bekend en gewaardeerd is: artsen ervaren structuur, houvast en een objectievere onderbouwing van hun beoordeling. De WAI bleek vooral bij minder ervaren artsen nog weinig ingeburgerd, waardoor het instrument minder werd toegepast. Belangrijke belemmeringen waren tijdsdruk tijdens consulten, het ontbreken van digitale koppelingen en een gebrek aan prioritering vanuit de organisatie. Tegelijkertijd waren opleiding, supervisie en de aanwezigheid van rolmodellen belangrijke factoren die het gebruik stimuleerden. Opvallend was dat aios doorgaans proactiever waren in het inzetten van hulpmiddelen dan ervaren bedrijfsartsen, die meer vertrouwden op hun klinische ervaring.

De spreker concludeerde dat succesvolle implementatie niet alleen afhankelijk is van kennis, maar ook van organisatorische ondersteuning. Aanbevolen werd om vervolgonderzoek te doen naar de impact van digitale automatisering op het gebruik van deze hulpmiddelen.

Vroegtijdige inzet van de bedrijfsarts bij psychisch verzuim
Een aios onderzocht of het vervroegen van het eerste contact met een bedrijfsarts bijdraagt aan het verkorten van psychisch verzuim. Psychische klachten leiden tot hoge kosten en langdurig verzuim, terwijl door het groeiende tekort aan bedrijfsartsen steeds vaker eerst een taakgedelegeerde wordt ingezet. De vraag was of een eerdere betrokkenheid van een bedrijfsarts het herstelproces beïnvloedt.

De studie omvatte 187 medewerkers in de interventiegroep en 265 in de controlegroep. In de interventiegroep vond het eerste contact binnen zes weken plaats, tegenover gemiddeld drie maanden in de controlegroep. De totale verzuimduur in de interventiegroep was gemiddeld zeven weken korter ten opzichte van de controlegroep (28,3 versus 35,3 weken). De tijd tussen eerste contact en herstel was echter korter in de controlegroep, wat mogelijk te verklaren is doordat deze medewerkers al verder in hun herstelproces zaten bij het eerste medische contact.

Methodologische beperkingen, zoals het ontbreken van randomisatie en classificatie van ernst, vragen om voorzichtigheid bij de interpretatie. Desondanks suggereren de resultaten dat vroege inzet van de bedrijfsarts een positief effect kan hebben. Gerandomiseerd vervolgonderzoek wordt aanbevolen.

Preventie en gezondheid op de werkvloer

Preventie door bedrijfsartsen: prioriteiten en praktijk
Preventie krijgt steeds meer aandacht in de sociale geneeskunde, maar het is onduidelijk welke taken bedrijfsartsen daadwerkelijk oppakken. Via een enquête inventariseerde een aios onder 223 bedrijfsartsen welke preventieve taken zij belangrijk vinden en uitvoeren. De meest genoemde activiteit was collegiaal overleg en preventief spreekuur; risicobeoordelingen en het adviseren over de RI&E werden minder vaak gedaan, terwijl juist die wettelijke instrumenten belangrijk zijn. Slechts 64 procent van de deelnemers vond het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) belangrijk, en maar 65 procent hechtte belang aan de RI&E. De conclusie was dat preventie nog onvoldoende is ingebed in het dagelijkse werk en dat er na wetwijzigingen weinig verschuivingen zijn. Bedrijfsartsen zouden meer gestimuleerd moeten worden om preventieve taken op te pakken. Aanbevolen werd om meer bij- en nascholing aan te bieden, best practices te delen en preventie expliciet in opleidingen en werkprocessen te integreren.

Body Mass Index en verzuim
Het onderzoek van een aios bedrijfsgeneeskunde richtte zich op de vraag of er een verband bestaat tussen de BMI van werknemers en hun ziekteverzuim. De aanleiding was de voortdurende toename van overgewicht: het RIVM verwacht dat in 2050 zo’n 60 procent van de Nederlandse bevolking te zwaar zal zijn. Er bleek een duidelijke correlatie: al vanaf een BMI van 25 komen ziekteperiodes vaker en langer voor. Leeftijd, geslacht en andere persoonskenmerken bleken deze relatie niet te verklaren. De conclusie luidde dat overgewicht een zelfstandige factor is voor verzuim. Dit benadrukt het belang van meer preventie op de werkvloer en een grotere rol van de bedrijfsarts hierin.

Overige onderwerpen

Re-integratie na een loonsanctie op medische gronden
Bij onvoldoende re-integratie inspanningen kan UWV een loonsanctie opleggen. Het doel daarvan is werkgevers te stimuleren om hun werknemer weer aan het werk te helpen, maar het is onduidelijk of dat ook gebeurt. De Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) adviseerde de RIV-toets af te schaffen, maar hier lag geen wetenschappelijk onderzoek ten grondslag. Vandaar de noodzaak tot dit onderzoek. Deze studie bekeek honderd dossiers met een loonsanctie op medische gronden en analyseerde welke stappen daarna werden gezet. Bij 43 werknemers werd daadwerkelijk een nieuw re-integratietraject gestart; 21 keer volgde geen extra traject en in 36 gevallen was de vervolgactie niet duidelijk. Achttien maanden na een loonsanctie was 26 procent van de werknemers weer aan het werk. Geconcludeerd werd dat er significant vaker na een medische loonsanctie re-integratie plaatsvindt, weliswaar vaker in spoor 2 dan in het eigen werk of in spoor 1.

Taakdelegatie in praktijk: perspectief van taakgedelegeerden
Vanwege het oplopende tekort aan bedrijfsartsen wordt vaker taakdelegatie ingezet. Dit biedt kansen om wachttijden te verkorten en werkprocessen te optimaliseren. Hoewel de NVAB hiervoor richtlijnen heeft opgesteld, was er weinig bekend over de ervaringen van deze taakgedelegeerden. In dit kwalitatieve onderzoek werden interviews gehouden met taakgedelegeerden die onder toezicht van een bedrijfsarts taken verrichten. Zij gaven aan dat taakdelegatie goed kan werken wanneer er formele onboarding is, de taken helder zijn afgebakend en er voldoende opleiding en evaluatie is. Tegelijkertijd ervoeren sommige taakgedelegeerden onduidelijkheid over hun verantwoordelijkheden en grenzen, en voelden zij zich niet altijd erkend. Het onderzoek onderstreept het belang van een duidelijke mandaatregeling, structurele begeleiding en goede communicatie.

Medische repatriëringen bij de Koninklijke Marine
Een aios onderzocht medische repatriëringen van Marine medewerkers aan boord van schepen in de periode 2021–2023 om inzicht te krijgen in oorzaken, kenmerken en preventieve mogelijkheden. In totaal werden 195 casussen geanalyseerd. Opvallend was dat het aandeel vrouwen onder de gerepatrieerden relatief hoog was en dat de gemiddelde leeftijd lager lag dan die van het totale personeelsbestand. De meeste repatriëringen waren het gevolg van bedrijfsongevallen (56 procent), gevolgd door klachten aan het bewegingsapparaat, psychische klachten en luchtwegproblemen. De gemiddelde verzuimduur bedroeg circa 90 dagen, met een grote spreiding. Het merendeel (76 procent) van de marine medewerkers keerde terug naar hun oorspronkelijke functie; slechts een klein deel werd dienstongeschikt. Het onderzoek liet verder zien dat vooral jonge medewerkers in lagere rangen kwetsbaar zijn en dat psychische klachten vaker ontstaan tijdens walperiodes, terwijl fysieke klachten vooral optreden tijdens de vaarperiode. Meer gerichte voorlichting, training en preventieve maatregelen aan boord werden aanbevolen om bedrijfsongevallen en repatriëringen te verminderen.

Terugkeer naar werk na genderbevestigende mastectomie
In samenwerking met de Gender Clinic deed deze aios bedrijfsgeneeskunde onderzoek naar een niche onderwerp: de werkhervatting na een genderbevestigende mastectomie. Niet eerder is hier onderzoek naar gedaan. Waarom dit belangrijk is? Uit eerdere onderzoeken blijkt dat dit een kwetsbare groep betreft en in de laatste 15 jaar is er een forse stijging van het aantal mastectomieën. De resultaten lieten zien dat de gemiddelde tijd tot werkhervatting ongeveer 31 dagen bedroeg, met een spreiding tussen 9 en 44 dagen. Zes weken na de operatie werkte 58 procent alweer fulltime. De onderzoekers vonden weinig duidelijke voorspellers; thuiswerkmogelijkheden en voornamelijk computerwerk hingen samen met een snellere terugkeer. Het onderwerp verdient vervolgonderzoek, maar de eerste indruk is dat cliënten na een genderbevestigende mastectomie relatief vlot weer aan het werk kunnen.

Narmin Marroufi is aios bedrijfsgeneeskunde en Preeti Bissumbhar is aios verzekeringsgeneeskunde. Allebei doen ze hun opleiding bij de NSPOH.

Bij interesse in een van de onderzoeken kun je contact opnemen met Angarath van der Zee-van den Berg, coördinator en opleider Onderzoeksscholing bij de NSPOH, a.vanderzee@nspoh.nl

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.