Een reactie met drie vragen van Ernst Jurgens, bedrijfsarts en systeembioloog
Fabienne van Vliet doet interessant en relevant onderzoek op naar het objectiveren van cognitieve duurbelastbaarheid: een onderwerp waarmee de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde al jaren mee worstelt. Haar publicatie in TBV1 trok direct mijn aandacht, mede omdat ik mij zelf bij de begeleiding van mensen met Long COVID en ME/CVS, maar ook binnen bezwaar- en beroepsprocedures, veel met dit vraagstuk bezighoud. Juist in die context speelt de vraag hoe cognitieve belastbaarheid, cognitieve duurbelasting en herstelvermogen beoordeeld moeten worden een centrale rol. Vanuit die praktijkmatige én inhoudelijke betrokkenheid volg ik de literatuur op dit terrein dan ook redelijk intensief.
De studie raakt daarmee een fundamenteel probleem binnen ons vakgebied. Veel beoordelingen van cognitieve belastbaarheid zijn nog steeds gebaseerd op zelfrapportage, klinische indrukken of statische momentopnamen, terwijl cognitief functioneren in werkelijkheid dynamisch, contextafhankelijk en fluctuerend is. Dat sluit aan bij bredere inzichten uit de neuropsychologie en cognitieve neurowetenschappen over mentale vermoeidheid, compensatie en allostatische belasting.2,3
De centrale bevinding van deze studie is intrigerend: subjectieve vermoeidheid neemt gedurende de werkdag toe, terwijl cognitieve prestaties gemiddeld stabiel blijven of zelfs verbeteren. Dat lijkt paradoxaal, maar is neurobiologisch niet onverwacht. Neuropsychologische prestaties weerspiegelen immers niet alleen capaciteit, maar ook compensatie, motivatie en strategische inzet van cognitieve netwerken. Mensen kunnen gedurende langere tijd prestaties handhaven, terwijl de interne inspanningskosten oplopen. Juist dat onderscheid tussen zichtbare output en verborgen cognitieve kosten wordt in de praktijk vaak onderschat. Boksem en Tops4 beschreven eerder al dat mentale vermoeidheid niet noodzakelijk direct tot prestatieverlies leidt, maar wel gepaard kan gaan met verhoogde neurale inspanning en verminderde efficiëntie.
De laatste jaren verschuift het wetenschappelijke veld bovendien steeds meer van het klassieke begrip ‘fatigue’ naar het concept fatigability: de meetbare verandering van functioneren onder belasting of over tijd. Dat is een relevant onderscheid. Niet alleen de aanwezigheid van vermoeidheid is van belang, maar vooral wat er gebeurt wanneer cognitieve systemen langdurig belast worden. Andersson et al.5 lieten bijvoorbeeld zien dat verschillende vormen van vermoeidheid, ervaren vermoeidheid, trait fatigue en performance fatigability, slechts beperkt met elkaar correleren. Dat ondersteunt het idee dat subjectieve vermoeidheid en objectieve prestaties niet simpelweg elkaars spiegelbeeld zijn. Ook Spinetti en Zarbo6 benadrukken dat normale neuro-psychologische testprestaties niet betekenen dat geen sprake kan zijn van verhoogde cognitieve inspanningskosten of cognitieve fatigability.
Daarmee raakt dit onderzoek aan een belangrijk spanningsveld binnen de beoordeling van functioneren. Het feit dat iemand cognitieve taken nog kan uitvoeren, betekent niet automatisch dat sprake is van duurzame cognitieve belastbaarheid zonder herstelkosten. Dat onderscheid is juist relevant bij aandoeningen waarbij cognitieve fatigability, herstelproblematiek of autonome disregulatie een rol spelen, zoals bij post-COVID, ME/CVS, MS of chronische pijnsyndromen. In dergelijke ziektebeelden blijven de scores op standaard cognitieve tests regelmatig relatief intact, terwijl patiënten wel degelijk forse beperkingen ervaren in duurbelasting, herstelvermogen en foutgevoeligheid onder cumulatieve belasting.
Juist daarom roept de formulering dat ‘voorzichtigheid geboden is bij het trekken van conclusies over chronische beperkingen die uitsluitend zichtbaar je gebaseerd op basis van ervaren vermoeidheid’1 bij mij ook vragen op. Begrijpelijkerwijs wil Van Vliet waarschuwen voor overinterpretatie van subjectieve klachten alleen. Tegelijkertijd schuilt hier een risico dat we binnen de geneeskunde vaker zien: datgene wat niet zichtbaar wordt binnen het gekozen meetmodel, krijgt impliciet minder gewicht. Dat raakt aan wat wel het streetlight effect wordt genoemd: we meten vooral waar het licht al schijnt, niet noodzakelijk waar het probleem zich bevindt.
De studie laat bovendien vooral prestaties binnen één werkdag zien bij gezonde werkenden. Terwijl cognitieve duurbelastingsproblemen zich in de praktijk juist vaak manifesteren over meerdere dagen, onder cumulatieve belasting of met vertraagde terugval. Veel mensen kunnen een werkdag nog ‘halen’, maar betalen daar later de prijs voor in herstelduur, cognitieve instabiliteit of post-exertionele klachten. Dat aspect van delayed deterioration blijft in deze opzet grotendeels buiten beeld.
Tegelijkertijd vind ik de richting van het onderzoek sterk. Vooral het uitgangspunt dat cognitieve duurbelasting niet als een statisch begrip moet worden benaderd, maar als een dynamisch proces over tijd. Ook de oproep tot integratie van subjectieve én objectieve gegevens is waardevol. Waarschijnlijk ligt juist daar de toekomst van dit onderzoeksveld: niet in een tegenstelling tussen ervaren klachten versus objectieve metingen, maar in het begrijpen van hun onderlinge relatie.
Mogelijk vraagt dat uiteindelijk ook om bredere meetmodellen dan alleen klassieke neuropsychologische tests. Denk aan cognitieve fatigability, intra-individuele variabiliteit, herstelkinetiek, autonome regulatie, reactietijdfluctuaties of neurofysiologische parameters zoals HRV, EEG of fNIRS. Anders bestaat het risico dat we cognitieve belasting blijven beoordelen vanuit een relatief statisch prestatiemodel, terwijl het onderliggende functioneren veel meer kenmerken heeft van een dynamisch regelsysteem met compensatie, adaptatie en uiteindelijk uitputting.
Drie vragen aan de auteur staan voor mij daarom centraal:
1. In hoeverre denkt de auteur dat haar meetmodel voldoende sensitief is voor vertraagde cognitieve terugval, cumulatieve belasting en cognitieve fatigability over meerdere dagen, zoals we dat zien bij chronische aandoeningen?
2. Zou het volgens de auteur zinvol zijn om toekomstige studies uit te breiden met neurofysiologische of autonome parameters, zoals HRV, EEG, pupillometrie of fNIRS, juist om het verschil zichtbaar te maken tussen behouden prestatie-output en oplopende interne cognitieve inspanningskosten?
3. Hoe kijkt de auteur naar het onderscheid tussen subjective cognitive fatigue (de subjectief ervaren mentale uitputting of het gebrek aan cognitieve energie), objective cognitive fatigability (observeerbare achteruitgang van cognitieve prestaties tijdens langdurige of herhaalde taken) en dual-task cost (prestatieverlies bij gelijktijdige cognitieve en motorische belasting)? En denkt zij dat juist die laatste twee concepten mogelijk beter aansluiten bij problemen in cognitieve duurbelasting zoals die in de praktijk worden gezien bij onder andere Long-COVID, ME/CVS, MS of chronische pijnsyndromen?
Literatuur
1. Vliet F van. Aandacht voor cognitieve duurbelastbaarheid. Eerste stap richting ontwikkeling van valide meetinstrumenten. TBV. 2026;34(4):44-45.
2. McEwen BS. Protective and damaging effects of stress mediators. N Engl J Med. 1998;338(3):171-179.
3. Hockey GRJ. The psychology of fatique: work, effort and control. Cambridge: Cambridge University Press, 2013.
4. Boksem MAS, Tops M. Mental fatigue: costs and benifits. Brain Res Reviews. 2008;59(1):125-139.
5. Andersson M, Andin J, Levi R, et al. Cognitive performance fatigability, perceived fatigability, and trait fatigue in post-COVID-19 condition: a cross-sectional study. Neuropsychology. 2025;39(7):619-634.
6. Spinetti D, Zarbo C. Tired minds, normal scores: rethinking cognitive fatigue in multiple sclerosis. Front Neurol. 2025.
De repliek van Fabienne van Vliet en Frederieke Schaafsma, onderzoekers bij Amsterdam UMC
Wij danken Ernst Jurgens voor zijn betrokken reactie op ons artikel. Het is goed om te merken dat het onderwerp cognitieve duurbelastbaarheid zo herkenbaar is in de praktijk. Juist in de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde komt regelmatig de vraag terug hoe cognitieve prestaties, ervaren vermoeidheid, duurbelastbaarheid en herstelvermogen zich tot elkaar verhouden.
In de praktijk wordt al langer gesproken over mentale of cognitieve duurbelastbaarheid. Ook bij individuele beoordelingen wordt soms gekeken naar cognitieve prestaties op verschillende momenten van de dag. Voor ons onderzoek hebben wij de opzet van Cremer1 als vertrekpunt genomen. Tegelijkertijd is er nog geen vaste standaard voor hoe dergelijk onderzoek moet worden uitgevoerd en geïnterpreteerd. Dat is begrijpelijk omdat het veld nog in ontwikkeling is. Het kan er in de praktijk wel toe leiden dat mentale of cognitieve belastbaarheid, en de vertaling daarvan naar werkadvies, verschillend wordt beoordeeld. Met ons onderzoek wilden wij daarom een eerste stap zetten om het beloop van cognitieve prestaties en ervaren vermoeidheid gedurende een werkdag beter in kaart te brengen.
Onze resultaten, waarbij de ervaren vermoeidheid gedurende de werkdag toenam, terwijl cognitieve prestaties stabiel bleven of zelfs verbeterden, laten vooral zien dat ervaren vermoeidheid en gemeten cognitieve prestaties niet hetzelfde zijn. Daarmee willen we niet zeggen dat ervaren vermoeidheid minder belangrijk is. Wel onderstrepen deze resultaten dat subjectieve en objectieve gegevens verschillende kanten van functioneren kunnen laten zien. Dit sluit aan bij een recente umbrella review en meta-analyse waarin subjectief en objectief cognitief functioneren slechts beperkt met elkaar samenhingen en als grotendeels niet-overlappende, complementaire constructen worden beschreven. 2
Cognitieve duurbelastbaarheid wordt waarschijnlijk door veel factoren beïnvloed. Eenzelfde taak kan voor de ene persoon vermoeiend zijn, terwijl een ander deze zonder duidelijke moeite uitvoert. Daarbij kunnen onder andere uitgangsniveau, herstel, slaap, stemming, motivatie, gezondheidstoestand, coping, cognities en compensatiestrategieën een rol spelen. Juist daarom is het belangrijk om eerst helder te krijgen waar we precies naar kijken. Een neuropsychologisch onderzoek onder gestandaardiseerde en relatief optimale omstandigheden biedt daarvoor een waardevol vertrekpunt. Het maakt het mogelijk om cognitieve functies betrouwbaar en systematisch te onderzoeken, na te gaan of er aanwijzingen zijn voor cognitieve stoornissen, en klachten in het dagelijks functioneren en werk in context te plaatsen. In de klinische praktijk gebeurt dit vanzelfsprekend in samenhang met anamnese, klachtenrapportage, vragenlijsten en relevante contextinformatie.
Het is daarom ook belangrijk om duidelijk te zijn over wat onze studie wel en niet kan zeggen. We onderzochten gezonde werkenden en deden metingen binnen één werkdag. Daarmee was dit vooral een eerste, verkennende studie. De resultaten kunnen dus niet zomaar worden doorgetrokken naar mensen met chronische aandoeningen waarbij vermoeidheid, herstelproblemen of fluctuaties op de voorgrond staan. Wel laten ze zien dat het nodig is om beter te begrijpen wat we precies meten wanneer we cognitieve duurbelastbaarheid proberen te beoordelen. Wij zijn inmiddels bezig om dit onderzoek uit te breiden naar een populatie met een chronische aandoening waarbij vermoeidheid een belangrijke rol speelt.
We geven nu antwoord op de vragen die Ernst Jurgens ons voorlegt.
1. In hoeverre denkt de auteur dat haar meetmodel voldoende sensitief is voor vertraagde cognitieve terugval, cumulatieve belasting en cognitieve fatigability over meerdere dagen, zoals we dat zien bij chronische aandoeningen?
Deze vraag raakt een belangrijk punt. Vertraagde cognitieve terugval, cumulatieve belasting en herstel over meerdere dagen zijn waarschijnlijk zeer relevant voor het begrijpen van cognitieve duurbelastbaarheid, zeker bij aandoeningen waarbij vermoeidheid en fluctuaties op de voorgrond staan. In onze huidige studie hebben wij deze aspecten nog niet kunnen onderzoeken. We hebben er bewust voor gekozen om eerst een meer afgebakende basisvraag te stellen: hoe verlopen cognitieve prestaties en ervaren vermoeidheid gedurende één werkdag bij gezonde werkenden? We kozen daarvoor omdat nog onvoldoende bekend is wat hierin een normaal beloop is en welke meetmethode het meest geschikt is.
Onze resultaten laten zien dat voorzichtigheid inderdaad nodig is: een toename van ervaren vermoeidheid ging in onze studie niet automatisch samen met slechtere cognitieve prestaties. Voor vertraagde terugval of cumulatieve belasting over meerdere dagen zijn andere onderzoeksopzetten nodig, met herhaalde metingen over langere tijd en expliciete aandacht voor meten van belasting en herstel na belasting. Onderzoek met ambulante metingen laat bijvoorbeeld zien dat belasting over een volledige dag samen kan hangen met taakgebaseerde cognitieve prestaties op de daaropvolgende dag, wat het belang onderstreept van designs waarin ook herstel en dag-tot-dag variatie worden meegenomen.3
2. Zou het volgens de auteur zinvol zijn om toekomstige studies uit te breiden met neurofysiologische of autonome parameters, zoals HRV, EEG, pupillometrie of fNIRS, juist om het verschil zichtbaar te maken tussen behouden prestatie-output en oplopende interne cognitieve inspanningskosten?
Wij vinden het een interessante en relevante suggestie om in de toekomst ook te kijken naar neurofysiologische of autonome parameters. Zulke maten zouden mogelijk kunnen helpen om beter zicht te krijgen op het verschil tussen wat iemand nog presteert en hoeveel inspanning dat kost. Dat sluit aan bij onderzoek naar mental workload, waarin fysiologische en neurofysiologische maten worden onderzocht om cognitieve belasting beter te begrijpen, bijvoorbeeld met combinaties van EEG- en ECG/HRV-parameters.4,5 Ook onderzoek bij kantoorwerkers laat zien dat mental workload, vermoeidheid, fysiologische responsen en cognitieve prestaties op een complexe manier met elkaar samenhangen.6
Tegelijkertijd zouden wij ook daar voorzichtig mee willen zijn. De literatuur laat zien dat mental workload een complex en multidimensioneel construct is, waarvoor nog geen eenduidig meetkader bestaat. Bovendien zijn fysiologische parameters gevoelig voor context en kunnen zij ook door andere factoren dan cognitieve belasting worden beïnvloed. Ook neurofysiologische parameters zijn dus niet op zichzelf een directe maat voor cognitieve duurbelastbaarheid.
Zulke parameters kunnen waarschijnlijk vooral waardevol zijn als aanvullende informatie binnen een breder meetmodel. Daarbij is de uitdaging niet om de klinische beoordeling te vervangen, maar om te onderzoeken hoe neuropsychologische testprestaties, ervaren vermoeidheid, anamnese, vragenlijsten, observaties, herstelbeloop en eventuele fysiologische maten op een systematische en valide manier kunnen worden geïntegreerd.
De belangrijkste vraag is wat ons betreft daarom niet of één bepaalde maat ‘de oplossing’ is, maar welke combinatie van maten uiteindelijk betrouwbaar, sensitief en bruikbaar genoeg is voor onderzoek en praktijk.
3. Hoe kijkt de auteur naar het onderscheid tussen subjective cognitive fatigue, objective cognitive fatigability en dual-task cost? En denkt zij dat juist die laatste twee concepten mogelijk beter aansluiten bij problemen in cognitieve duurbelasting zoals die in de praktijk worden gezien bij onder andere Long-COVID, ME/CVS, MS of chronische pijnsyndromen?
Het onderscheid tussen subjectieve cognitieve vermoeidheid, objective cognitive fatigability en dual-task cost vinden ook wij relevant. Voor cognitieve duurbelastbaarheid lijkt objective cognitive fatigability het meest direct aan te sluiten, omdat daarbij prestatieverandering onder aanhoudende of herhaalde belasting centraal staat. Dual-task paradigma’s kunnen aanvullend waardevol zijn wanneer men het complexe dagelijks functioneren wil benaderen, maar meten niet zonder meer vermoeidheid of cognitieve duurbelastbaarheid en kunnen daar ook los van staan.
Voor nu zien wij onze studie vooral als een eerste stap. De bevindingen maken duidelijk dat cognitieve duurbelastbaarheid niet goed te begrijpen is vanuit alleen ervaren klachten of alleen cognitieve testprestaties. Juist de combinatie van testgegevens, ervaren klachten, herstelbeloop en informatie uit de dagelijkse en werkcontext lijkt nodig om dit onderwerp verder te brengen.
Literatuur
1. Cremer R. Mentaal belastbaarheidsonderzoek. Den Haag: TNO, 1999.
2. Van Patten R, Mulhauser K, Austin TA, et al. The association between subjective and objective cognitive functioning from a transdiagnostic perspective: An umbrella review and meta-analysis. Clin Psychol Review. 2025;121:102648.
3. Hernandez R, Jin H, Pyatak EA, Roll SC, Schneider S. Workers’ whole day workload and next day cognitive performance. Curr Psychol. 2023;43(3):1-14.
4. Fan X, Zhao C, Zhang X, Luo H, Zhang W. (2020). Assessment of mental workload based on multi-physiological signals. Technol Health Care. 2020;28(S1):67-80.
5. Diarra M, Theurel J, Paty B. (2025). Systematic review of neurophysiological assessment techniques and metrics for mental workload evaluation in real-world settings. Front Neuroergon. 2025;6:1584736.
6. Mahdavi N, Tapak L, Darvishi E, Doosti-Irani A, Shafiee Motlagh M. (2024). Unraveling the interplay between mental workload, occupational fatigue, physiological responses and cognitive performance in office workers. Scient Reports. 2024;14(1):17866.


