‘U doet anders dan uw collega.’ De vrouw tegenover mij kijkt mij onderzoekend aan. De opvallende tinten van haar kapsel vangen mijn blik. ‘Vindt u het mooi?’, vraagt ze met een glimlach. ‘Het is kleurrijk’, antwoord ik diplomatiek. ‘Maar wat bedoelt u met: “u doet anders dan mijn collega”?’, vraag ik voorzichtig. Mijn vraag negerend antwoordt de vrouw triomfantelijk. ‘Dit vindt u ongemakkelijk hè.’
De vriendin naast haar schudt bezorgd haar hoofd en zegt. ‘Lieverd, niet doen. Ophouden met flirten en observeren. Je zit niet voor niks bij de bedrijfsarts. Als psycholoog sta je volledig ziekgemeld. Vertel gewoon wat er aan de hand is en wat er in de supermarkt gebeurde.’ Gespannen kijkt de vrouw naar mij en daarna onzeker naar haar kordate vriendin.
‘Alles wat u hier tegen mij zegt is vertrouwelijk’ zeg ik vriendelijk. ‘Ik heb zwijgplicht. Wat u niet aan mij wilt vertellen, vertelt u niet.’
‘Oké. Ja, uw vraag. Uw collega keek meer naar het beeldscherm dan naar mij. Maar u praat met mij en dan schrijft u even. Ik, ik, schaam me voor wat er gebeurde in de supermarkt.’ Het gesprek stokt. Bemoedigend knikt de vriendin naar haar partner.
‘Vier weken geleden kwam ik daar. Het was druk. En vanwege de prikkels en het wachten raakte ik nogal geïrriteerd. Duwde met mijn karretje tegen een oudere mevrouw aan waardoor ze viel. Gelukkig geen letsel. Meteen kwam de bedrijfsleider en gaf mij “een standje”. En ja, toen flipte ik. Vloog hem aan. Sloeg hem zelfs. De laatste jaren ging het juist goed met mij. Gebruikte trouw mijn medicatie. En ik kreeg een nieuwe baan als forensisch psycholoog. Heel boeiend werk. Maar niet gemakkelijk, nee.’ Opnieuw valt de vrouw stil. ‘Waarvoor gebruikte u medicatie?’, vraag ik rustig.
‘Ik heb een bipolaire stoornis’, hoor ik zacht. ‘Gebruikte een stemmingsstabilisator, valproïnezuur. Maar ik werd overmoedig. Dacht wel zonder te kunnen. Van hypomaan in mijn werk ging ik naar manisch in de plaatselijke super. Die bedrijfsleider, een grote beresterke vent, tilde mij op alsof ik een lastig kind was. Huilend en schreeuwend zat ik met mijn handen op zijn borst te roffelen. Hij bracht mij snel naar zijn kantoor en mijn vriendin kwam achter hem aan. Hij bedoelde het goed. Wist zich geen raad. Een vrijwillig brandweerman, nota bene. Omdat ik niet bedaarde hebben ze samen de ambulance gebeld. Ja, het werd een crisisopname. Gebruik nu lithium en het gaat beter. Maar ik ben er nog niet. Dat besef ik terdege. Ik zat u hier ook alweer uit te dagen.’
Twee weken later neem ik voor het eerst deel aan het SMT van een van de afdelingen van de organisatie. De leidinggevende van de forensisch psycholoog, tevens afdelingshoofd, en de verzuimcoördinator zijn aanwezig. De personeelsconsulent is afwezig door ziekte. Na voorstellen en een kort welkom komt de forensisch psycholoog aan bod.
Meteen vraagt de coördinator wat voor behandelingen en medicatie de psycholoog krijgt. Er valt een ongemakkelijke stilte. Verbaasd geef ik antwoord. ‘Dat is vertrouwelijke medische informatie. Die kan ik u niet geven. Dan schend ik mijn medisch geheim. Ik neem aan dat u bekend bent met de regelgeving hierover.’
De verzuimcoördinator werpt een geïrriteerde blik op mij en draait zich om naar de leidinggevende. ‘Ik wil weten wat er met haar aan de hand is en of ze straks haar werk wel kan doen. Daarvoor moeten we extra achtergrondinformatie krijgen van de bedrijfsarts. Niet alleen zo’n advies van: “mevrouw is nog tijdelijk arbeidsongeschikt voor eigen of ander passend werk. Behandeling loopt en verbetering is gaande. Maar op de terreinen zus en zo zijn er tijdelijk beperkingen. En terugkeer in eigen werk, eventueel met aanpassingen, is te verwachten”.’
De leidinggevende schudt haar hoofd, kijkt de verzuimcoördinator aan en antwoordt koeltjes. ‘De bedrijfsarts heeft je uitleg gegeven over zijn zwijgplicht en zijn eerste werkadvies is duidelijk voor mij. Zullen we verder gaan?’
Na afloop van het overleg vraagt het afdelingshoofd of ik nog even blijf. ‘Jammer dat dit SMT zo begon. De verzuimcoördinator komt vanuit een herplaatsing. Hij heeft als psychiatrisch verpleegkundige korte tijd op mijn afdeling gewerkt. Tussen hem en uw collega boterde het niet.’
‘Voor uw informatie. Deze organisatie kent een aannamebeleid dat hier ook medewerkers met een mentaal ‘rugzakje’ werken, zoals onze forensisch psycholoog. Net als in de verslavingszorg vinden we ervaringsdeskundigheid waardevol. Belangrijk is dat het ‘rugzakje’ adequaat is of wordt behandeld en niet het werk negatief beïnvloed. Met een knipoog noemen we dit ons ‘Paradijsvogelbeleid’. Maar hieraan zijn risico’s verbonden. Mogelijk zag u zo’n risico bij het SMT. Ik maak mij zorgen. De verzuimcoördinator valt echter niet meer onder mijn zeggenschap. Koester uw integriteit.’ Ik hoop dat u wel blijft. In krap twee jaar tijd bent u inmiddels onze vierde gedetacheerde bedrijfsarts op rij’.
Tjalling Hon, bedrijfsarts niet-praktiserend


