Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

AOW naar 70 jaar: beleid dat botst met het menselijk lichaam en de economische realiteit

TBV-online besteedt de komende tijd aandacht aan de lichamelijke en psychische gevolgen van langer doorwerken. Deze bijdrage van Ernst Jurgens past in dat thema. 'De kernvraag is niet of mensen gemiddeld ouder worden, maar of de arbeid die zij verrichten gedurende hun loopbaan verenigbaar blijft met hun belastbaarheid.'
AdobeStock

De discussie over verhoging van de AOW-leeftijd naar 70 jaar wordt doorgaans gevoerd in demografische termen. Omdat de levensverwachting stijgt, zou het logisch zijn dat mensen ook langer werken. Die redenering lijkt rationeel, maar berust op een fundamentele vereenvoudiging: kalenderleeftijd wordt gelijkgesteld aan belastbaarheid. Vanuit arbeidsgeneeskundig perspectief zijn dat twee verschillende grootheden.

De relevante vraag voor pensioenbeleid is niet hoe oud mensen worden, maar hoe lang zij gezond en belastbaar kunnen werken.

Kalenderleeftijd is geen belastbaarheid

In beleidsdiscussies wordt vaak verwezen naar gemiddelde levensverwachting. Dat gemiddelde verhult echter aanzienlijke verschillen tussen beroepsgroepen. Werknemers in fysiek belastende beroepen hebben gemiddeld een kortere gezonde levensverwachting dan werknemers in beroepen met meer autonomie en aanpassingsmogelijkheden.1,2

In de arbeidsepidemiologische literatuur wordt daarom steeds vaker gesproken over healthy and unhealthy working-life expectancy: de periode waarin mensen in goede gezondheid kunnen blijven werken. Onderzoek laat zien dat deze gezonde werklevensduur aanzienlijk korter is dan de totale levensverwachting en bovendien sterk verschilt tussen sociaaleconomische groepen en beroepscategorieën.3-6

De verklaring ligt in de cumulatieve effecten van arbeidsbelasting gedurende de levensloop. In beroepen met beperkte aanpassingsmogelijkheden, hoge fysieke taakeisen en ongunstige werktijden stapelt de belasting zich gedurende decennia op. De functionele belastbaarheid neemt daardoor gemiddeld eerder af.

Maar ook arbeid met hoge cognitieve taakeisen is belastend. Chronische werkdruk, voortdurende informatieverwerking en hoge verantwoordelijkheden vergroten het risico op stressgerelateerde aandoeningen en burn-out.7,8 Chronische mentale belasting, voortdurende informatieverwerking en beperkte beslissingsruimte vergroten bovendien het risico op depressieve stoornissen. Grote registergebaseerde cohortstudies laten zien dat vooral lage beslissingsruimte en hoge job strain samenhangen met een verhoogd risico op gediagnosticeerde depressie bij werknemers.9

Vanuit arbeidsgeneeskundig perspectief is daarom niet de kalenderleeftijd bepalend, maar het dynamische evenwicht tussen belasting en herstelcapaciteit. Het concept duurzame inzetbaarheid benadrukt dat arbeid alleen duurzaam is wanneer belasting en belastbaarheid in balans blijven.10,11

De fysiologie stelt grenzen

Het menselijk lichaam kent duidelijke fysiologische grenzen. Met het ouder worden nemen aerobe-capaciteit, spierkracht en herstelvermogen geleidelijk af. Deze achteruitgang is een normaal biologisch proces en geen kwestie van motivatie of vitaliteit.

Bij langdurige blootstelling aan fysiek zwaar werk verloopt deze achteruitgang vaak sneller. Fysiek belastende arbeid verhoogt het risico op musculoskeletale aandoeningen en kan de werkcapaciteit op latere leeftijd beperken.12,13 Ook ongunstige werktijden spelen een rol. Ploegendienst en nachtwerk verstoren het circadiane ritme en verhogen het risico op cardiovasculaire en metabole aandoeningen.14-17

Voor werknemers in beroepen met beperkte aanpasbaarheid, hoge fysieke taakeisen en ongunstige werktijden betekent dit dat de functionele belastbaarheid gemiddeld eerder afneemt dan in beroepen met meer aanpassingsmogelijkheden. Het idee dat dergelijke arbeid zonder aanpassing tot het zeventigste levensjaar duurzaam uitvoerbaar blijft, is daarom medisch en ergonomisch moeilijk houdbaar.

Meer uitval in plaats van meer arbeid

Internationaal onderzoek laat zien dat verhoging van de pensioenleeftijd niet automatisch leidt tot een langere gezonde werkfase. In bepaalde groepen kan juist het tegenovergestelde gebeuren, met meer gezondheidsproblemen en een hogere instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen als gevolg.18,19

Dat mechanisme is begrijpelijk wanneer men de balans tussen belasting en belastbaarheid voor ogen houdt. Wanneer de arbeidsbelasting gedurende het leven hoog blijft terwijl de fysiologische capaciteit afneemt, ontstaat een toenemend risico op ziekte en uitval. Daarmee verschuift het probleem feitelijk van het pensioenstelsel naar zorg, verzuim en arbeidsongeschiktheid.

Het balansmodel belasting–belastbaarheid als economisch systeem

Het balansmodel tussen belasting en belastbaarheid heeft niet alleen een medische, maar ook een economische dimensie. Arbeid genereert productiviteit en die productiviteit vormt de basis voor de kosten van sociale voorzieningen zoals pensioen, zorg en sociale zekerheid. De duurzaamheid van dat systeem veronderstelt dat arbeid verricht kan worden zonder dat gezondheid structureel wordt uitgeput. Wanneer de belasting structureel hoger wordt dan de belastbaarheid – bijvoorbeeld door hoge fysieke taakeisen, langdurige cognitieve belasting of beperkte mogelijkheden tot taakaanpassing – ontstaat een voorspelbaar patroon van vermoeidheid, hersteltekort, ziekteverzuim en uiteindelijk arbeidsongeschiktheid.10,11

Epidemiologisch onderzoek naar psychosociale werkbelasting laat zien dat vooral lage beslissingsruimte en hoge job strain samenhangen met een verhoogd risico op depressie, een belangrijke oorzaak van langdurig verzuim en arbeidsongeschiktheid9 In dat perspectief is een uniforme verhoging van de pensioenleeftijd zonder differentiatie naar belastbaarheid economisch inefficiënt. Het beleid probeert arbeidsparticipatie te verlengen, maar vergroot tegelijkertijd de kans op uitval.

Ongelijkheid als bijwerking

Een uniforme AOW-leeftijd werkt verschillend uit op de belastbaarheid van beroeps-groepen. Theoretisch geschoolde werknemers verrichten doorgaans arbeid met meer autonomie en meer mogelijkheden tot taak- en tempoaanpassing. Daardoor kan de werkbelasting – ook wanneer sprake is van hoge cognitieve belasting – vaker binnen herstelbare grenzen blijven.

In beroepen met beperkte aanpasbaarheid, hoge fysieke of cognitieve taakeisen en ongunstige werktijden ligt dat anders. Daar is de ruimte om belasting te reguleren vaak beperkt. Zowel fysieke belasting als langdurige cognitieve belasting kunnen daardoor direct doorwerken in de belastbaarheid en zich gedurende de loopbaan cumulatief opstapelen.
Het gevolg is dat een uniforme pensioenleeftijd bestaande gezondheidsverschillen kan versterken. Werknemers in beroepen met hoge fysieke of cognitieve taakeisen hebben gemiddeld een kortere gezonde werklevensduur en profiteren daardoor minder van een hogere pensioenleeftijd.1,3,6

Tot slot: een beleidsvraag die verkeerd wordt gesteld

De discussie over langer doorwerken wordt vaak gepresenteerd als een demografische noodzaak. Daarmee lijkt de verhoging van de pensioenleeftijd een onvermijdelijke consequentie van vergrijzing.

Vanuit arbeidsgeneeskundig perspectief is dat een misleidend frame. De kernvraag is niet of mensen gemiddeld ouder worden, maar of de arbeid die zij verrichten gedurende hun loopbaan verenigbaar blijft met hun belastbaarheid.
Wanneer beleid uitsluitend wordt gebaseerd op kalenderleeftijd en gemiddelde levensverwachting, zonder rekening te houden met verschillen in belastbaarheid tussen beroepsgroepen, ontstaat een voorspelbaar effect: de periode van gezonde arbeid wordt niet verlengd, maar er ontstaat een periode van ziekte en uitval aan het einde van de loopbaan.
Een pensioenleeftijd van 70 jaar is daarmee geen neutrale demografische maatregel, maar een beleidskeuze die de balans tussen arbeid, gezondheid en sociale zekerheid opnieuw definieert.

Literatuur


1. Mackenbach J. Health inequalities: Persistence and change in modern welfare states. Oxford: Oxford University Press, 2019.
2. OECD. Pensions at a glance. Paris: OECD, 2023.
3. Robroek SJ, Nieboer D, Järvholm B, Burdorf A. Educational differences in duration of working life and loss of paid employment: working life expectancy in The Netherlands. Scand J Work Environ Health. 2020;46(1):77-84.
4. Vriend S, Heyma A, Noordt M van der, Deeg D. Langer doorwerken met arbeidsbeperkingen: Prognose van de arbeidsparticipatie van ouderen tot 2030 in relatie tot gezondheidsontwikkelingen. Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek, 2016.
5. Dudel C. Healthy and unhealthy working-life expectancy: opportunities and challenges. The Lancet Healthy Longevity. 2021;2(10)e604-e605.
6. Solovieva S, de Wind A., Undem K. et al. Socioeconomic differences in working life expectancy: a scoping review. BMC Public Health. 2024;24:735.
7. Bakker AB, Demerouti E. Job demands–resources theory: Taking stock and looking forward. Journal of Occupational Health Psychology. 2017 Jul;22(3):273-285.
8. Eurofound. Living and working in Europe 2023. Dublin: European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions, 2023.
9. Salonen L, Falkstedt D, Pan K-Y, et al. Development of a European job exposure matrix (EuroJEM) for psychosocial exposures and their association with diagnosed depression in register-based cohorts. Scand J Work Environ Health. Mar 2026.
10. Ilmarinen J. Work ability – A comprehensive concept for occupational health research and prevention. Scand J Work, Environ Health. 2009;35(1):1-5.
11. Van der Klink J, Bültmann U, Burdorf A, et al. Sustainable employability – Definition, conceptualization, and implications: A perspective based on the capability approach. Scand J Work Environ Health. 2016;42(1):71-79.
12. Coenen P, Willenberg L, Parry S, et al. Associations of occupational standing with musculoskeletal symptoms: a systematic review with meta-analysis. Br J Sports Medicine. 2018;52(3):176-183.
13. Cillekens B, Huysmans MA, Holtermann A, et al. Physical activity at work may not be health enhancing. A systematic review with meta-analysis on the association between occupational physical activity and cardiovascular disease mortality.
Scand J Work Environ Health. 2020;46(2):114–125.
14. Kecklund G, Axelsson J. (2016). Health consequences of shift work and insufficient sleep. BMJ. 2016;355 doi: https://doi.org/10.1136/bmj.i5210
15. Vetter C, Devore EE, Ramin CA, et al. Mismatch of Sleep and Work Timing and Risk of Type 2 Diabetes. Diabetes Care. 2015 Sep;38(9):1707-13.
16. Vetter C, Devore EE, Wegrzyn LR, et al. Association Between Rotating Night Shift Work and Risk of Coronary Heart Disease Among Women. JAMA. 2016 Apr 26;315(16):1726-34.
17. Guénel P, Léger D. Health Effects of Shift Work and Night Shift Work. In: Wahrendorf M, Chandola T, Descatha A (eds). Handbook of Life Course Occupational Health. Zürich: Springer Cham, 2023.
18. Mazzonna F, Peracchi F. (2017). Unhealthy retirement? Evidence of health effects of raising the retirement age. J Human Resources. 2017;52(1):128-151
19. Börsch-Supan A, Coile CC (eds). Social security programs and retirement around the world: Working longer. Chicago: University of Chicago Press, 2021

Ernst Jurgens is bedrijfsarts en systeembioloog

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen
account, maak dan hieronder een account aan.
Lees ook de spelregels.