Met de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) in 2017 is preventie een belangrijk (wettelijk) onderdeel geworden van het werk van de bedrijfsarts. In de praktijk blijkt echter dat de focus nog vooral bij verzuimbegeleiding ligt en dat de uitvoering van preventieve taken door bedrijfsartsen nog kan verbeteren. Dit onderzoek brengt in kaart in welke mate bedrijfsartsen verschillende preventieve taken naar eigen zeggen toepassen en hoeveel belang zij hechten aan deze verschillende taken. Daarnaast wordt gekeken in hoeverre er een verschil bestaat in de mate van toepassing van preventieve taken en het belang dat hieraan wordt gehecht tussen bedrijfsartsen die al werkzaam waren voor de ingang van de wijziging van de Arbowet en bedrijfsartsen die pas hierna werkzaam zijn geworden.
Methoden
Er werd gebruik gemaakt van al eerder verzamelde data uit een cross-sectionele vragenlijst die is afgenomen als baseline (T0) in de IM-PROmPt-study (Implementation of PReventive tasks by Occupational Physicians). Gegevens over de mate van toepassing van verschillende preventieve taken en het belang dat aan deze taken wordt gehecht, zijn verzameld bij 223 bedrijfsartsen. De resultaten zijn beschrijvend en met behulp van een lineaire regressieanalyse geanalyseerd.
Resultaten
Voor alle preventieve taken is het belang dat eraan wordt gehecht door de bedrijfsartsen hoger dan de mate van toepassing. Collegiale consultatie, overleg met andere arboprofessionals en het open/preventief spreekuur worden het meest toegepast, terwijl toetsing van en advisering over de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), advisering en uitvoering periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) en preventief medisch onderzoek (PMO) het minst worden toegepast. Bedrijfsartsen die pas werkzaam zijn na de ingang van de wijziging van de Arbowet hechten meer belang aan toetsing van en advisering over de RI&E, het geven van voorlichting aan werkgevers rondom arbeid en gezondheid en aan aandacht voor leefstijladvisering. Bedrijfsartsen die al werkzaam waren voor de wijziging van de Arbowet passen overleg met de werknemersvertegenwoordiging en het open/preventief spreekuur in hogere mate toe.
Conclusie
Dit onderzoek laat zien dat bedrijfsartsen aangeven preventieve taken wel belangrijk te vinden, maar deze taken in de praktijk niet altijd toepassen. Ook blijkt er bij de toepassing van preventieve taken en het belang hieromtrent verschil te bestaan tussen bedrijfsartsen die voor en na de wijziging van de Arbowet werkzaam waren. Deze bevindingen vragen om acties om bedrijfsartsen aan te moedigen meer en vaker preventieve taken uit te voeren. Concrete aanbevelingen zijn: meer bij- en nascholingen organiseren, ‘best practices’ in kaart brengen, in de opleiding tot bedrijfsarts meer aandacht voor het toepassen van preventieve taken in de dagelijkse praktijk en voor samenwerking met andere arboprofessionals.
Trefwoorden
Preventie, belang, toepassing, arbeidsomstandighedenwet, RI&E, PAGO, samenwerking met andere arboprofessionals.
Inleiding
Preventie is een begrip dat de laatste jaren steeds meer onderwerp van gesprek is in de geneeskunde. Zo ook voor de artsen in cluster 3, de sociale geneeskunde, waar het specialisme bedrijfsgeneeskunde onder valt.1 De artsenfederatie KNMG heeft onlangs een flitspeiling uitgevoerd onder artsen waarin zij konden benoemen wat voor hen belangrijke thema’s zijn waar de politiek volgens hen prioriteit aan moet geven. Bijna 1000 respondenten hebben de vragenlijst ingevuld, waaronder ook artsen uit cluster 3. In de top 3 van onderwerpen die men het meest belangrijk vindt, komt preventie (en leefstijl) op de derde plek.2
In de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) zijn de verschillende verantwoordelijkheden en taken van de bedrijfsarts opgenomen.3 De Wet verbetering Poortwachter (WvP) is op 1 april 2002 ingevoerd met als doel zieke werknemers zo snel mogelijk te laten terugkeren naar het werk.4 Op 1 juli 2017 vond er een wijziging van de Arbowet plaats en is preventie meer centraal komen te staan. Zo wordt in hoofdstuk 3, artikel 14, van de Arbowet specifiek benoemd dat de bedrijfsarts adviseert over preventieve maatregelen betreffende het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid.3 De bedrijfsarts heeft onder andere vrije toegang tot de werkvloer om goed inzicht te kunnen krijgen in de arbeidsomstandigheden en de belasting in het werk. Daarnaast kunnen werknemers terecht bij de bedrijfsarts voor een open spreekuur als zij vragen hebben over hun gezondheid in relatie tot het werk. Kortom: het is een van de taken van de bedrijfsarts om gezond werken te bevorderen en (langdurige) ziekte te voorkomen. Preventie is daarmee een belangrijk (wettelijk) onderdeel van het werk van de bedrijfsarts.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) stelt preventie in hun nieuwe koers (2024) ook aan als één van de vier kernthema’s.5 In de kernwaarden van de bedrijfsarts, zoals omschreven door de NVAB, is opgenomen dat goede bedrijfsgeneeskundige zorg zowel preventief als curatief is en dat al het handelen van de bedrijfsarts is gericht op het voorkomen van beroepsziekten en beroepsgebonden aandoeningen, en op het behoud van duurzame inzetbaarheid van de werknemer.6 Op de werkvloer, tijdens congressen en op nascholingen hoor je steeds meer dat de bedrijfsarts zich meer met preventie bezig wil houden. Toch blijkt dat de focus bij bedrijfsartsen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden nog vooral op de verzuimbegeleiding ligt.7 In 2020 is er een evaluatie van de herziene Arbowet uitgevoerd en hieruit blijkt dat ruim de helft van de 244 deelnemende bedrijfsartsen aangeeft dat de wetswijziging heeft geholpen om in de praktijk meer aandacht te geven aan preventieve taken.8 Het percentage bedrijfsartsen dat een groot verschil ervaart in hun mogelijkheden om aan preventie te voldoen, is echter klein: slechts 5 procent. Zeventien procent van de bedrijfsartsen ervaart een redelijk verschil.8 Preventie zou dus, na wijziging van de Arbowet, meer centraal moeten staan in de werkdag van de bedrijfsarts.9 In de praktijk blijkt echter dat de uitvoering van preventieve taken nog kan verbeteren.9
Een recenter onderzoek uit 2024 laat zien dat er nog niet veel veranderd is; slechts ongeveer 10 procent van de werktijd wordt besteed aan preventie, tegenover 70 procent aan verzuim en re-integratie en 14 procent aan andere taken (onderwijs-, beleids-, en onderzoekstaken).10 Wel bleek 95 procent van de ondervraagde bedrijfsartsen preventie te zien als hun verantwoordelijke taak.10
In bovenstaand onderzoek is niet beschreven in welke mate de verschillende preventieve taken worden toegepast door de bedrijfsartsen in de beperkte tijd die zij aan preventie kunnen besteden. Ook is niet beschreven hoeveel belang er wordt gehecht aan de verschillende preventieve taken. Uit de flitspeiling van de artsenfederatie KNMG blijkt dat artsen preventie belangrijk vinden2, maar hoeveel belang hechten bedrijfsartsen nu precies aan verschillende preventieve taken en in welke mate worden deze taken toegepast? In het huidige onderzoek wordt dit verder onderzocht.
Daarnaast zal in het huidige onderzoek onderzocht worden of werkervaring een factor is die van invloed zou kunnen zijn op de mate van toepassing van de verschillende preventieve taken en het belang dat eraan wordt gehecht. Er wordt aangenomen dat, door de wijziging van de Arbowet in juli 2017 en het feit dat preventie daarmee meer centraal is komen te staan, bedrijfsartsen die pas werkzaam zijn na wijziging van de Arbowet meer preventie toepassen en er meer belang aan hechten dan bedrijfsartsen die al langer werkzaam zijn. Anderzijds zou het ook zo kunnen zijn dat bedrijfsartsen die al langer werkzaam zijn meer preventie toepassen en er meer belang aan hechten, omdat het werk van de bedrijfsartsen voor invoering van de Wet verbetering poortwachter (WvP) voornamelijk bestond uit het uitvoeren van preventieve taken.
Methode
Data-verzameling
Er wordt gebruik gemaakt van al eerder verzamelde data uit een cross-sectionele vragenlijst die is afgenomen als baseline (T0) in de IM-PROmPt-study (Implementation of PReventive tasks by Occupational Physicians). De IM-PROmPt-study is een vier-jarig onderzoek dat gericht is op het stimuleren van de uitvoering van preventieve taken door de bedrijfsarts en wordt gefinancierd wordt door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Meer informatie over de IM-PROmPt-study is te vinden in het studieprotocol.11
De online vragenlijst is door de bedrijfsartsen ingevuld in de periode juli-augustus 2023. Deze bedrijfsartsen zijn geworven in bestaande intercollegiale toetsing groepen (ICT-groepen). Zij werden geïncludeerd als zij meer dan 16 uur per week werkten als bedrijfsarts en gedurende de follow-up van de studie (12 maanden) niet langdurig afwezig waren (bijvoorbeeld door zwangerschapsverlof).11
In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de vragen die gebruikt zijn in het huidige onderzoek. Deze vragen, uitgevraagd met een five-point Likert scale, zijn gebaseerd op de visitatievragenlijst van de NVAB en ingevuld door 223 bedrijfsartsen.
Variabelen
De afhankelijke variabele is de mate van toepassing van preventieve taken door bedrijfsartsen en het belang dat er door hen aan wordt gehecht. De mate van toepassing is gemeten als: in zeer geringe mate van toepassing, in geringe mate van toepassing, enigszins van toepassing, in hoge mate van toepassing, altijd van toepassing. Het belang is gemeten als: zeer onbelangrijk, onbelangrijk, enigszins van belang, belangrijk, zeer belangrijk.
De verschillende preventieve taken zijn als volgt gedefinieerd: preventief medisch onderzoek (PMO), periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO), risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), rapportage, voorlichting, overleg arboprofessionals, overleg werkgever, overleg werknemersvertegenwoordiging, collegiaal consult, leefstijladvisering, werkplekbezoek, open/preventief spreekuur, advies preventieve acties en advies arbobeleid.
In het huidige onderzoek wordt de factor ‘werkervaring’ meegenomen als onafhankelijke variabele. Er worden twee groepen vergeleken: maximaal zes jaar werkervaring en meer dan zes jaar werkervaring. Deze afkapwaarde is gekozen, omdat de wijziging van de Arbowet is ingegaan op 1 juli 2017 en de online vragenlijsten zijn afgenomen in juli en augustus 2023.
Data-analyse
Om de data te analyseren, werd gebruik gemaakt van het softwareprogramma Stata/SE versie 18.0.
Er zijn beschrijvende analyses gedaan voor de demografische en werkgerelateerde kenmerken van de bedrijfsartsen. Op de mate van toepassing van de verschillende preventieve taken en op het belang dat er aan de verschillende preventieve taken wordt gehecht, zijn ook beschrijvende analyses uitgevoerd. Om significante verschillen aan te tonen in werkervaring tussen bedrijfsartsen die maximaal zes jaar werkervaring en meer dan zes jaar werkervaring hebben, is een lineaire regressieanalyse uitgevoerd. Er is een univariabele analyse gedaan en een multivariabele analyse, waarin gecorrigeerd is voor factoren in het werk die mogelijk van invloed kunnen zijn. Deze factoren zijn: uren werkzaam per week, werkzaam als ZZP’er of in loondienst bij een arbodienst en werkzaam voor midden- en kleinbedrijf (MKB) of grootzakelijke klanten.
Ethische aspecten
De IM-PROmPt-study is uitgevoerd in overeenstemming met de ethische richtlijnen en voorschriften die zijn vastgelegd in de ‘Declaration of Helsinki’. De Medisch Ethische Toetsingscommissie van het Amsterdam Universitair Medisch Centrum heeft beoordeeld dat het geen WMO-plichtig onderzoek is. Er is, voorafgaand aan het onderzoek, van alle deelnemers informed consent verkregen.11
Resultaten
De bedrijfsartsen zijn gemiddeld 53 jaar oud en werken gemiddeld 32 uur per week. Bijna tweederde van hen werkt in loondienst bij een arbodienst en ongeveer eenderde is (deels) ZZP’er. Zesentwintig procent van de bedrijfsartsen werkt voor MKB-klanten en 74 procent voor grootzakelijke klanten. Van de bedrijfsartsen heeft 68,6 procent meer dan zes jaar werkervaring en 31,4 procent maximaal zes jaar. Zie ook tabel 1.

De preventieve taken die door de bedrijfsartsen het meest in hoge mate (score 4) of altijd (score 5) worden toegepast, zijn collegiale consultatie (respectievelijk 46 procent en 13,5 procent), overleg met andere arboprofessionals (respectievelijk 46,2 procent en 9,9 procent) en het open/preventief spreekuur (respectievelijk 36,5 procent en 17,1 procent). De preventieve taken die door de meeste bedrijfsartsen in zeer geringe (score 1) of geringe (score 2) mate worden toegepast, zijn de toetsing van en advisering over de RI&E (respectievelijk 46,2 procent en 23,3 procent), advisering en uitvoering PAGO (respectievelijk 45,7 procent en 21,5 procent) en het gebruiken van een PMO (respectievelijk 44,8 procent en 22 procent). Voor alle preventieve taken pakt het belang dat eraan wordt gehecht door de bedrijfsartsen hoger uit dan de mate van toepassing. Zie ook tabel 2.


De regressieanalyses laten zien dat bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn minder belang hechten aan het geven van voorlichting aan werkgevers rondom arbeid en gezondheid dan bedrijfsartsen die maximaal zes jaar werkzaam zijn (-0,231 [95%-CI: -0,439;-0,022]). Ook passen zij dit in mindere mate toe (-0,354 [95%-CI: -0,689;-0,019]). Daarnaast tonen de regressieanalyses dat de bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn minder belang hechten aan de toetsing van en advisering over de RI&E en het besteden van aandacht aan leefstijladvisering dan bedrijfsartsen die zes jaar of minder werkzaam zijn, respectievelijk -0,388 [95%-CI: -0,622;-0,155] en -0,261 [95%-CI: -0,479;-0,043]. Bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn passen overleg met de werknemersvertegenwoordiging en het open/preventief spreekuur in hogere mate toe dan bedrijfsartsen die zes jaar of minder werkzaam zijn, respectievelijk 0,462 [95%-CI: 0,143;0,781] en 0,393 [95%-CI: 0,048;0,738].

Discussie en conclusie
Het doel van dit onderzoek was om in kaart te brengen in welke mate bedrijfsartsen verschillende preventieve taken naar eigen zeggen toepassen en hoeveel belang zij aan deze taken hechten. Uit dit onderzoek blijkt voor alle preventieve taken dat bedrijfsartsen er meer belang hechten dan dat zij deze taken daadwerkelijk uitvoeren. Collegiale consultatie, overleg met andere arboprofessionals en het open/preventief spreekuur worden het meest toegepast, terwijl toetsing van en advisering over de RI&E, advisering en uitvoering PAGO en het gebruiken van een PMO het minst worden toegepast. Verder is onderzocht in hoeverre er een verschil is in de mate van toepassing van de verschillende preventieve taken en het belang dat eraan wordt gehecht tussen bedrijfsartsen die al werkzaam waren voor de ingang van de wijziging van de Arbowet en bedrijfsartsen die pas hierna werkzaam zijn geworden. Hieruit blijkt dat bedrijfsartsen die zes jaar of minder werkzaam zijn meer belang hechten aan toetsing van en advisering over de RI&E, het geven van voorlichting aan werkgevers rondom arbeid en gezondheid en het besteden van aandacht aan leefstijladvisering dan bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn. Aan de andere kant passen bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn overleg met de werknemersvertegenwoordiging en het open/preventief spreekuur in hogere mate toe dan bedrijfsartsen die maximaal zes jaar werkzaam zijn.
Dit onderzoek laat zien dat bedrijfsartsen de genoo preventieve taken wel belangrijk te vinden, maar deze taken in de praktijk niet altijd toepassen. Uit de literatuur blijkt onder andere dat de focus binnen de arbodienstverlening meer ligt op verzuimbegeleiding dan op preventie (7). Daarnaast is er onvoldoende kennis bij werkgevers wat preventieve taken inhouden en zien zij vaak geen meerwaarde, omdat zij zich onvoldoende bewust zijn van de risico’s van werkgerelateerde aandoeningen.7, 12 Ook ervaren bedrijfsartsen gebrek aan tijd te zijn en ontbreken er faciliteiten om de preventieve taken adequaat uit te voeren12 De ervaren sociale steun van werkgevers en de ‘self-efficacy’ van bedrijfsartsen lijken ook een rol te spelen in de mate van toepassing van preventieve taken. Uit eerder onderzoek, met dezelfde onderzoekspopulatie als dit onderzoek, blijkt namelijk dat bedrijfsartsen die zich meer in staat voelen om preventieve taken uit te voeren, gemiddeld 4,8 procent meer tijd besteden aan preventieve taken en dat bedrijfsartsen die sociale steun van werkgevers ervaren met betrekking tot de uitvoering van preventieve taken gemiddeld 3,6 procent meer werktijd besteden aan de uitvoering hiervan.10
De toetsing van en advisering over de RI&E, de advisering en uitvoering van een PAGO en het gebruiken van een PMO wordt in (zeer) geringe mate toegepast door de bevraagde bedrijfsartsen. Als wordt gekeken naar het belang van deze preventieve taken geeft slechts 64,2 procent van hen aan PAGO belangrijk of zeer belangrijk te vinden en slechts 64,6 procent de RI&E belangrijk of zeer belangrijk te vinden. Dit is opmerkelijk, want om werkgerelateerde gezondheidsproblemen en beroepsziekten te voorkomen is het juist van belang om de arbeidsrisico’s vroegtijdig te signaleren. PAGO en RI&E zijn juist instrumenten die helpend zijn om de arbeidsrisico’s in kaart te brengen. Daarnaast zijn het aanbieden van een PAGO en het opstellen van een RI&E opgenomen in de Arbowet, die voorschrijft dat iedere werkgever verplicht is om een arbobeleid te voeren met als doel goede arbeidsomstandigheden voor alle werknemers.3 In dezelfde wet staat dat het uitvoeren van het PAGO en het ondersteunen bij het uitvoeren of toetsen van een RI&E behoort tot de taken en verantwoordelijkheden van de bedrijfsarts (3). Ondanks de wettelijke basis van deze preventieve taken wordt dit dus nauwelijks tot uitvoering gebracht in de praktijk.
De bevinding dat bedrijfsartsen die zes jaar of minder werkzaam zijn meer belang hechten aan bepaalde preventieve taken, suggereert dat het belang van deze preventieve taken in de afgelopen jaren mogelijk meer aandacht heeft gekregen. Uit de literatuur blijkt dat de aandacht voor leefstijl in de geneeskunde, en zo ook in de bedrijfsgeneeskunde, in de laatste decennia is toegenomen.13 Het belang van de toetsing en advisering over de RI&E krijgt de laatste jaren ook meer aandacht. In deel 1 van de Arbovisie 2040 stelt de Sociaal-Economische Raad (SER) dat er ruimte is voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden in Nederland door onder andere de naleving van de RI&E te verbeteren. De SER stelt dat kerndeskundigen, waar de bedrijfsarts er een van is, zich actief moeten inzetten om een RI&E op te stellen en dat zij bedrijven moeten adviseren dat een getoetste RI&E noodzakelijk is om aan de Arbowet te voldoen.14 De adviserende rol van de bedrijfsarts lijkt centraal te liggen bij de preventieve taken waar door de bedrijfsartsen die zes jaar of minder werkzaam zijn meer belang aan wordt gehecht. Mogelijk dat de wijziging van de Arbowet in juli 2017, die voorschrijft dat de bedrijfsarts adviseert in plaats van bijstand verleent, daar ook aan heeft bijgedragen.3, 12 Dat bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn enkele preventieve taken in hogere mate toepassen, zou kunnen worden toegeschreven aan het systeem dat wij in Nederland kennen voor het verlenen van bedrijfsgeneeskundige zorg. Van 1994 tot 2007 was al in de Arbowet opgenomen dat werknemers vrije toegang hadden tot het arbeidsomstandighedenspreekuur.15 Bij de wijziging van de Arbowet in juli 2017 werd het een wettelijk recht voor elke werknemer om de bedrijfsarts te allen tijde te bezoeken, maar mogelijk zit het open/preventief spreekuur bij bedrijfsartsen die meer dan zes jaar werkzaam zijn al jaren in hun systeem.
De SER schrijft in deel 2 van de Arbovisie 2040 dat de bedrijfsarts een sleutelrol speelt in het bevorderen van een gezonde en veilige werkomgeving en dat naast verzuimbegeleiding juist ook preventie een belangrijk aspect is van het werk van de bedrijfsarts.16 Toch blijkt ook uit dit onderzoek dat de mate van toepassen van preventieve taken door bedrijfsartsen nog achterblijft. Om bedrijfsartsen aan te moedigen om meer en vaker preventieve taken uit te voeren zouden meer bij- en nascholingen op dit gebied georganiseerd kunnen worden. Er is al een peer group coaching interventieprogramma ontwikkeld om bedrijfsartsen te ondersteunen in hun preventieve rol. Op basis van de procesevaluatie blijkt dat een groot deel van de bedrijfsartsen zich hierdoor meer in staat voelen om zich te richten op de preventie van werkgerelateerde aandoeningen, maar dat het interventieprogramma nog kan worden verbeterd door meer evidence-based interventies, tools en richtlijnen toe te voegen en meer tijd te besteden aan de interventiebijeenkomsten.17 Daarnaast zouden ‘best practices’ van bedrijfsartsen die preventieve taken wel in hoge mate toepassen in kaart gebracht kunnen worden. In de opleiding tot bedrijfsarts zal er, zowel in het instituutsonderwijs als in de praktijkopleiding, meer aandacht moeten worden besteed aan het toepassen van preventieve taken in de dagelijkse praktijk. Het is van belang dat de net afgestudeerde bedrijfsarts is opgeleid in de volle breedte van het vak en daarmee dus ook in staat is om de verschillende preventieve taken toe te passen. Als laatste is het belangrijk dat ook de werkgevers voldoende gaan inzien dat het toepassen van preventieve taken een wettelijk onderdeel is van het werk van de bedrijfsarts. Hierin is het belangrijk om de samenwerking met andere arboprofessionals op te zoeken om samen het belang van het toepassen van preventieve taken toe te lichten. Ook de SER roept in deel 2 van de Arbovisie 2040 alle betrokkenen bij het arbobeleid op om intensief samen te werken en de arbeidsomstandigheden te verbeteren door effectieve arboregels en preventie op de werkvloer.18
Een sterkte van dit onderzoek is de brede onderzoekspopulatie. De bedrijfsartsen zijn geworven uit ICT-groepen uit het hele land en variëren qua demografische kenmerken, zoals leeftijd en geslacht en werkgerelateerde kenmerken, zoals uren werkzaam per week, werkzaam als ZZP’er of in loondienst bij een arbodienst en werkzaam voor MKB of grootzakelijke klanten. Mogelijk is er wel sprake van zelfselectiebias, omdat bedrijfsartsen die aan dit onderzoek hebben meegedaan preventieve taken waarschijnlijk al belangrijk of interessant vinden. De scores op de vragenlijst zijn daarmee wellicht niet generaliseerbaar voor alle bedrijfsartsen in Nederland.
In dit onderzoek is gekeken of werkervaring van invloed is op de mate van toepassing van verschillende preventieve taken en het belang dat wordt gehecht aan de verschillende preventieve taken. Er is gecorrigeerd voor factoren in het werk die mogelijk van invloed kunnen zijn, zoals uren werkzaam per week, werkzaam als ZZP’er of in loondienst bij een arbodienst en werkzaam voor MKB of grootzakelijke klanten. Hierbij zijn mogelijk factoren gemist die ook van invloed kunnen zijn, zoals de sector waarin bedrijfsartsen werkzaam zijn, leeftijd of geslacht. Dit zou kunnen worden meegenomen in vervolgonderzoek.
Woord van dank
Ik heb dit onderzoek kunnen uitvoeren door deel te nemen aan het ZonMw-project ‘Opleiden voor morgen begint vandaag’; een samenwerking tussen het RIVM en O&P Rijk | Bedrijfszorg. Hiervoor wil ik dr. Marieke Wijffels – de Groot en mijn werkgever O&P Rijk | Bedrijfszorg bedanken. Daarnaast wil ik mijn onderzoeksbegeleiders drs. Suzanne Orhan Pees en dr. Femke Abma bedanken voor de fijne begeleiding tijdens mijn onderzoeksperiode.
Literatuur
1. KNMG. Wat zijn clusters? Utrecht: KNMG, 2019. Beschikbaar via: https://www.knmg.nl/ik-ben-arts/praktijkdilemmas-1/praktijkdilemma/wat-zijn-clusters. Geraadpleegd 8 juli 2025.
2. KNMG. Artsen willen focus op toegankelijkheid van de zorg en preventie. Utrecht: KNMG, 2025. Beschikbaar via: https://www.knmg.nl/actueel/nieuws/nieuwsbericht/artsen-willen-focus-op-toegankelijkheid-van-de-zorg-en-preventie. Geraadpleegd 8 juli 2025.
3. Rijksoverheid. Arbeidsomstandighedenwet. 2025. Beschikbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0010346. Geraadpleegd 10 oktober 2025.
4. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wat staat in de Wet verbetering poortwachter? Den Haag: Arboportaal, 2025. Beschikbaar via: https://www.arboportaal.nl/onderwerpen/re-integratie-en-wet-verbetering-poortwachter/wat-staat-in-de-wet-verbetering-poortwachter. Geraadpleegd 20 oktober 2025.
5. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. NVAB-koers voor de bedrijfsgeneeskunde. Utrecht: NVAB, 2024. Beschikbaar via: https://nvab-online.nl/koers. Geraadpleegd 20 juni 2025.
6. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. Kernwaarden van de bedrijfsarts. Utrecht: NVAB, 2024. Beschikbaar via: https://nvab-online.nl/app/uploads/2024/10/Kernwaarden-Bedrijfsarts-SV-jan24.pdf. Geraadpleegd 20 juni 2025.
7. Inspectie SZW. Beroepsziekten in beeld: De kennis uit het werkveld. Den Haag: Inspectie SZW, 2020.
8. Hoorweg E, Kool J, Schoenmaker N. Evaluatie wijzigingen Arbowet. Utrecht: Capgemini, 2020.
9. Pees S, van Oostrom S, Loef B, Schaafsma F, Proper K. Preventieve taken voor de bedrijfsarts. Tijdschr Bedrijfs Verzekeringsgnk. 2022;30(7):20–5.
10. Orhan Pees S, van Oostrom S, Schaafsma F, Proper K. Occupational physicians’ behavioural determinants regarding prevention and the association with time allocated to preventive tasks. J Occup Environ Med. 2025;67(9):685–90.
11. Orhan Pees S, van Oostrom SH, Schaafsma FG, Proper KI. The development and evaluation of an intervention to promote the uptake of preventive tasks by occupational physicians targeting work-related mental health problems: protocol for the IM-PROmPt-study. BMC Public Health. 2023;23(1):1948.
12. Sax M, de Ruig L, van der Kemp S, et al. Meer betrokkenheid en preventie? Implementatie en uitvoering van de gewijzigde Arbowet. Leiden: De Beleidonderzoekers, 2018.
13. Beurskens-Comuth PA, Norder G, van Rhenen W, de Rijk AE, Houkes I. Lifestyle counselling by Dutch occupational health professionals and its determinants: a cross-sectional study. BMC Public Health. 2025;25(1):2227.
14. Sociaal-Economische Raad (SER). Naar een werkend arbostelsel voor iedereen: Advies Arbovisie 2040, deel 1. Den Haag: SER; 2023. p. 90–1.
15. Hulshof CTJ, Frings-Dresen MHW. International OH systems. Part 2: occupational health delivery in the Netherlands. Occup Health Work. 2010;6(5):19-23.
16. Sociaal-Economische Raad (SER). Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie: Advies Arbovisie 2040, deel 2. Den Haag: SER, 2025. p. 65.
17. Orhan Pees S, van Oostrom SH, Schaafsma FG, Proper KI. A mixed methods process evaluation of the implementation of a peer coaching intervention to improve the execution of preventive tasks by occupational physicians. BMC Health Serv Res. 2025;25(1):776.
18. Sociaal-Economische Raad (SER). SER-advies: SER roept op tot versterking preventie, betere uitvoerbaarheid en effectiviteit van arboregels. Den Haag: SER, 2025. Beschikbaar via: https://www.ser.nl/nl/adviezen/gezond-veilig-werken. Geraadpleegd 3 oktober 2025.
Beau Speck is arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde bij Bedrijfszorg, Organisatie en Personeel Rijk
Contact: beau.speck@rijksoverheid.nl
Bijlage 1: Deel vragenlijst met vragen die betrekking hebben op het huidige onderzoek
1. Naam (Dit is enkel voor correspondentie tijdens het onderzoek)
2. E-mailadres (Via dit adres zullen wij contact met u onderhouden over het onderzoek)
3. Geslacht
• Man
• Vrouw
• Geen van beide / zeg ik liever niet
4. Leeftijd in jaren
5. Hoeveel jaren bent u werkzaam (geweest) als AIOS bedrijfsgeneeskunde?
6. Hoeveel jaren bent u werkzaam als bedrijfsarts? Bent u AIOS, vul dan 0 in.
In de teksten en vragen in dit onderzoek wordt voor het gemak enkel de term ‘bedrijfsarts’ gehanteerd. Daar waar ‘bedrijfsarts’ staat, kan ook AIOS bedrijfsgeneeskunde worden gelezen.
7. Hoeveel uren per week was u (gemiddeld) werkzaam als praktiserend bedrijfsarts in het afgelopen jaar? Andere taken, zoals onderwijs, beleid en onderzoek, tellen niet mee in dit aantal uren.
8. Werkt u op dit moment als zelfstandig bedrijfsarts of binnen een arbodienst?
• Zelfstandig
• Binnen een arbodienst
• Deels zelfstandig en deels binnen een arbodienst
9. Bij welke arbodienst bent u werkzaam?
10. In welke sector bent u voornamelijk werkzaam als bedrijfsarts? Als u in meerdere sectoren werkzaam bent, kies dan de sector waaraan u de meeste tijd besteedt.
• Zakelijke dienstverlening
• Zorg
• Handel
• Industrie
• Onderwijs
• Bouwnijverheid
• Openbaar bestuur
• Cultuur, recreatie en overige diensten
• Horeca
• Vervoer en opslag
• Informatie en communicatie
• Landbouw en visserij
• Financiële dienstverlening
• Verhuur en handel van onroerend goed
• Waterbedrijven en afvalbeheer
• Energievoorziening
• Delfstoffenwinning
• Anders…..
11. Voor welke grootte van bedrijven werkt u voornamelijk? Als u in meerdere bedrijven werkzaam bent, kies dan het antwoord wat het meest van toepassing is.
• Kleinbedrijf: <50 werkzame personen
• Middenbedrijf: 50-<250 werkzame personen
• Grootbedrijf: 250-1000 werkzame personen
• Grootbedrijf: >1000 werkzame personen
Onderstaande vragen zijn gebaseerd op de visitatielijst van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) (1).
Kies in de kolom ‘huidige situatie’ een score op de schaal 1 t/m 5 waarbij geldt dat de situatie zoals beschreven:
1 = in zeer geringe mate van toepassing is op u
2 = in geringe mate van toepassing is op u
3 = enigszins van toepassing is op u
4 = in hoge mate van toepassing is op u
5 = altijd van toepassing is op u
Voor de waardering van de stelling kiest u in de kolom ‘belang dat ik er aan hecht’ dat u de situatie:
1 = zeer onbelangrijk vindt
2 = onbelangrijk vindt
3 = enigszins van belang vindt
4 = belangrijk vindt
5 = zeer belangrijk vindt
Medisch handelen
1. Ik gebruik methoden van gezondheidsbewaking, zoals Periodiek Medisch Onderzoek (PMO) bij mijn werkgevers.
2. Ik besteed tijd aan advisering over en het uitvoeren van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) bij mijn werkgevers.
3. Ik besteed tijd aan toetsing van en advisering over de RI&E.
4. Ik rapporteer aan mijn werkgevers jaarlijks een overzicht van relevante gezondheidsaspecten (beroepsgerelateerde aandoeningen, verzuimcijfers, oorzaken van verzuim, blijvende arbeidsongeschiktheid, etc.)
5. Ik geef regelmatig voorlichting bij mijn werkgevers over zaken rondom arbeid en gezondheid.
Samenwerking
6. Ik overleg doelmatig met arboprofessionals, zoals de andere kerndeskundigen, ergonomen en arbeidsdeskundigen.
7. Ik overleg doelmatig met partners in de werkorganisatie, zoals de werkgever en de preventiemedewerker.
8. Ik overleg doelmatig met partners in de werkorganisatie, zoals de werknemersvertegenwoordiging.
9. Ik bied en vraag collegiale consultatie aan collega-bedrijfsartsen m.b.t. werkgerelateerde gezondheidskwesties.
Maatschappelijk handelen
10. Ik besteed tijdens mijn praktijkuitoefening aandacht aan leefstijladvisering in het algemeen (dieet, roken, lichaamsbeweging, etc.).
11. Ik bezoek regelmatig de werkplek bij mijn werkgevers om de interactie tussen werk en gezondheid te monitoren en kansen en risico’s te evalueren.
12. Ik reserveer tijd voor een open/preventief spreekuur, waarbij werknemers zelf naar mij toe kunnen komen.
13. Ik adviseer mijn werkgevers gevraagd en ongevraagd over preventieve acties om gezondheidsbedreigingen te voorkomen en te beperken.
14. Ik adviseer mijn werkgevers gevraagd en ongevraagd over het opstellen en uitvoeren van arbo- en preventiebeleid.
Literatuur bij bijlage 1
1. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. Visitatielijst Professioneel Functioneren. 2022.


