Bij het NCvB zijn de laatste tien jaar zeventien beroepsziektemeldingen van contacturticaria (CU) binnengekomen waarvan vijf vrouwen en twaalf mannen. Genoemde beroepen waren: productiemedewerkers biologische bestrijdingsmiddelen, dierenverzorger, productiemedewerker chemie, productiemedewerker glasindustrie, medewerker pluimveehouderij, verkoopster kledingwinkel, medewerker plantsoenendienst, geüniformeerde, afvalverwerker, salesmedewerker wasmiddelen, en een verpleegkundige.
CU ontstaan door directe inwerking van een stof op de huid, in het bijzonder de mestcellen.
Het klinisch beeld:
• Galbulten / netelroos met (sterk) jeuken of branden.
• Roodheid en zwelling.
• Urticaria ontstaan snel, meestal binnen 30 minuten na het contact en bestaan kortdurend < 1 dag.
• Het lijkt vaak op de roodheid na contact met brandnetels.
Er worden twee typen CU onderscheiden: met een allergische (immunologische) oorzaak (Type I reactie: IgE gemedieerd) en een niet-immunologisch gemedieerd type. De immunologisch gemedieerde reactie kan uitbreiden tot buiten het contactgebied. Deze reactie kan de gehele huid betreffen, kortademigheid en/of een anafylactische shock veroorzaken.3
Een voorbeeld van niet-immunologische CU is het effect van brandnetels op de huid. Deze reacties kunnen bij iedereen in meerdere of mindere mate optreden omdat ze afhankelijk zijn van de urticariële eigenschappen van de contactstof.4
Proteïn contact dermatitis (PCD) is een beeld dat door dezelfde mechanismen als CU wordt veroorzaakt. De urticariële fase van deze afwijking wordt meestal niet gezien omdat dit al snel overgaat in een eczeembeeld. Het klinische beeld lijkt sprekend op ‘gewoon’ contacteczeem en is op klinische gronden daarvan meestal niet te onderscheiden.
Epidemiologie
Over het voorkomen van CU en PCD als werkgerelateerde aandoening zijn behalve algemene gegevens bijna geen cijfers voorhanden behalve wanneer dit wordt veroorzaakt door latex. En juist deze categorie is minder relevant omdat sinds de onderkenning van de ‘latexproblematiek’, in de jaren negentig, de klachten door latex zijn geminimaliseerd. In Finland worden arbeidsgerelateerde CU sinds 1989 geregistreerd. In de periode 2005-2016 maakten CU en PCD met 76 casussen 11 procent uit van de erkende beroepshuidziekten. De beroepen met de hoogste incidentie waren: bakkers, voedselbereiders, boeren, dierenartsen, tuinlieden, en kappers. De meest voorkomende agentia waren huidschilfers van de koe, meel en graan, latex, en andere voedingsmiddelen.
Onderzoek gedurende de periode 1993-2004 uit een Australische arbeidsdermatologische kliniek laat zien dat 9,3 procent van hun patiënten werkgerelateerde CU hadden. Als de gevallen door latex worden weggelaten komt men op 4,7 procent. CU kwamen vaker voor bij vrouwen en atopici (in ongeveer 65 procent van de gevallen) en personen met nat werk. Het peilstation EPIDERM in Groot-Brittannië van bedrijfsartsen en dermatologen laat percentages meldingen zien van 4,9 procent en respectievelijk 3,4 procent. Dit is dichter in de buurt van de 2,1 procent die door dermatologen in Nederland gemeld worden als werkgerelateerd. De meeste personen met CU-klachten werken in de voedselbereidende branches.
Waarschijnlijk bestaat er een onderrapportage omdat het beeld vaak niet wordt herkend. Van de personen die door de dermatoloog worden gezien in verband met een werkgebonden contactdermatose heeft waarschijnlijk 5 procent CU.1,5
Zes-stappenplan voor de beroepsziekte varices aan de hand van een casus.2
Casus
Een 25-jarige vrouw komt op het spreekuur van de bedrijfsarts. Zij werkt sinds twee jaar in de weekenden op een manege en doet daar alle voorkomende werkzaamheden. Zo verzorgt zij de paarden en pony’s, geeft rijlessen aan de kinderen, en maakt de stallen schoon. Sinds een half jaar heeft zij last van kleine, rode, sterk jeukende, plekjes in haar hals en op haar onderarmen. Zij heeft foto’s meegenomen want op dit moment heeft zij geen klachten. Het ontstaan van de plekjes lijkt verband te houden met schoonmaakwerkzaamheden in de stallen en met name als zij met hooi werkt. De plekjes ontstaan snel en verdwijnen vaak binnen een dag. Van de huisarts heeft zij antihistaminica tabletten gekregen. Deze helpen tegen de jeuk maar zij wil graag de oorzaak van haar klachten weten. De bedrijfsarts verwijst haar naar een arbeidsdermatologisch kenniscentrum.
Bij dit kenniscentrum wordt zij uitgebreid allergologisch onderzocht. Zij krijgt plaktesten op haar rug waarmee een allergie kan worden aangetoond die contacteczeem kan veroorzaken (Type IV epicutaan allergologisch onderzoek). Ook krijgt zij priktesten op haar onderarmen waarmee een allergie kan worden aangetoond die urticaria, slijmvliesklachten en/of astma kan veroorzaken. (Type I intracutaan allergologisch onderzoek).
De plaktesten geven geen allergie aan. De priktesten tonen een reactie op verschillende mijten waaronder de hooimijt. De klachten die optreden na contact met hooi, het snelle optreden van de klachten, het verdwijnen na blootstelling, de positieve priktest op de hooimijt, en de vermindering van de klachten na gebruik van antihistaminica wijzen op contacturticaria na beroepsmatige blootstelling aan de hooimijt.
De klinisch arbeidsgeneeskundige adviseert om blootstelling zoveel mogelijk te voorkomen. Indien zij toch met hooi moet werken, is het advies om sluitende kleding te dragen met een nek-col. Er dient voorkomen te worden dat vuile kleding mee naar huis gaat, omdat dan de meegenomen hooimijten zich ook thuis kunnen vestigen. Dit betekent of omkleden en kleding wassen op het werk of de kleding in een afgesloten plastic zak mee naar huis nemen en apart wassen. Mochten deze maatregelen niet voldoende zijn dan is een airflowmasker een optie.
De bedrijfsarts bespreekt met haar de resultaten van het onderzoek en de adviezen. Deze waren ook al door de klinisch arbeidsgeneeskundige met haar besproken. Zij herkent haar klachten, de resultaten van het onderzoek, en de conclusies. Zij heeft inmiddels op haar werk al afgesproken dat zij niet meer de stallen schoonmaakt, daarbij ook niet in de buurt komt, en meer paardrijlessen aan de kinderen gaat geven.
De bedrijfsarts overweegt een beroepsziektemelding bij het NCvB en doorloopt het 6-stappenplan voor beroepsziekten op de website van het NCvB.1,2
Stap 1. Diagnose
De dermatoloog en klinisch arbeidsgeneeskundige hebben de diagnose contacturticaria gesteld met een type I allergie voor hooimijt.
Stap 2. Vaststellen van de relatie met werk
Van hooimijten is bekend dat zij voorkomen in hooi en contacturticariële eigenschappen hebben. Op de manege is het hele jaar door hooi in de stallen.
Stap 3. Vaststellen van de blootstelling en de individuele gevoeligheid
Mevrouw werkt ieder weekend op een manege. Aldaar maakt zij onder andere de stallen schoon. Zij heeft opgemerkt dat haar huidklachten ontstaan na schoonmaakwerkzaamheden waarbij zij met hooi bezig is.
Wat de individuele gevoeligheid betreft heeft zij een atopische constitutie, valt te lezen in de rapportage van de klinisch arbeidsgeneeskundige.1,6
Stap 4. Verklaringen buiten het werk
Bij navraag heeft zij in de privé-situatie en bij de uitoefening van hobby’s geen klachten en geen contact met hooi en/of mijten.
Stap 5. Afweging en melden
Na afweging van bovenstaande informatie maakt de bedrijfsarts een melding van contacturticaria als beroepsziekte bij het NCvB met de CAS-code D629.1
Stap 6. Interventie en preventie
Mevrouw heeft inmiddels zelf met haar werkgever besproken dat zij blootstelling aan hooi kan verminderen door geen schoonmaakwerkzaamheden meer te verrichten in de stallen.
De bedrijfsarts vraagt aan mevrouw of zij de enige is met klachten. Daarop antwoordt zij dat er meer collega’s zijn met dergelijke klachten. De bedrijfsarts besluit daarom in gesprek te gaan met haar werkgever om meer inzicht te kunnen krijgen in de klachten van het personeel en om vervolgens daarover te adviseren.
Literatuur
1. NCvB. Registratierichtlijn Contacturticaria. Huidaandoeningen F004.
2. NCvB. Het zes-stappenplan beroepsziekten.
3. Gimenez-Arnau AM, Pesque D, Maibach HI. Contact Urticaria Syndrome: A Comprehensive Review. Curr Dermatol Rep. 2022;11(4):194-201. doi: 10.1007/s13671-022-00379-0
4. Bizjak M, Aerts O, Pesqué D, (2025). Contact Urticaria and Related Conditions: Clinical Review. Cont Dermatitis. 2025;93(2):87-107. doi.org/10.1111/cod.14794
5. Pal TM, de Wilde NS, van Beurden MM, Coenraads PJ, Bruynzeel DP. Notification of occupational skin disease by dermatologists in The Netherlands. Occup Med. 2009;59:38-43.
6. Li BS, Ale IS, Maibach HI. Contact Urticaria Syndrome: Occupational Aspects. In: John SM, Johansen JD, Rustemeyer T, Elsner P, Maibach HI (eds). In Kanerva’s Occupational Dermatology. 3rd ed. (Part 209) Springer nature Switzerland AG 2020. doi.org/10.1007/978-3-319-68617-2
Gerda de Groene, Monique Derikx, Sietske Tamminga en Henk van der Molen zijn verbonden aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
Contact: G.J.deGroene@amsterdamumc.nl


